Kinderen van binnenschippers gaan niet naar huis, ze gaan aan boord. Naar school gaan ze alleen tijdens het laden en lossen. Voor de kleinsten van de schipperskinderen ligt het inderdaad niet zo simpel om naar een kleuterschool te gaan. Maar de Schroef in Antwerpen en de Boei in Gent leggen boeien uit. Deze twee vzw’s zorgen voor ligplaatsklassen aan de kade. De kleuters worden in de haven, dicht bij de ligplaats opgevangen. Leerplichtige kinderen gaan meestal op internaat. Andere kinderen van trekkende bevolkingsgroepen, kermisexploitanten, circusuitbaters, zigeuners en woonwagenbewoners, blijven vaak verstoken van regelmatig onderwijs, ondanks de leerplicht. Vlaanderen telt zowat 2000 trekkende kinderen. Het Departement Onderwijs ondersteunt voor elk van die groepen experimenteerprojecten. Of hoe krijg je een Roma-zigeuner en een Voyageur naar school?De speelkooi aan dek is zelden de geschikte plaats om jonge schipperskinderen de gepaste motoriek aan te leren. Springen, lopen, fietsen is er niet bij. En de havenbuurt is allesbehalve een veilige speelbuurt voor kleuters. Daarom nam de laatste jaren de vraag toe om ook aan die kinderen een vorm van kleuteronderwijs aan te bieden. Maar dat is een hele opdracht als het schip de ene dag in Frankrijk aan de kade ligt en de week daarop in Nederland. In Vlaanderen zorgen momenteel twee vzw’s, de Schroef en de Boei, naar Nederlands model voor een ligplaatsklas. De schippers kunnen er van zodra ze aanmeren hun kleuters naar de klas brengen. Deze initiatieven kaderen in een Europees netwerk voor varende kleuters. Met het Anker in Luik is er al een intense samenwerking. Nederland verrichtte al jaren pionierswerk en heeft zeven ligplaatsklassen. Duitsland en Frankrijk varen stilaan in het kielzog.
In de twaalf bestaande ligplaatsklassen wordt het lesgebeuren op elkaar afgestemd. De leerkrachten organiseren zoveel mogelijk passende activiteiten om de integratie van de kinderen in de gewone maatschappij te vergroten. In elke klas komen dezelfde aspecten aan bod zoals de thema’s uit de Nederlandse Kleuter aan boord-map en de tv-uitzending Koekeloere. De leerkrachten leggen de nadruk op de taalontwikkeling. Telkens gaat het om een afgerond geheel daar ze niet weten of de kleuter de volgende dag aanwezig zal zijn. Dat ligt aan het aanbod op de schippersbeurs.
Chris Wijckmans, De Schroef: «Deze kinderen hebben een eigen woordenschat. Ze gaan niet naar de kelder maar naar het vooronder en ze gaan aan boord i.p.v. naar huis. Door het lawaai op het schip gebruiken ze vaak één-woord-zinnen. Daar er weinig leefruimte is hebben ze weinig bewegingskansen. Broers en zussen hebben minder invloed op het ontwikkelingsproces van de kleuter daar ze op internaat zitten. In ons onderwijs moeten we dus rekening houden met een specifieke beginsituatie.»
Linda Joosen, kleuterleidster van een ligplaatsklas: «Het Dit ben ik-mapje begeleidt de kleuter van de ene school naar de andere. Daarin zitten het internationaal paspoort, coderingskaarten, berichten aan de ouders en de leerkrachten, versjes en liedjes en een activiteitenkalender van de verschillende scholen. Met de coderingskaart weet elke leerkracht op welk niveau de kleuter staat en wat hij aan en nog niet aankan. Dit leerlingvolgsysteem van Nederlandse oorsprong is nog in volle ontwikkeling. Maar toch is er al regelmatig contact tussen de leerkrachten van alle ligplaatsklassen. Dankzij deze initiatieven gaan de kleuters meer naar school, wat meteen tot betere resultaten leidt bij de overgang naar de lagere school en het internaat. De netwerkbegeleidster zorgt voor de coördinatie van de verschillende projecten. Zij is tegelijk een brugfiguur tussen school en gezin. Ze wil de kloof tussen de schipperswereld en de wal verkleinen.»
Kermiskinderen beginnen al zeer vroeg mee te draaien in de kostwinning van hun ouders en verliezen snel hun motivatie om te leren. Vooral vanaf het vierde leerjaar lager onderwijs lijken de aandacht en de discipline in de klas sterk af te zwakken. In het secundair volgen de meesten deeltijds onderwijs, waarbij ze gebruik kunnen maken van een bijzondere regeling voor de trekkende beroepsbevolking. De cursussen worden aangeboden tijdens de winterperiode zodat de kinderen vrij zijn tijdens het kermisseizoen. Ondanks deze regeling is het absenteïsme groot.
Vorig jaar startte een begeleidingsproject voor kermiskleuters. Ze regelmatiger en meer naar het kleuteronderwijs lokken, was de hoofddoelstelling.
Marc Verlot, opdrachthouder Departement Onderwijs: «Het kwam erop neer dat in een aantal gemeenten met een grote kermis, de zogeheten grote tournée, ter plaatse een school werd aangezocht die de kleuters voor de tijd van de kermis zou opnemen. Het project liep een jaar maar het werd stopgezet wegens gebrek aan belangstelling. Meestal werd slechts een derde tot maximaal de helft van de kleuters bereikt. Momenteel wordt in samenspraak met de kermiswereld gezocht naar een meer aangepaste formule die enerzijds tegemoet komt aan de vragen en anderzijds organiseerbaar is.»
Patrick Stubbe, projectbegeleider: «Kermiskleuters vormen evenwel niet per definitie een probleemgroep. Ongeveer 20% volgt regelmatig onderwijs. Sterke punten, zoals een zeer hoge zelfredzaamheid, verliezen echter hun waarde als er een schoolse achterstand ontstaat door het niet genieten van kleuteronderwijs. Bij zeker de helft van deze zeer mobiele gezinnen is er interesse voor kleuteronderwijs, maar aangepast aan hun eigen situatie, zoals bijvoorbeeld via een rijdende kleuterschool.»
Woonwagenbewoners zijn allemaal zigeuners, luidt het in de volksmond. Toch zijn er verschillende groepen en culturen.
Nele Goethals, onderzoekster RU Gent: «Vlaanderen telt twee zigeunergroepen: Roma en Manoesjen. Ze beschouwen zichzelf als verschillende etnische groepen maar zouden verre gemeenschappelijke wortels kunnen hebben in Indië. Tweemaal zo groot in aantal zijn echter de Vlaamse woonwagenbewoners of Voyageurs die een eigen subcultuur hebben ontwikkeld.
Manoesjen verbleven lange tijd in Germaanse landen. De eersten bereikten ons land in het begin van de 15de eeuw. Ze spreken een eigen taal, het Manoesj. Hun tweede taal is Nederlands, wat ze in de omgang met Gadjé of niet-zigeuners spreken.
Na de afschaffing van de slavernij in Roemenië kwam er een grote migratie op gang door heel Europa. Vanaf het eind van de 19de eeuw bereikten de Roma ons land. Hun taal is het Romanes en als omgangstaal met Gadjé gebruiken ze Frans. Nederlands is voor hen dus een derde taal.
Voyageurs hebben in oorsprong niets met de zigeunergroepen gemeen, behalve hun woonvorm. Zij zijn Vlamingen die vanaf de tweede helft van de 19de eeuw om uiteenlopende redenen, zoals armoede, een woonwagen betrokken. Na verloop van tijd ontwikkelden zij een authentieke subcultuur.
Roma en Manoesjen hebben een cultuur van mondelinge overdracht en zijn dus traditioneel analfabeet. Hun manier van denken, hun ethiek en hun opvoedingssysteem verschilt grondig van het onze. Alle waarden en vaardigheden worden het kind via directe participatie doorgegeven. Geleidelijk aan wordt het zo voorbereid op zijn latere beroepsleven. De school, met haar rigide structuren en haar buiten het dagelijkse leven geconstrueerde levensproces, is deze volkeren vanuit cultureel oogpunt dan ook vreemd. Bovendien is ze een instelling van Gadjé, voor wie ze een zo groot mogelijke afstand bewaren. De eeuwenlange vervolging en stigmatisering door de niet-zigeuners speelt daarin zeker een rol. Ook in de subcultuur van de Voyageurs is de communicatie in hoofdzaak mondeling.
Een aantal recente ontwikkelingen in de huidige samenleving doen de vraag naar een utilitaire beheersing van lectuur en schrift bij de woonwagenbewoners echter toenemen. Van deze groepen gaat 70% van de leerplichtige kinderen met een zekere regelmaat naar school, maar 30% gaat minder dan twee dagen of helemaal niet naar school.»
In Mortsel en Holsbeek loopt een experimenteerproject met Rom-kinderen, in As met kinderen van woonwagenbewoners. Naast deze drie scholen heeft de Regenboog in Sint-Jans-Molenbeek (Brussel) een lange traditie van werken met zigeunerkinderen. Ze kan daarbij een beroep doen op de bijkomende middelen uit het onderwijsvoorrangsbeleid.
Hans Keuleers, projectleraar in Mortsel: «De kinderen zijn verdeeld over twee groepen. De jongste kinderen vormen de toeleidingsklas waar de nadruk vooral ligt op het verwerven van voorschoolse vaardigheden. In de leerklas, met de oudste kinderen, worden echte leermomenten voor taal en rekenen ingebouwd. Als een kind een niveau behaalt dat aansluit bij één van de reguliere klassen wordt het in die klas geïntegreerd voor dat bepaald onderdeel. Bijvoorbeeld aanvankelijk lezen in het eerste leerjaar. Naast deze leergerichte integratiemomenten streven we er zoveel mogelijk naar sociale integratiemomenten in te bouwen, zoals gezamenlijke zwemlessen, uitstapjes en speeltijden.»
Patrick Lahousse, projectleraar: «De ouders van de Rom-kinderen zijn bang voor ons onderwijs. Ze vragen zich bijvoorbeeld af wat de gevolgen zijn voor hun machtspositie binnen het gezin, hun rol, hun voorbeeldgedrag. Wij trachten een vertrouwensrelatie met de leerlingen uit te bouwen terwijl we ook open en luisterbereid zijn tegenover de ouders. Maar we ervaren dat er een gebrek is aan een gepaste didactiek, methodische aanpak en ondersteuning. Eén van de Rom-kinderen zegt bijvoorbeeld tijdens een ruzie met een Vlaams kind: ik weet je wonen en ik kom je huis afbranden. Deze situatie vraagt een juiste aanpak en interpretatie door de verschillende leerkrachten en leerlingen.
Angst leidt tot directe conflictsituaties in de school. De Roms plaatsen zich als gesloten groep tegenover de vreemde gewoonten, de vreemde kinderen en de vreemde systemen. Andere omgangsvormen en patronen van niet-zigeuners bemoeilijken persoonlijke contacten en banden. Ze willen stoer overkomen maar in de zwemles blijken ze voor de eerste keer diep water te zien en vluchten ze als bange hazen. Ze hebben behoefte aan een leerkracht waar ze altijd een beroep op kunnen doen. We organiseren ook verschillende vormen van samenzijn. Dat kan een kookbeurt zijn.»
