Drie jaar terug pleegde mijn dochter van 16 tijdens de grote vakantie zelfmoord. De reactie van de directeur en de leerkrachten van de school van mijn dochter druist zeker in tegen wat ik in De Eerste Lijn gelezen heb. Op de directeur en de groene leerkracht na hebben wij van de school van mijn twee dochters NIEMAND gezien of gehoord.
Wat ik van de directeur gehoord heb, staat in mijn geheugen gegrift en grenst aan het ongelooflijke. Woorden zoals: «gelukkig is het gebeurd tijdens de vakantie, anders kon er hier een psychose uitgelokt worden», «wij bezoeken enkel het gezin als een ouder overlijdt, wij hebben geen contact met de ouders», «de klastitularis van uw dochter heeft het privé ook zeer moeilijk».
Wat is de taak van de leerkrachten? Enkel terechtwijzing, prestatiedrang, taken, opdrachten en examens opstellen? Ik mis de menselijke kant van het opvoedingssysteem. Voor mij heeft mijn dochter NOOIT op deze school gezeten. De leerkrachten van mijn twee dochters ontwijken ons. Zij kunnen niet in onze ogen kijken. Onze ontgoocheling is nog steeds groot. Welke waarden geven ze de jeugd mee? Enkel studeren. Inhoeverre heeft mijn dochter kunnen genieten van hun begrip, hun ondersteuning? Wij kregen er geen, wat zou zij er gehad hebben.
Kathleen Vanhaecke – ouder – RoeselareDe versoepelingsomzendbrief over het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) bevat waardevolle elementen, zoals de aanpassing van het reglement inzake lesverplaatsingen. Graag enkele kanttekeningen hierbij.
Door alleen de lesverplaatsingen te versoepelen zal het probleem van tekort aan juryleden misschien niet worden opgelost. Ik wijs erop dat de vergoeding die je hiervoor ontvangt (zeker na tussenkomst van de fiscus) niet in verhouding staat tot de tijd die je spendeert, de kosten die je maakt (vervoer) en de inspanningen die je levert om ergens te gaan jureren. Misschien een pleidooi om meer met interne jury’s te werken?
Een apart probleem i.v.m. lesverplaatsingen ontstaat als je in enkele verschillende scholen lesgeeft. Ik zie mij soms verplicht om het mij toegestane contingent aan lesverplaatsingen te benutten om in een andere school aan activiteiten deel te nemen (schoolconcerten, proclamaties, vergaderingen enz.). Dat gaat natuurlijk ten nadele van het aantal lesverplaatsingen dat ik kan benutten voor eigen artistieke activiteiten. Bestaat een mogelijkheid om hiermee rekening te houden in de contingentering van lesverplaatsingen? Een inhoudelijke kanttekening hierbij: ik ervaar mijn eigen concertpraktijk als een verrijking, waarvan ik de resultaten positief kan omzetten in mijn pedagogische opdrachten. Het is te hopen dat onze academiedirecties deze positieve uitwisseling tussen concert- en lespraktijk blijven stimuleren
Wannes Vanderhoeven – leerkracht – aficionado@pandora.beIk vraag mij af of het systeem van permanenties wel zo wettelijk is als de meeste scholen laten uitschijnen. Ik geef al een tijdje les in een school waar iedereen normaal vier (!) permanentieuren «krijgt». Door het uitvoeren van andere (onbezoldigde) taken, kan men eventueel een vermindering bekomen van dit aantal uren. Wanneer iemand bijvoorbeeld als klassenleraar een extra contactuurtje heeft met zijn of haar klas, en bovendien in de pastorale raad of directieraad zetelt (en dus veel extra vergaderingen heeft), kan die persoon het voorrecht genieten van «slechts» twee permanentieuren. Uiteraard komen daar nog eens de plage-uren bovenop. Zo komt men al gauw tot vijf of meer onbezoldigde uren per week; klassenraden, vergaderingen, oudercontacten enz. nog niet meegerekend. Is dit de manier om jonge mensen gemotiveerd te houden voor het onderwijs? In hoeveel andere bedrijven moeten werknemers een vierde van hun uren zonder vergoeding presteren?
Naar aloude gewoonte is Klasse dit jaar weer beter, mooier, moderner… geworden. Nog steeds een van de interessantste tijdschriften voor actieve leerkrachten. Ciao!
Een kort briefje op onze website. Ook u kan altijd reageren: www.klasse.be/gastenboek
Ik heb het vroeger nog dikwijls van mijn pedagoge in de normaalschool gehoord, je moet positieve taal spreken met kinderen. En toch betrap ik mezelf te vaak op verschrikkelijke uitspraken. Achteraf voel ik me telkens weer schuldig. In momenten van zwakte (vermoeidheid, stress, een tegenslag) heb ik te weinig mezelf onder controle en noem ik onze kinderen stout of vervelend. Onze kinderen zijn helemaal niet stout of vervelend, enkel hun gedrag of handelingen zijn soms af te keuren. Onze jongste (6 jaar), een geboren politicus, is goed in discussiëren en slaat soms de nagel op de kop: «Ik kan toch niet altijd flink zijn!» of «Ik zit wel nog niet in het vijfde leerjaar, hé!».
Op de trein las ik Klasse voor Ouders. Jullie artikel over plus- en mintaal deed me deugd net als vitaminen om de lange winter door te komen. Ik ben weer volop geconcentreerd op positieve taal en het lukt behoorlijk. Het is aangenamer voor kind én ouder.
En na de winter? Wel, als ik voel dat ik opnieuw voedsel nodig heb, dan herlees ik jullie artikel gewoon, om min niet de kans te geven groter dan plus te worden.
Machteld – ouderIk denk dat de afschaffing van de onderwijsnetten in de eerste plaats al veel minder administratieve rompslomp zou meebrengen. Voorts zou er dan ook een gelijke subsidiëring kunnen uit voortvloeien voor elke school, rekening houdend met het aantal leerlingen. Onderwijs moet gelijke kansen bieden aan iedereen, ongeacht afkomst, huidskleur en geloofsovertuiging. Ik denk dat de afschaffing van de verschillende onderwijsnetten ook hier een oplossing biedt. Een volgend voordeel kan je ook vinden in de betere verspreiding en groepering van de verschillende onderwijsrichtingen. En als toekomstig regent LO vermoed ik dat er voor ons, studenten, meer voor- dan nadelen zijn. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan doorverwijzing naar een andere school. Dus laten we gewoon allemaal scholen zijn in België.
De netten streven naar een zo hoog mogelijke kwaliteit van hun onderwijs. Het ene net slaagt daar al beter in dan het andere. Het gesubsidieerd vrij onderwijs (in wezen voornamelijk het katholiek onderwijs) biedt onderwijs aan van een hoge kwaliteit. Bovendien kost een leerling van het vrij gesubsidieerd onderwijs minder dan een leerling van het gemeenschapsonderwijs. Er is al veel gediscussieerd over het «gelijk leggen van de lat», maar daar zijn we nog steeds niet aan toe. De laatste tijd is er nogal wat commotie geweest rond een uitspraak van onze minister-president Dewael over netoverschrijdend werken en pluralistisch onderwijs. Zijn redenering gaat er vanuit dat de opdeling in netten niet meer van deze tijd zou zijn en dat pluralistisch en netoverschrijdend onderwijs een verrijking zou inhouden. Het is subjectief te stellen of iets niet meer van deze tijd is en doet niet ter zake. Of pluralistisch onderwijs een verrijking is, is maar de vraag. Het kan evenzeer leiden tot een mengelmoes van alles is goed en evenveel waard, en dus tot vervlakking.
Het is volgens mij voor een groot deel verspilde energie indien de overheid bewust de netten wil doorbreken. Het is veel nuttiger om als overheid een goede dienstverlening te verzorgen voor alle scholen. Ik heb de indruk dat de rol van de overheid zich nu beperkt tot controle van datgene wat scholen verplicht zijn te doen (b.v. leerlingenaantallen, eindtermen, aanstelling van personeel…). Van een kwaliteitsvolle dienstverlening vanwege de overheid worden alle scholen beter.
Mag ik hier twee voorstellen doen? Ik ga er van uit dat het voor de overheid een prioritaire taak is om onderwijsvernieuwing mogelijk te maken.
De huidige regelgeving om basisscholen, scholen voor secundair onderwijs en scholen voor deeltijds kunstonderwijs op te richten is gemaakt op maat van de grote netten. De normen liggen zodanig hoog dat het opstarten van een nieuwe school quasi onmogelijk is. Verander deze regelgeving zodat nieuwe initiatieven (zoals onafhankelijke methodescholen) in goede omstandigheden onderwijs kunnen bieden.
Omdat de DVO reeds de eindtermen en ontwikkelingsdoelen ontwikkelt, kan ze evengoed de leerplannen opmaken. Stel deze leerplannen ter beschikking van alle scholen die er in alle vrijheid gebruik van kunnen maken (immers, een leerplan is geen receptenboek). Uiteraard is een school niet verplicht om dit leerplan te volgen; het kan gerust eigen leerplannen maken (zoals de Steinerscholen nu reeds doen). De pedagogische begeleidingsdiensten kunnen dan een zeer verdienstelijke rol vervullen bij het implementeren van deze leerplannen in de scholen.
Kris Denys – FOPEM (Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodescholen) – kris.denys@chello.beNaar aanleiding van de bijdrage in het oktobernummer van Klasse over «Pedagogisch project: façade?» hebben wij de betreffende licentiaatsverhandeling van W. Hoste aandachtig gelezen. Wat opvalt is het onevenwicht tussen enerzijds de bescheiden onderzoeksgegevens en anderzijds de mix van ver-dragende conclusies over de toestand van het Vlaamse basisonderwijs, ongenuanceerde stellingen en zeer persoonlijke interpretaties. Ondanks het feit dat Hoste op bepaalde plaatsen het pedagogisch project invult als een proces dat zich binnen de lokale schoolgemeenschap voltrekt (een opvatting die ook de onze is), gaat hij voor de beoordeling van het vermogen van scholen om een visie te ontwikkelen finaal af op het opstel (het product) dat 36 scholen hem toestuurden, aangevuld met een projectomschrijving die de Raad van het Gemeenschapsonderwijs voor alle scholen van die koepel vastlegde. Die tekst wordt ook meteen als voorbeeld gesteld voor de andere koepels (OVSG en VSKO) wier project volgens de onderzoeker beneden alle peil is. Dat laatste slaat overigens al nergens op omdat bijvoorbeeld de koepel van het katholiek onderwijs (VSKO) voor zijn scholen geen uniform pedagogisch project uitschrijft maar wel concepten ontwikkelt waaraan schoolgemeenschappen zich kunnen inspireren. Voor het basisonderwijs is dat bijvoorbeeld het «Opvoedingsconcept voor het katholiek basisonderwijs in Vlaanderen.» Maar los van die kanttekening treft ons vooral dat de onderzoeker zijn (bescheiden) empirisch materiaal met gemak achter zich laat en een onsamenhangende reeks slogans uit de kast haalt en trendy statements opvoert die wel duplicaten lijken van de huidige onderwijspolitieke stellingnamen. (cf. uitgebreide tekst op de website van Klasse). De onderzoeker produceert zodoende een pamflet dat, mede door de vele hiaten in zijn documentatiebasis, voor een objectief en kritisch debat onbruikbaar is. Het is ten hoogste een inspiratiebron (façade?) voor wie geïnteresseerd is in wat ideologische schoolstrijd. Eén en ander doet de basisscholen die ongetwijfeld in de praktijk verankerde stappen zetten om beginselvaster te gaan werken ook onrecht aan. Op basis van hun (volgens Hoste) onvolkomen papieren legitimering stelt de onderzoeker, in het voetspoor van de onderwijsbureaucraten, dat ze geen project hébben, geen visie hebben op leren en hun pedagogische opdracht maatschappelijk en filosofisch/levensbeschouwelijk niet weten te kaderen.
Tenslotte is het, alles in acht genomen, ook meer dan merkwaardig dat Klasse van zulk werkstuk «Het onderzoek van de maand» maakt.
Jan Saveyn – pedagogisch coördinator Vlaams Verbond van het Katholiek Basisonderwijs.We gaan graag in op uw verzoek en publiceren uw reactie op het onderzoek in Klasse nr. 108 (pedagogisch project) in deze rubriek én op de internetsite.
In uw slotzin stelt u dat u het merkwaardig vindt dat Klasse «van zulk werkstuk Het onderzoek van de maand maakt». Dat is een gewone rubriektitel. De resultaten werden in interviewvorm weergegeven en houden uiteraard geen stelling in van Klasse. De heer Hoste heeft dit onderzoek uitgevoerd onder promotie van prof. F. Simon van de Universiteit Gent en de resultaten werden wereldkundig gemaakt via een persbericht (vandaar dat ook andere media erover hebben bericht). Vanuit de Universiteit Gent bereikte ons geen signaal als zou deze studie onwetenschappelijk zijn of de resultaten niet geschikt voor publicatie. Door publicatie van de onderzoeksresultaten in Klasse werd alvast een interessante discussie geopend. Verscheidene scholen hebben daar al op ingespeeld door het aangeboden model voor een pedagogisch project van de Klasse-website te downloaden.
Vanuit mijn ervaring als artistiek docent (Hogeschool Gent – conservatorium) kan ik alleen maar beamen wat Marnix Verduyn in Klasse 108 poneert i.v.m. de specificiteit van het kunstonderwijs en de meester-leerling-traditie. De huidige situatie van kunstopleidingen binnen de hogeschool-mastodonten kan bezwaarlijk als ideaal (lees: comfortabel) worden beschouwd. Dringt een algemene bevraging van de sector kunstonderwijs (docenten, studenten en directies) zich in dit licht niet op? Feit is wel dat ondertussen heel wat studenten kiezen voor Nederland (met terugbetaling inschrijvingsgeld door Vlaamse Gemeenschap!) of Wallonië (traditionele opleiding).
De heer Verduyn maakt een foutieve inschatting door te menen dat ‘slechts één procent van de Vlaamse bevolking met kunst bezig is’. Nog een grotere onderschatting is dat ‘daarvan weinigen over artistieke en pedagogische kwaliteiten beschikken’. De heer Verduyn zou moeten weten dat er 107.980 jongeren een artistieke vorming genieten tijdens een 12-jarige cyclus van de lagere en middelbare graden van de 166 academies behorend tot het deeltijds kunstonderwijs. In diezelfde academies volgen nog eens 31.507 volwassen leerlingen (+ 18 jaar) gedurende 4 of 5 jaar een specifieke artistieke discipline met een bijhorende cursus kunstgeschiedenis. Een Vlaamse bevolking waarvan er 139.487 een intensieve kunstvorming genieten, kan niet meer ervaren worden als onbevoegd, ongesensibiliseerd of ongeschoold inzake kunst. Het wordt overigens hoog tijd dat de kunsthogescholen zich informeren over, en concreet contact opnemen met de kunstacademies van het deeltijds kunstonderwijs.
Méér reacties op het Forum Netten en koepels op de website van Klasse. U kan zelf nog steeds reageren op dit en andere fora. Surfen naar www.klasse.be/forum.
Na een jarenlange bedrijfservaring zette ik een viertal jaren geleden als technisch regent de stap naar het technisch onderwijs. Een stap waarvan ik tot op heden geen enkele spijt heb. Geen enkele job laat zoveel ruimte voor idealisme en creativiteit als deze van leerkracht. Niettegenstaande ben ik (en ik niet alleen) toch wel een beetje geschrokken over de kloof die er bestaat tussen het onderwijs en de bedrijfswereld.
De contacten die dienen te worden gelegd én onderhouden met de bedrijfswereld in functie van stages en geïntegreerde proef zijn een taak die enkel door vakmensen naar behoren kan worden uitgevoerd en zéér belangrijk is voor leerling en school. Het technisch en praktisch uitwerken (materiaalvoorziening!) en opvolgen van GIP-onderwerpen vraagt veel inzicht en bekwaamheid daar men elk onderwerp (binnenklasdifferentiatie) moet kennen. De steeds groter wordende klassen stellen vooral een probleem voor de praktijkleerkracht naar opvolging, materiaalvoorziening om de oefening te kunnen uitvoeren én vooral naar veiligheid van de leerlingen. Technisch vakbekwame mensen zijn enorm gegeerd, zelfs binnen de eigen school weet men hiervan (mis)gebruik te maken. Bij een defect (mechanisch, elektrisch) zal leraar X het wel oplossen en dat hij eens durft zeggen dat hij geen tijd heeft!
De knowhow die de mensen uit de bedrijfswereld meebrengen naar de scholen dient hoogdringend meer naar waarde te worden geschat. Ik vrees dat er hoogdringend iets zal moeten gebeuren aan het onderwijssysteem wil men in de toekomst geen totale leegloop krijgen van (technische) vakmensen in de technische scholen. Daarom een oproep aan alle technische en praktijkleerkrachten die ongetwijfeld met hetzelfde probleem worden geconfronteerd om contact op te nemen en er samen iets aan te doen door alvast het probleem kenbaar te maken.
Leerkracht – naam, adres en e-mail bekendHet getuigt zeker niet van enige klasse te menen dat een ‘Maandblad voor Onderwijs in Vlaanderen’ opgesmukt moet worden door her en der in de rand onvertaalde Engelse wijsheden aan te halen zoals in Klasse 109. Werd er door de redactie misschien een nieuwe variant van het ‘Et pour les Flamands la même chose!’ uitgeprobeerd?
U kon het in de vorige Klasse al lezen (en aan de foto’s zien): de citaten kwamen van de Dalai Lama. We lieten ze in het Engels staan uit respect. Hoe vertaal je trouwens dat we de drie ‘R’s’ moeten respecteren als één daarvan ‘responsability’ is? De andere R’s zijn respect voor jezelf en respect voor de ander. Moet kunnen.
Wij zijn vernederd, verontwaardigd en boos! Hoeveel waardering krijgen we nog als politiekers als Karel De Gucht uitspraken doen als ‘Kijk- en luistergeld willen we in 2002 afschaffen. Een loonsverhoging voor leerkrachten is dus niet nodig, want zij hebben ook een tv in huis‘. Bedankt, deze onzin getuigt van de mate van respect die politiekers hebben voor onze job.
Als klasverantwoordelijke zorg ik er persoonlijk voor dat iedereen zijn Maks! krijgt. Alleen krijg ik ze altijd een beetje laat via de directeur. Maar klas 6EM uit Spes Nostra Kuurne vindt Maks echt wel KEI TOF!!!! Doe zo verder!
www.klasse.be/kvl/93/45 De Eerste Lijn 7 – Zelfmoord
www.klasse.be/kvl/108/10-15 Jureren zonder problemen
www.klasse.be/kvl/108/48-2 Pedagogisch project: façade?
www.klasse.be/kvl/108/10-3 Bauhaus in Brussel (over netoverkoepelende samenwerking tussen twee Brusselse kunsthogescholen)
www.klasse.be/kvl/103/4 School en bedrijf: LAT-relatie en www.klasse.be/kvl/103/6 «We kennen elkaar niet»