Klasse

“Ik kan niet kiezen”

Te veel brochures, te weinig coaching

  • Driekwart van alle zesdejaars aso, tso en kso bezoekt de studieinformatiedagen (SID-ins)
  • Toch bereidt een op de vier scholen haar leerlingen niet voor op het hoger onderwijs
  • Leerlingen missen vooral zelftests en feedback over hun

“Ik vroeg in een school of ik twee lesuren kreeg om de laatstejaars de basisinformatie over studeren in het hoger onderwijs te geven”, zegt Piet De Koning van het Vrij CLB regio Gent. “Ik kreeg te horen: ‘Je moet die informatie niet te vroeg geven. Anders zijn ze de rest van het jaar alleen daar nog mee bezig en niet meer genteresseerd in onze lessen.'” Al tien jaar zijn de scholen verantwoordelijk voor de onderwijsloopbaanbegeleiding van hun leerlingen. Maar toch zijn er nog altijd die niet weten hoe ze dat moeten aanpakken.

Liefst driekwart van alle zesdejaars aso, tso en kso gaat straks naar de studieinformatiedagen (SID-ins). Op die beurzen geven onderwijsinstellingen van de verschillende netten informatie over hun studieaanbod na het secundair. Ook een op de zeven laatstejaars bso gaat langs op een SID-in. Nog nooit beschikten laatstejaars secundair over zo veel informatie over het hoger onderwijs. Toch behaalt slechts 38 procent van de eerstejaars alle studiepunten in het eerste jaar hoger. Waarom hebben die jongeren het zo moeilijk om de juiste studiekeuze te maken?

“Die overvloed aan informatie komt niet altijd op het juiste moment in het studiekeuzeproces”, zegt Hilde Van Puyenbroeck, diensthoofd studieadvies van de Arteveldehogeschool in Gent. “Studiekeuze is een complex proces. Je moet je ervan bewust worden dat je een studiekeuze moet maken, bepalen wat je talenten zijn, uitzoeken hoe het hoger onderwijs in mekaar zit en opleidingen van naderbij bekijken. Pas dan maak je een keuze waar je kan achterstaan. Als je overstelpt wordt met  folders terwijl je niet eens beseft dat je moet kiezen, dan gaat veel info gewoon verloren.”

Leraren coachen niet Leerlingen doorlopen dat studiekeuzeproces op hun eigen tempo. Ze rijden zich af en toe vast, keren op hun stappen terug. Als leraar of begeleider moet je je leerlingen dus goed individueel opvolgen om te zien waar ze precies in dat proces zitten. Maar net bij dat coachen loopt het fout. Liefst een op de vier leerlingen is niet voorbereid op het bezoek aan de SID-in en dus evenmin op het hoger onderwijs. Waarom doet de school haar werk niet?

“Het zwaartepunt van studiekeuzebegeleiding is sinds 2001 gaan overhellen van de CLBs naar de scholen. Maar veel leraren weten nog steeds niet hoe ze hun leerlingen bij hun studiekeuze moeten coachen”, zegt Van Puyenbroeck. “Vaak spreekt de directeur een vaste leraar aan: die van Nederlands, psychologie, godsdienst of zedenleer. Die is dan verantwoordelijk voor de infoavond voor de ouders en het bezoek aan de SID-in. Daarmee is de kous vaak af. De school is formeel in orde, want voldoet aan de vakoverschrijdende eindtermen. De meeste scholen zijn blij dat ze erin slagen om hun leerlingen een diploma secundair onderwijs te laten behalen, maar ze kijken niet verder naar het hoger. Veel leraren weten niet wat leerlingen moeten kennen en kunnen als ze aan hoger onderwijs beginnen.”

“Soms moet ik bedelen om een uurtje advies”

Mijn vak, schoon vak

“Je hebt scholen waar je moet bedelen om een uurtje studiekeuzebegeleiding te krijgen”, zegt Piet De Koning van het Vrij CLB regio Gent. Met zijn CLB geeft hij leerlingen een algemeen zicht op hoger onderwijs, en gaat hij in op keuzeproblemen. “Je krijgt reacties als ‘We verliezen al zo veel uren voor ons vak’. Leraren staan natuurlijk onder  druk: ze moeten lesgeven, leerlingen begeleiden, problemen van leerlingen in de klas of thuis oplossen, aandacht hebben voor leerlingen met leerstoornissen die specifieke aandacht vragen, en dan komt studiekeuze daar ook nog bij.”

Van Puyenbroeck: “De leraar secundair is zeer gefocust op zijn eigen vak. Logisch, want hij moet de eindtermen halen en hij wordt daar ook sterk in gestuurd door de leerplannen en handboeken. Maar wie is dan verantwoordelijk voor de vakoverschrijdende eindtermen, waar studiekeuze deel van uitmaakt? Als school moet je daar een gentegreerd beleid rond voeren: ruimte voorzien in het curriculum, alle leraren verantwoordelijk maken, en hen ondersteunen om daar vakoverschrijdend werk van te maken. Want nu hangt studiekeuzebegeleiding te vaak af van het persoonlijke initiatief en het enthousiasme van een individuele leraar. Die mist daar echter soms de knowhow voor. Ook jonge leraren brengen die expertise niet binnen, want studiekeuzebegeleiding maakt nog te weinig deel uit van het curriculum van de lerarenopleiding.”

Leraren hebben dus vorming nodig. Kan die van het CLB komen? De Koning: “Jazeker. Er zit nu een hoop ongebruikte expertise bij het CLB. Enerzijds hebben CLBers een brede kijk op het onderwijslandschap. Zij kennen alle studierichtingen. Bovendien hebben CLBers een beter inzicht op welke  fasen leerlingen doormaken bij een keuzeproces. Daarom organiseren we nu in het kader van de SID-ins vormingsdagen voor leraren en ontwikkelen we werkmateriaal om de scholen te ondersteunen. Zo ervaar je als leraar zelf hoe het is om gecoacht te worden, ontdek je je sterke punten en doorloop je keuzetrajecten. Dan kan je veel beter je leerlingen begeleiden bij hun keuzeproces.”

Talent onbekend

Bijna 40 procent van de bezoekers op de SID-ins heeft behoefte aan tests naar zelfkennis. Kennen leerlingen hun eigen talenten dan niet? Van Puyenbroeck: “Nee. Ze weten wel wat ze niet kunnen: Ik ben slecht in wiskunde, Frans is een ramp. Vraag je hun wat ze wel goed kunnen, dan krijg je vage antwoorden als: Ik ben misschien wel sociaal. Ze beheersen niet de taal om over hun talenten te spreken. Daarom zijn tools die zelfinzicht geven, zoals Klaar voor hoger onderwijs (zie kader) zo belangrijk. Zelftests brengen je sterke kanten naar voren, zodat je die onmiddellijk kan inzetten en uitbouwen in het hoger. Maar als je als leraar je leerlingen niet coacht om die tools te gebruiken, schieten die hun doel voorbij.”

Ook voor De Koning spelen leraren een belangrijke rol in talenten ontdekken: “Scholen focussen te sterk op verbaal, wiskundig en ruimtelijk talent. De rest, zoals muzikaal of sociaal talent, zijn randverschijnselen. Het verhaal van meervoudige intelligentie is in het secundair onderwijs nog niet doorgebroken. Terwijl vaardigheden als jezelf kennen, informatie structureren en naar waarde schatten en beslissingen nemen net erg belangrijk zijn om een goeie studiekeuze te maken.”

Geen selectieproef

Kan een oriëntatietest leerlingen duidelijk maken of ze geschikt zijn voor een bepaalde studierichting? Ja, als die niet bindend is en geen toelatings- of selectieproef wordt, zegt Van Puyenbroeck. “Alleen is zo’n oriëntatieproef maar een momentopname. Als je je slecht in je vel voelt op het moment van de test, benvloedt dat het resultaat. En je dreigt mensen af te schrikken van wie talenten zich ontwikkelen in de loop van hun studies. Nee, wil je echt aan onderwijsloopbaanbegeleiding doen, begin dan in het kleuteronderwijs. Leer je kinderen daar al hun talenten kennen. Spreek in het lager in de taal van je leerlingen over beroepen. Confronteer hen met wat ze graag doen, waar ze goed in zijn en zet dat in een leerlijn die je doortrekt in het secundair onderwijs. Zo krijg je in het laatste jaar secundair onderwijs sterke persoonlijkheden die hebben leren reflecteren, weten waar ze staan en waar ze naartoe willen. Dan moet je in de laatste graad niet van nul starten en vermijd je dat de ouders hun kinderen betuttelen en in hun plaats over de studiekeuze beslissen. Nu gebeurt studiekeuzebegeleiding vaak tussen de soep en de patatten, als het al gebeurt.”

Dit artikel komt uit

Klasse voor Leraren van december 2011 (nr. 220)

Van pagina 10 tot en met 14