Van harte gefeliciteerd met jullie recente Europanummer. Zelf heb ik als lerarenopleider de voorbije jaren mogen participeren aan twee Comenius projecten, met respectievelijk zeven en zeventien partnerlanden. Je kunt niet genoeg onderstrepen welke waarde dat samen reflecteren, werken en leren heeft voor je eigen professionele ontwikkeling.
Het Europa dat in jullie nummer aan bod kwam, is het Europa van de staten. Er is echter ook een Europa der volkeren. En dat is niet louter een folkloristisch gegeven. In de Baskische Ikastola’s krijgen meer dan 100.000 leerlingen onderwijs in hun moedertaal, in meer dan 80 basisscholen in Friesland is het Fries de voertaal als zesjarigen leren lezen, in Ierland is het Gaelic de officiele onderwijstaal in 127 basisscholen en in 27 secundaire scholen. Toch ook maar eens aandacht besteden aan dat andere Europa?
Paul Cautreels
Wordt nog iemand warm van Europa? Ik zeker en vast! Met mijn lerarenkaart heb ik slagvelden, sites en begraafplaatsen uit WO I en II bezocht. Mijn vader van 82 is gek op informatie over WO II. Voor Vaderdag heb ik hem zes dvd’s met documentaires over WO II gekocht en die ook bekeken. Als ik alle informatie op een rijtje zet, heb ik maar één bedenking: gruwel! Volkeren die misleid werden om zich, ter eer en glorie van een aantal pipo’s, te laten afslachten en actief te moorden. En dan heb ik het nog niet over Napoleon I, Napoleon III, de Tachtigjarige Oorlog, Alva, Noormannen, Romeinen.
We behoren waarschijnlijk tot de eerste generatie uit onze contreien in eeuwen die de gruwel van een oorlog niet rechtstreeks meemaakt. Wie nu jong is mag blij zijn dat hij in de EU leeft. Terzijde: de meest emotionele lesdag die ik meemaakte was de dag na de val van de Berlijnse Muur. Dat was nog eens wat anders dan een oorlogsverklaring.
Marc Vermeulen
De reportage over Estland (Klasse 206) is heel interessant, maar bevat een klein foutje: de ‘moeilijkste tongbreker’ ‘jäääär’ wordt met vier ä’s geschreven (‘jää’ betekent ijs en ‘äär’ rand, vandaar). Overigens is dat niet eens het moeilijkste woord; ‘õueaiaäär’ (‘rand van de hoftuin’) is al een heel pak minder gemakkelijk.
Ward Smeyers
Een ouder schreef in ‘Geen probleem? Probleem!’ over haar zoon van het vijfde leerjaar die goede punten haalde voor een rekentoets, maar alles van hoeken meten fout had. Hij maakte ook een goede taaltoets, maar alles van zinsdelen had hij fout. Volgens zijn juf was er geen probleem. Als ik toetsen verbeter, noteer ik in een remediëringsschrift problemen van een leerling, ook al zijn de totaalresultaten van de toets goed. In een volgende les met dat specifieke probleem, werk ik miniklassikaal met de ‘probleemleerlingen’ of stuur ik ze naar de zorgleraar. Ik speel zeer kort op de bal en kijk absoluut niet enkel naar de totaalresultaten.
Joke Hendrikx
‘De meeste leraren werken veertig uur per week’, lees ik in Klasse 206. Ik denk dat dat opgaat voor mensen in aso, met een algemeen vak als Nederlands, wiskunde of levensbeschouwelijke vakken. Zelf heb ik negentien lesuren. In de praktijk probeer ik mijn aantal werkuren onder de zestig per week te houden. Ik geef immers voornamelijk les in tso/bso, met vakken waar géén cursussen van bestaan. De luxe van een handboek met ingevulde leerplannummers gaat aan ons voorbij. Een job in het onderwijs is dus niet zo rooskleurig als hij afgebeeld wordt. Gelukkig kun je tijdens de vakanties bijwerken.
Hilde Degraen