Sommige grote ASO-scholen demotiveren hun leerlingen met negatieve praat over technisch en beroepsonderwijs. Als technische scholen nu eens het lef zouden hebben om te selecteren wie ze toelaten, zodat ze het signaal geven dat technisch onderwijs zomaar geen onderwijsvorm is voor ‘mislukkelingen’», stelt prof. Jan Van Damme voor. «Is de indeling van het secundair onderwijs in vier onderwijsvormen (ASO-KSO-TSO-BSO) nog wel aangewezen», vraagt onderwijsminister Marleen Vanderpoorten zich hardop af..
We kunnen misschien de indeling in algemeen, kunst-, technisch en beroepsonderwijs beter afschaffen?
Prof. Jan Van Damme (KULeuven): «Zo revolutionair zie ik het niet. Ik heb wel enkele voorstellen die geen grondige aanpassing van de onderwijsstructuur vereisen. Maar eerst zit ik met de vraag wat bij ‘algemeen’ secundair onderwijs thuishoort. Lichamelijke opvoeding en sport. Is dat algemeen of technisch onderwijs? Sportwetenschappen is in het ene net algemeen onderwijs en in een ander technisch. Eigenlijk is ons algemeen secundair onderwijs (ASO) ‘theoretisch’ onderwijs. Als het echt algemeen zou zijn, zou het ook bijvoorbeeld handvaardigheid en kunstzinnige opvoeding moeten aanbieden.»
Veel leerlingen (of hun ouders) mikken zo hoog mogelijk en starten in het algemeen secundair onderwijs.
Prof. Jan Van Damme (KULeuven): «Kan je ze dat kwalijk nemen? Je kan dat niet zonder meer negatief noemen. Het rendeert vaak. De leerlingen profiteren van de sterkere groep medeleerlingen en het betere onder-wijs dat er mee samengaat. En een jaartje zittenblijven is heus geen ramp. Op korte termijn heeft het een positief effect. De leerlingen voelen er zich beter bij omdat ze de kans krijgen hun leerachterstand in te halen.»
«De schotten tussen leerlingen van ASO en TSO of BSO zijn intussen zo groot geworden dat we van ‘pedagogische apartheid’ kunnen gewagen», zegt socioloog Koen Pelleriaux (UAntwerpen).
Prof. Jan Van Damme (KULeuven): «Als die jongeren afstuderen verschillen ze inderdaad van elkaar. BSO-jongeren hebben volgens de studie van Pelleriaux een negatief zelf- en toekomstbeeld. Zij voelen zich achtergesteld, uitgesloten, aan de verliezende kant. Maar of dat allemaal en alleen de schuld van het onderwijs is, wil ik relativeren. Onze samenleving zit vooral met vooroordelen over de technisch georiënteerde onderwijsvormen. Leerlingen worden verplicht te kiezen voor algemeen, en nadien voor iets lager of voor nog iets meer lager. Wie uit belangstelling van ASO naar TSO overstapt is een ‘mislukkeling’. Zelfs tal van leraren in grote ASO-scholen demotiveren leerlingen met negatieve praat over technisch en beroepsonderwijs: ‘Als je het hier niet goed meer doet, vlieg je naar technisch’.»
Hoe die vooroordelen aanpakken?
Prof. Jan Van Damme (KULeuven): «De klasleraren van het tweede leerjaar van de A-stroom moeten de onderwijsvormen, waarmee ze minder vertrouwd zijn, van binnenuit leren kennen. Dat kan met een stageweek. De klasleraren van het tweede leerjaar zijn namelijk cruciale keuze-adviseurs.»
Kunnen alle leerlingen na het tweede leerjaar secundair onderwijs voor een passende onderwijsvorm kiezen?
Prof. Jan Van Damme (KULeuven): «Sommigen zijn na twee jaar zogezegd algemeen onderwijs nog niet in staat een studiekeuze te maken. Voor hen komt dat keuzemoment te vroeg. Klasleraren in het tweede leerjaar kunnen trouwens voor ongeveer een kwart van hun leerlingen de feitelijke onderwijsvorm waarin zij zullen afstuderen niet correct ‘voorspellen’. Maar na vier jaar komt het keuzemoment dan weer te laat. Dit geldt in het bijzonder voor wie de tweede graad ASO gevolgd heeft en een studierichting in de ‘harde’ technologie uit wil, zoals industriële wetenschappen, elektromechanica of sommige KSO-richtingen. Dat lukt niet meer. De huidige onderwijsstructuur is er niet op voorzien om na de tweede graad van onderwijsvorm te veranderen. Dat gebeurt dan ook vooral na een mislukking.»
Tekent u een andere structuur uit?
Prof. Jan Van Damme (KULeuven): «We kunnen het scholenpark ombouwen, zodat studierichtingen uit verschillende onderwijsvormen van de tweede graad samenzitten in dezelfde school. Scholen die dat wensen moeten de kans krijgen om combinaties van verwante studierichtingen uit verschillende onderwijsvormen aan te bieden. Ik denk specifiek aan ASO-TSO en ASO-KSO-combinaties. Bijvoorbeeld ASO-moderne talen-economie samen met TSO-handel en secretariaat-talen. Of TSO-industriële wetenschappen samen met ASO-wiskunde-wetenschappen. Sommige leerlingen van de tweede graad zouden er zich beter bij voelen. Een jongere moet kunnen kiezen voor een studiegebied dat hem ligt, waar hij belangstelling voor heeft. Nu moet hij eerst voor een ‘niveau’ kiezen. Laat secundaire scholen een aanbod maken van studiegebieden die qua belangstelling het best bij elkaar horen. Ze kunnen het niveau of de differentiëring in moeilijkheidsgraad intern organiseren.»
U pleit ervoor om minstens voor de tweede graad de onderwijsvormen op papier af te schaffen.
Prof. Jan Van Damme (KULeuven): «Ook al verwacht ik van die maatregel in de praktijk geen grote effecten op korte termijn, dan vind ik toch het symbolisch karakter ervan groot. Nu is de breuk tussen eerste en tweede graad vrij sterk. Er zijn afzonderlijke middenscholen en een sterk gerichte bovenbouw in de tweede en derde graad. Vroeger waren er twee cycli van drie jaar. De minister denkt aan vier leeftijdsgroepen van leerlingen: 2 tot 4 jaar, 5 tot 9, 10 tot 13 en 14-plus. Ze voegt dus een stukje lager onderwijs toe aan het secundair. Of dat in de praktijk haalbaar is? Misschien moeten we veeleer in het secundair weer naar een cyclus van drie jaar. Twee jaar is te kort voor een autonome middenschool. Kiezen voor een ‘onderwijsvorm’ zou in principe pas na drie jaar kunnen. Dit is alleen een mogelijke aanzet voor discussie. Met het recente karakter van enkele vernieuwingen is het niet aangewezen binnenkort de structuur van het secundair onderwijs grondig te veranderen. Op lange termijn echter moeten we geen schrik hebben om de huidige structuur van het secundair onderwijs in vraag te stellen.»
Waaraan denkt u verder nog als ruwe aanzet voor een alternatieve structuur?
Prof. Jan Van Damme (KULeuven): «De huidige structuur van secundair onderwijs veroorzaakt in elk geval doorstromingsproblemen. Een soepele overgang naar een andere onderwijsvorm moet kunnen, ook op 16 jaar. Onder meer daarom zou een school die alleen een derde graad aanbiedt reglementair mogelijk moeten worden. Scholengroepen en -gemeenschappen zouden in hun schoolstructuur de eerste en tweede graad kunnen samenbrengen. De derde graad zouden ze dan kunnen afzonderen, eventueel afzonderlijk per onderwijsvorm.»
Hét studiekeuzemoment komt dan na vier jaar algemeen secundair onderwijs.
Prof. Jan Van Damme (KULeuven): «Geef TSO-scholen de kans om een aanbod te doen dat begint in het vijfde jaar. Zo kunnen ze openstaan voor leerlingen die na vier jaar algemeen onderwijs willen veranderen. Ze kunnen ze toelaten tot een aangepast programma in de ‘harde’ technologieën. Na twee jaar kunnen die leerlingen het diploma behalen. Zo nodig kan voorzien worden in een zevende jaar voor de praktijk. En laat die scholen voor mijn part selecteren wie ze toelaten. Ze kunnen een signaal geven: ‘Niemand komt hier zo maar binnen op onze technische school’. Het idee dat niet alle ASO-leerlingen het TSO aankunnen, dringt zo door in de publieke opinie. Dit draagt bij tot herwaarderen van het technisch onderwijs en tot gelijkwaardig maken van de onderwijsvormen. Een paar technische scholen zouden het lef moeten hebben om zulke selectie in te bouwen. Ik ben voor een agressieve politiek.»
Eén op zes zonder diploma www.klasse.be/kvl/126/6
Hoe zinnig is een jaartje dubbelen www.klasse.be/kvl/125/10