Dina (88), Hilde (53) en Annelies (28). Alle drie zijn ze besmet met het onderwijsvirus. Doorgegeven van generatie op generatie. Via de genen of aan de ontbijttafel. Samen overspannen ze zeventig jaar onderwijs en delen ze tachtig jaar ervaring. Welke evoluties hebben ze meegemaakt? Wat is hetzelfde gebleven? En was het vroeger beter?
Annelies Sergooris (28), zorgcoördinator Vrije Basisschool Welle en ‘t Landuiterke, Denderleeuw
Hilde Van den Meersschaut (53), directeur Vrije Basisschool Welle
Dina Cordonnier (88), gewezen kleuterjuf, wijkschool Leeuwbrug, Denderleeuw
Dina: “Ik ben in 1941 gestart als kleuterjuf. Ik was toen 19 en had drie jaar normaalschool achter de rug. Na een onderbreking van tien jaar ben ik in 1963 opnieuw begonnen in een kleuterschooltje in een volkse wijk van Denderleeuw. De zusters hadden een plaats voor mij in de eerste kleuterklas. Ik ben er gebleven tot aan mijn pensioen in 1982.”
Dina: “Ja, tien jaar bleef ik thuis bij de kinderen. In die tijd moesten leraren stoppen met werken zodra ze trouwden en aan kinderen begonnen. De zusters waren daar wel soepel in. Toen ik zwanger was van onze oudste zoon, die in september geboren is, mocht ik blijven tot eind juni. Mits ik mijn buik wat wegstopte. Ik herinner me een klasfoto: alle kinderen met korte mouwen en ik met een dikke mantel. Putje zomer.”
Hilde: “Niet echt. Maar ik kende het schooltje van mijn moeder wel heel goed. En ook haar collega’s. Zo ging ik af en toe babysitten. Ik ben onderwijzer – en later directeur – geworden omdat ik in mijn jeugd altijd het onderwijs van dichtbij gezien heb.”
Dina: “Hoewel ik dat nooit bewust heb gestimuleerd.”
Annelies: “Bij ons thuis was onderwijs wel altijd gespreksonderwerp numero uno. Zowel mama als papa waren leraar. Mijn zus en ik waren ook heel nauw betrokken bij alles wat op school gebeurde.”
Annelies: “Nee, ik ben ook zelfstandig logopedist. Heel leuk, maar ik miste contact met collega’s. Zeven jaar terug, toen de functie van zorgcoördinator in het basisonderwijs ontstond, ben ik daar meteen opgesprongen. Ik had er de expertise voor. En ik ga heel graag met kinderen om.”
Hilde: “Dat is hét belangrijkste: een groot hart hebben voor kinderen. Veel geduld hebben ook. Hard willen werken. En flexibel zijn. Vooral die laatste twee kwaliteiten heb je hoe langer hoe meer nodig.”
Dina: “Ik was in de eerste plaats een ‘moederke’. Kinderen waren in die tijd amper twee toen ze instapten. Er kwam veel verzorging bij kijken. Soms had ik na de paasvakantie 50 kinderen in mijn klas. Veel kun je dan niet doen.”
Dina: “De kleuters zaten per zes aan een tafel. Ik had waspoedertonnen gevuld met blokken. Aan elke tafel kieperde ik dan zo’n ton uit. Het was vrijblijvend spelen. Ik leerde hun wel versjes en liedjes aan, we boetseerden en weefden, maar daar zat geen lijn in.”
Hilde: “Het inzicht dat je kinderen zo vroeg mogelijk stimulansen moet geven, is pas veel later gekomen. Op dat vlak is het onderwijs enorm verbeterd, al leggen we de lat nu soms té hoog voor de leerlingen. Laatst kwam een moeder haar kleuter inschrijven en vroeg of hij een rapport zou krijgen. Waarom al die prestatiedruk?”
Hilde: “Die problemen heb ik de laatste tien jaar zien boomen. Ik vraag me af of dat te maken heeft met wat leraren van bovenaf opgelegd krijgen. Die stijgende werkdruk geven we onbewust door aan de kinderen. Ze moeten alsmaar presteren. Vernieuwingen volgen elkaar in snel tempo op. Sommige zijn noodzakelijk, andere kun je in vraag stellen.”
Annelies: “Anderzijds worden kinderen met dergelijke problemen nu veel beter opgevangen. Ouders zijn daarvoor ook vragende partij, want ze hebben zelf minder tijd. Ouders herkennen in hun kind soms de problemen waar ze vroeger zelf mee worstelden en zijn blij als je hen verder helpt. Zelf waren ze gewoon ‘moeilijk’ of ‘stout’.”
Dina: “Ik heb nooit een ouder geweten die kwam klagen. Ze kwamen enkel naar school als het schoolfeest was. Oudercontact bestond niet. Ik heb nooit tegen een ouder gezegd: ‘Uw kind kan nog niet goed knippen.’”
Annelies: “Ouders zijn nu veel kritischer. Goed dat de drempel is verlaagd, maar bij het minste staan ze aan je deur. Ook bij hen is de werkdruk verhoogd. Een ouderoverleg plannen tijdens de schooluren lukt haast niet meer.”
Hilde: “Als kinderen nu thuiskomen van school met een verhaal, geloven ouders dat onmiddellijk. Vroeger vroegen ouders: ‘Ben je braaf geweest op school’, nu klinkt het: ‘Is de juf braaf geweest’, om het met een boutade te zeggen.”
Dina: “Iedereen in het dorp spreekt mij nog altijd aan met ‘Juffrouw Dina’. Zelfs oud-leerlingen die niet van de braafsten waren, zeggen mij vriendelijk goeiedag. Ze hebben nog altijd respect voor mij.”
Hilde: “Vroeger had je aanzien in de gemeenschap. Dat is nu veel minder zo. Leraar zijn was vroeger ook een leuk jobke. De werkdruk was niet zo hoog. Je klopte je uren en dat was het. Nu neem je werk mee naar huis, in de vakanties zijn er klusjesdagen, er is veel administratief werk …”
Annelies: “Lesgeven is meer dan ooit een roeping. Als je er niet 100 procent achter staat, houd je het niet vol.”
Dina Cordonnier: “Het was vroeger niet beter, wel makkelijker”
Hilde: “De mentoruren zijn geschrapt, maar onze scholengemeenschap heeft uit de puntenenveloppe uren voorzien, omdat het belangrijk is dat jonge mensen opgevolgd worden.”
Annelies: “Dat is een nieuwe evolutie. Zelfs toen ik zeven jaar geleden startte was daar amper sprake van.”
Dina: “Het enige wat bij ons gebeurde, was dat de directeur een les kwam bijwonen. En ik kon terecht bij mijn collega’s. Af en toe kwam ook de inspecteur langs.”
Dina: “Ik had enkel een agenda. Daarin noteerden we dagelijks wat we deden in de klas. We hadden ook geen vergaderingen. Eén keer was er een ‘conferentie’. We moesten een les voorbereiden en die dan geven aan collega’s.”
Hilde: “Veel overleggen heeft zeker zijn voordelen. Je zit minder op een eiland. Maar het verzwaart mijn taak als directeur aanzienlijk. In het begin had ik zo’n heimwee naar mijn leerlingen dat ik soms een deel van een klas apart nam om te differentiëren. Dat is vandaag ondenkbaar.”
Annelies: “Al hebben de zorgcoördinatoren ook wel de directeurs voor een stuk ontlast. Contact met het CLB bijvoorbeeld is een taak die zij vaak overnemen.”
Hilde: “Het niveau is niet gezakt. Er is veel meer differentiatie. De sterken moet je uitdagen. De zwakken meekrijgen. Vroeger was je een dommerik en moest je je plan trekken.”
Annelies: “Sinds de jaren 90 is de wijkschool langzaam maar zeker een concentratieschool geworden. Daar kampen we vooral met de taalproblematiek.”
Dina: “Vroeger was het niet beter, wel makkelijker. Maar ik zou het in elk geval zó weer opnieuw doen.”