Klasse

Hoe zoek is het vertrouwen?

Na de schok: scholen om te schuilen

De seriemoordenaar blijkt een leraar. Leerlingen en collega’s blijven verweesd achter. En met hen de hele samenleving. Sommige scholen verbieden gsm’s. Er worden uitgelokte incidenten mee gefilmd. Pedofiele leraren staan in de krant en voor de rechter. Hoe zoek is het vertrouwen? Klasse spreekt met een B-Fastteam van zes experts en ervaringsdeskundigen.

“Wie is er nog te vertrouwen?”

“De zaak Janssen heeft ons vertrouwen in onderwijs niet geschokt”, weet socioloog Marc Hooghe (K.U.Leuven). Eén rotte appel volstaat daarvoor niet. Bovendien reageerde de school in Herk-de-Stad snel en gepast. Maar wat als ze dat niet had gedaan?

De zaak Janssen bezorgde Vlaanderen een schok. Wie kun je nog vertrouwen als zelfs een leraar een psychopaat kan zijn? Is de relatie tussen de Vlaming en zijn scholen nu geschonden?
Marc Hooghe: “Dat geloof ik niet. We hebben heel veel vertrouwen in onderwijs als instelling, net zoals we artsen en verplegers vertrouwen. Dat komt doordat onderwijs diensten verleent en niet uit is op winstbejag. Dat vertrouwen is ook nodig, anders heb je geen pedagogisch klimaat waarin leerlingen kunnen leren en geen leraren die waarden kunnen overbrengen. Individuele gevallen stralen niet negatief af op het onderwijs; de mensen kunnen dat best wel plaatsen. Zelfs in Herk-de- Stad zelf. We vertrouwen het onderwijs onder meer omdat we weten dat de overheid scholen controleert. Echt slechte scholen bestaan bij ons niet.”

Wat moet er dan gebeuren om ons vertrouwen in de scholen neer te halen?
Marc Hooghe: “Daarvoor moet er op systeemniveau een en ander fout lopen. Mocht er in meerdere scholen wat misgaan, bijvoorbeeld leerlingen mishandelen. Of als er met Janssen al eerder problemen waren geweest op school, die werden geminimaliseerd of doodgezwegen. Maar dat is dus niet zo.”

De directeur van de school en zijn team hebben meteen open gecommuniceerd, zowel binnen als buiten de school.
Marc Hooghe: “En daardoor is het vertrouwen meteen na de feiten al hersteld. Openheid is het sleutelwoord in crisiscommunicatie. De media kregen toegang tot de school, er werd gepraat met ouders en leerlingen, onder collega’s en directeurs. Dat er later een mediastop kwam, is geen probleem, dat aanvaardt men.”

Janssen was iemand die vlot functioneerde in de samenleving. Dat zou vragen kunnen oproepen: in hoeverre kun je je buurman, je leraar, om het even wie nog vertrouwen?
Marc Hooghe: “Dat zou tot paranoia leiden, want dat betekent dat je in iedereen een moordenaar gaat zien. Op dat moment stopt de samenleving met functioneren. Kijk naar Somalië of Congo, waar alle mensen een potentieel gevaar voor elkaars eigen veiligheid zijn geworden. ‘Failed societies’ noemt men dat. Onze samenleving functioneert op basis van vertrouwen. Als we de straat oversteken, checken we wel of alle auto’s blijven staan, maar in de grond vertrouwen we erop dat ze dat ook doen. Dat basisvertrouwen verliezen we niet zo snel. Gelukkig maar.”

Marc Hooghe, socioloog en coördinator van het Leuvense Centrum voor Politicologie. Deed onder meer onderzoek naar het algemene vertrouwen in politieke instellingen.

“Het komt akelig dichtbij”

Vijftien jaar geleden werd zijn dochter An door seriemoordenaar Marc Dutroux omgebracht. Door de zaak Janssen herbeleeft Paul Marchal heel die periode. “De liefde voor An heeft me de kracht gegeven om dat verdriet te overleven. Ik blijf ijveren om slachtoffers beter te behandelen.”

Paul Marchal: “Zonder vertrouwen door het leven gaan is onmogelijk. Het klopt dat mijn vertrouwen door heel wat mensen bij politie en gerecht, en later ook in de politiek, is geschonden. Maar er waren ook mensen bij politie en gerecht die ik blindelings vertrouwde. Wat er met mijn dochter An is gebeurd, heeft me de vreselijkste emoties bezorgd maar anderzijds heb ik ook gelukkige momenten ervaren. De Witte Mars was zo’n geluksmoment. Ik wandelde door de straten van Brussel en ik bleef maar bloemen krijgen van mensen die meestapten. Mijn armen deden op den duur pijn van al die bloemen te dragen en toen was het alsof ik mijn dochter An droeg. Een heel mooi symbolisch gevoel was dat. Ik ben enorm dankbaar voor die solidariteit.”

Was het niet pijnlijk dat de zaak Janssen zich zo dicht bij jou afspeelde?
Paul Marchal: “Janssen gaf les op nauwelijks honderd meter van de basisschool waarvan ik directeur ben. Dat is akelig dichtbij. Vraag me niet om begrip te hebben voor zulke daders. Dat kun je van mij als vader van een vermoord meisje niet verwachten. Wat doet men voor de slachtoffers? Van toen An verdween tot nu blijf ik zeggen: een kind dat slachtoffer is, dat een trauma heeft ervaren, moet je als maatschappij helpen. Met veel middelen. Dat kost nu veel geld, maar daardoor zorg je er wel voor dat sommige van die slachtoffers later zelf geen dader worden. Dan moet je voor die mensen geen gevangenissen bouwen en heb je later ook weer minder slachtoffers. Investeer dus in de jeugd.”

Moeten kinderen zo nodig weten dat er mensen als Janssen bestaan?
Paul Marchal: “Een collega vroeg me onlangs of ik het goed vond dat ze iets over de zaak Janssen in de klas zou doen. Natuurlijk vind ik dat goed. Meer nog: we moeten dat doen. Je mag toch niet toelaten dat kinderen enkel via de media over deze zaak horen? Confronteer ze maar. Maar begeleid hen professioneel in die confrontatie.”

Met het gevaar dat ze leren dat niet alle leraren te vertrouwen zijn?
Paul Marchal: “Is dat zo erg? Een leraar is toch geen God de Vader of allesweter, dat moeten kinderen liefst zo snel mogelijk leren. Je moet kinderen wapenen voor de toekomst. Dat betekent natuurlijk niet dat je hen bang moet maken. Ik zeg aan alle kinderen hier op school dat ze altijd welkom zijn om me om het even wat te komen vertellen, maar ik verwacht niet dat ze dat ook effectief allemaal zullen doen. Een kind kiest zijn vertrouwenspersoon intuïtief. Wat vertrouwen betreft kunnen we van kinderen nog veel leren. Maar ook scholen hebben een taak: leer kinderen wat normaal en abnormaal is.”

Paul Marchal, vader van An Marchal. Zijn dochter werd in 1995 door seriemoordenaar Marc Dutroux ontvoerd, gevangen gehouden en vermoord. Nu is hij directeur van basisschool Herckerhof in Herk-de-Stad, op nauwelijks honderd meter van de secundaire school waar Janssen lesgaf.

“We geven onze angst door”

Precies omdat Ronald Janssen een sympathieke leraar was, jaagt hij als psychopaat een schokgolf door ons land. “We identificeren ons met het slachtoffer van een misdaad, maar ook met de dader”, verklaren criminologen Stefaan Pleysier en Diederik Cops. Misschien is dat het begin van een angstmaatschappij.

Stefaan Pleysier en Diederik Cops: “Jongeren voelen zich minder veilig”

Sociologen zeggen onomwonden dat we vandaag in een risicomaatschappij leven.
Stefaan Pleysier: “Het idee van de risicomaatschappij is ondertussen meer dan twintig jaar oud. We weten meer over de risico’s van industrialisering, kernenergie en global warming, en aanvaarden ze minder. Ook criminaliteit, onveiligheid én geweld bannen we, maar tegelijk fascineren ze ons. Door deze ontwikkelingen is het ‘voorzorgsprincipe’ centraler komen te staan. Dat bepaalt dat we de risico’s in onze samenleving steeds meer proberen uit te sluiten om veiliger te leven.”

Diederik Cops: “Maar het leidt er ook toe dat onze jongeren zich minder veilig voelen. Deze generatie ouders geeft meer angst door dan vroeger. Kinderen pikken dat op. We staan niet zo ver meer van een angstmaatschappij. We moeten beseffen dat een compleet veilige samenleving niet bestaat, omdat ze per defi- nitie onvoorspelbaar is. Zo blijkt de moord op Annick Van Uytsel puur toeval te zijn. Toch hebben ouders de reflex hun tieners sinds de moord meer thuis te houden.”

Na Dutroux is hetzelfde gebeurd. Sindsdien spelen heel wat minder kinderen op straat.
Stefaan Pleysier: “We zijn het niet meer gewoon om met dat geweld om te gaan. We zeggen: ‘Dat zou toch niet meer mogen in onze samenleving’. Politici reageren bovendien meteen met algemene maatregelen waarvan je je kunt afvragen of ze echt nodig zijn. Kim De Gelder pleegt moorden in een crèche. De kans dat dat nog een keer gebeurt, is verwaarloosbaar, maar toch moeten alle ouders in het land nu aanbellen vóór ze de crèche binnen kunnen. Ook deze ‘incidentencultuur’ bepaalt mee ons onveiligheidsgevoel.”

Van Dutroux dacht iedereen: dat is een marginale psychopaat. Maar Janssen was een sympathieke leraar.
Stefaan Pleysier: “En dus was de schok onder de bevolking bijzonder groot. Dat heeft met identificatie te maken. Met Janssen kun je je op het eerste gezicht makkelijk identificeren: een onbesproken leraar, een sociale mens, je buurman. Dat zo iemand een moordenaar en een psychopaat blijkt te zijn, daar zijn we ondersteboven van. Veel meer dan Dutroux tast Janssen ons basisvertrouwen aan, ook dat van leerlingen. Het gaat om een leraar en die deel uitmaakt van de kleine groep mensen waarin kinderen vertrouwen hebben. Hij is een referentiefi guur, zoals je ouders.”

Je merkt toch dat Janssen na de eerste schok meer is ‘geïsoleerd’.
Stefaan Pleysier: “Dat doen we vaak, dergelijk geweld buiten onze samenleving plaatsen. We hebben te maken met een psychopaat die uit een problematisch gezin komt en die er vreemde gewoonten op nahield. Zo brengen we het geweld in de sfeer van het abnormale, dat geeft ons voldoening. We leggen de verklaring voor het geweld buiten het geweldfeit zelf. We interpreteren het als zinloos, omdat we ons daar beter bij voelen. We durven niet toe te geven dat we geweld ook in een relatief geweldloze maatschappij niet kunnen uitsluiten. Hoe erg het ook klinkt, Janssen schiep gewoon genoegen in het moorden. Wij vinden dat zinloos, maar voor hem was dat zinvol. Dat moeten we onder ogen durven te zien, zelfs als we horen dat er ook andere ‘verklaringen’ achter zijn misdaden zitten.”

Diederik Cops: “Zolang we de onvoorspelbaarheid van onze samenleving kunnen verwerken, zal ons algemeen onveiligheidsgevoel niet toenemen. Maar het is wel anders als je van dichtbij bij de feiten betrokken bent, natuurlijk.”

Je leest in de kranten dat de mensen in Loksbergen en de leraren in de school in Herk-de-Stad zich sinds de feiten meer met elkaar verbonden voelen.
Stefaan Pleysier: “De klassieke identificatieverlenende modellen (de kerk, sociale klasse …) zijn weg, dus zoeken we er zelf nieuwe. Dat we ons nu meer verbonden voelen met slachtoffers van (zinloos) geweld of rampen, compenseert dat verlies van andere modellen. De witte of stille marsen zijn daar voorbeelden van.”

De berichtgeving over Ronald Janssen in de media is stevig op de korrel genomen: te sensationeel, te voyeuristisch.
Diederik Cops: “Over sommige berichten in de pers kun je je de vraag stellen: ‘Moet dit wel?’ Anderzijds kun je er niet omheen dat de bevolking die informatie wil. Velen zoeken het slechte nieuws gewoon op. Het is een cyclisch proces: mensen die zich onveilig voelen, zijn meer geneigd die berichten op te pikken die hun gevoel bevestigen. Daardoor voelen ze zich nog onveiliger. Je kunt de media niet verwijten dat ze het algemene angstof onveiligheidsgevoel opdrijven, want hun aanpak maakt deel uit van een brede evolutie in de samenleving. Dat mensen zich vandaag veel sterker verbonden voelen met een slachtoffer, is zo’n evolutie.”

Gaan we ons nu niet alleen op straat maar ook op school onveiliger voelen?
Diederik Cops: “Sinds 1998 meet de Veiligheidsmonitor jaarlijks het onveiligheidsgevoel in ons land. Welnu, na elf jaar voelen we ons niet echt onveiliger. Wel zijn er kleine in tijd beperkte fluctuaties, zoals kort na de moord op Joe Van Holsbeeck. Het onveiligheidsgevoel kan ook veranderen als de maatschappelijke context verandert. Met camera’s geef je het signaal dat een straat onveilig is. Door het zwerfvuil er weg te halen, ziet ze er veiliger uit.”

Stefaan Pleysier, criminoloog en onderzoeker. Doctoreerde over de conceptualisering en de meting van onveiligheidsgevoelens. Is coauteur van Game Over, over de relatie tussen geweld en videogames.

Diederik Cops, criminoloog gespecialiseerd in onderzoek naar jeugddelinquentie en onveiligheidsgevoelens bij jongeren.

“Leraren screenen?”

“Elk trauma geeft ons de unieke kans om te groeien én om fundamentele vragen te stellen”, weet trauma-expert en majoor Erik De Soir. “Moeten we leraren niet psychologisch screenen vóór we ze op een klas loslaten?”

Erik De Soir: “Kandidaat-soldaten worden uitgebreid psychologisch getest. We gaan na of ze in een oorlogssituatie wel in staat zijn om te doden. Ze worden gescreend op hun leiderschapscapaciteiten en emotionele stabiliteit. Maar we hebben ook voldoende psychologische kennis om kandidaat-leraren in te schatten. Leraren werken met een bijzonder kwetsbaar publiek: kinderen. Sommige leraren brengen meer tijd door met een kind dan zijn ouders. Dan moeten we toch vertrouwen kunnen hebben in die leraar? “

Pleit je er dan voor om leraren te wantrouwen? Ze scoren net hoog in de vertrouwensranglijst van onze maatschappij.
Erik De Soir: “Zo’n screening hoeft het vertrouwen niet te doen dalen. Je hebt nu vooral een passief vertrouwen in leraren. Voeg daar een actief vertrouwen aan toe door te zeggen: we willen geen mensen in ons onderwijs die onze kinderen kunnen beschadigen. Die zijn er nu wel. Hoeveel zedenfeiten tussen leraren of opvoeders en leerlingen komen nooit aan de oppervlakte? Natuurlijk garandeert zo’n screening niet dat we elke potentiële seriemoordenaar of kinderverkrachter klissen.”

Verbaast het je dat de maatschappij geschokt is als een sympathieke buurman en geliefde leraar een seriemoordenaar blijkt te zijn?
Erik De Soir: “Niet echt. Maar ik ben blij dat Janssen geen paracommando is. Dan had iedereen automatisch de link gelegd met zijn militaire opleiding. Het leven is complex, daarom willen mensen de werkelijkheid categoriseren. Aan een paracommando hangen we het label ‘potentieel gevaarlijk’, aan een leraar ‘te vertrouwen’. Door Janssen moet dat label niet ineens vervangen worden. Ik zou wel werk maken van een deontologische code voor leraren. Daar kan bijvoorbeeld instaan dat je nooit privélessen bij je thuis aan een leerling kunt geven. Ik hoop dat de sociale controle tussen leraren onderling ook sterker kan worden, zonder dat we daarom in een heksenjacht verglijden. Leraren moeten ook nadenken over hun aanwezigheid op sociale netwerken zoals Facebook, Twitter of Netlog. Internet blijft een kweekvijver voor afwijkend gedrag en doet de grenzen tussen sociale rollen vervagen. “

Je hebt kort nadat het nieuws over Janssen bekend raakte ook advies aan zijn school in Herk-de-Stad gegeven.
Erik De Soir: “Toevallig hadden de directieleden vorig jaar bij mij een vorming crisiscommunicatie gevolgd. De school was goed omringd door mensen van Slachtofferhulp en het CLB, ik heb me dus beperkt tot coachen in de coulissen. Ik heb ze wel onmiddellijk gewaarschuwd dat er nog méér slecht nieuws over Janssen zou kunnen komen, dat ze daarop voorbereid moesten zijn. Ook gaf ik ze de raad om oog te hebben voor de virtuele realiteit. Je moet weten welke gissingen, verhalen, eventueel foto’s over zo’n zaak de leerlingen allemaal aan elkaar doorspelen via het internet. Merk je dat het daar fout loopt, dan moet je ingrijpen.”

Geloof je dat leraren en leerlingen de schok van Janssen te boven komen?
Erik De Soir: “Dat geloof ik wel, maar ik ben niet zeker of het vanzelf zal overwaaien. Daarom zou ik echt werk maken van die psychologische screening en deontologische code. Als leerlijnen en eindtermen tot in het detail uitgeschreven worden, dan moet je toch ook werk kunnen maken van een verregaande professionalisering van het psychologisch inzetten van leraren ten opzichte van leerlingen?”

Erik De Soir, als psychotherapeut een autoriteit op het vlak van trauma’s. Verbonden aan de Koninklijke Militaire School. Begeleidt zowel militairen als burgers die ernstige ervaringen meemaken. Geeft trainingen in crisiscommunicatie en is auteur van Een heel klein beetje oorlog. Gaf de directie van de school van Janssen psychologisch advies en begeleidde de brandweer tijdens de bergingswerken van de gasramp in Luik.

“De kleine momenten tellen”

Hoe en op welk moment praat je met leerlingen over een leraar-moordenaar? “De kleine momenten zijn belangrijker dan het goed voorbereide klasgesprek”, zegt antropoloog Ruth Soenen. “Precies dan bouwen leraren krediet op voor het vertrouwen van hun leerlingen.”

Zeven op de tien Vlamingen vertrouwen het onderwijs. Volgens sociologen zal één leraarmoordenaar dat vertrouwen niet schaden.
Ruth Soenen: “Ga er niet meteen van uit dat individuele gebeurtenissen een globaal vertrouwen niet kunnen aantasten. Je weet niet wat mensen met een gebeurtenis doen, hoe ze die beleven. Mogelijk leggen ze links met andere kleine gebeurtenissen uit hun leven en verliezen ze toch hun globale vertrouwen. Dat kan het globale klimaat alsnog aantasten.”

Wat betekent dat voor de school in Herk-de-Stad?
Ruth Soenen: “De school moet in elk geval op alle niveaus blijven communiceren en de vinger aan de pols houden, vooral bij leerlingen van wie het vertrouwen eerder geschonden is door trauma’s in het gezin of op school. Zeker van die leerlingen kun je moeilijk voorspellen hoe ze met deze schok omgaan. En je moet vooral de roddel vóór zijn.”

In 2006 bracht je enkele weken door op tramlijn 12 in Antwerpen. Je observeerde tal van kleine contacten. In een samenleving waarvan men zegt dat ze apathisch is geworden, blijken ze veel belangrijker dan vroeger.
Ruth Soenen: “Mensen zijn niet apathisch geworden, ze voelen zich echt betrokken bij wat er gebeurt. Maar de manier waarop we met elkaar contact maken en houden, is veranderd. Als er iets ergs gebeurt, vinden we elkaar nog altijd, maar we willen niet meer klem worden gereden in een dorpsbiotoop waarin iedereen elkaar beloert. In het kleine ontmoeten van vandaag vinden mensen het ideale evenwicht tussen anoniem en intiem. Ik heb de sfeer op de tram zien omslaan van grimmig naar joviaal en omgekeerd: twee jongens beginnen te vechten – grimmig. Een oude dame stapt op en begint nietsvermoedend grappige dingen te zeggen, ze vraagt de jongens plaats te maken; andere mensen beginnen ook te babbelen – joviaal. Kijk, dat is het effect van kleine gebeurtenissen. Ook aan de schoolpoort ontstaan tijdelijke en vrijblijvende kleine gemeenschappen.”

Wat besluit je daaruit?
Ruth Soenen: “Dat onze samenleving lang niet zo individualistisch is als men beweert. Je kunt dan ook het best contexten creëren waarin het kleine ontmoeten makkelijk tot stand komt.”

Vertaal dat eens voor de leraar in zijn klas.
Ruth Soenen: “Je kunt goed voorbereide klasgesprekken organiseren om over de zaak Janssen te praten. Die zijn zinvol, maar onvoldoende. Laat die conversaties ook spontaan vanuit de leerlingen tot stand komen. Als een leraar een goede band heeft met zijn leerlingen, dan moet dat op elk moment kunnen. Het zijn de kleine, informele momenten die een vertrouwensband tussen leraar en leerlingen doen groeien. Een informele babbel tijdens de les of tussen de lessen door verloopt spontaner; je kunt beter inspelen op wat er leeft onder de leerlingen en je creëert krediet om het vertrouwen van je klas te winnen. Zo investeer je op lange termijn.”

Ruth Soenen, antropoloog en auteur van Het kleine ontmoeten. In 2006 onderzocht ze de sociale relaties in de stad Antwerpen. Daarvoor toerde ze onder meer negen maanden lang met de tram door de Metropool.

Dit artikel komt uit

Klasse voor Leraren van maart 2010 (nr. 203)

Van pagina 10 tot en met 17