Goed nieuws: geen enkele Vlaamse school startte dit schooljaar zonder directeur. Maar achter dat goede nieuws schuilt een groot probleem. Volgens cijfers van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming wordt minstens 15 procent van de directeursambten ingenomen door directeurs ad interim. Zij vervangen directeurs die om allerlei redenen uit hun functie zijn gestapt. In sommige regio’s stapte vorig schooljaar bijna de helft van de directeurs op. Wat is er aan de hand? Universitaire onderzoekers van Gent en Brussel gingen na hoe goed en hoe slecht directeurs van het basisonderwijs zich voelen en waarom dat zo is. 46 directeurs en 700 leraren werkten eraan mee. Het onderzoek bevestigt dat directeurs in de basisscholen overbelast zijn en te weinig omkaderd. Toch is de ene directeur compleet burnout, terwijl de andere tevreden is en enthousiast. Wie maakt of kraakt de schooldirecteur?
Zowel vorig als dit schooljaar startte minstens 15 procent van de Vlaamse scholen met een directeur ad interim. Vergeleken met vorig schooljaar liggen de percentages iets lager. In totaal telt Vlaanderen momenteel 2 681 directeurs in het basisonderwijs en 1 057 in het secundair onderwijs.
«Waarom leiden we onze directeurs zo minimaal op en waarom krijgen ze zo weinig ondersteuning?» vragen Geert Devos, Nadine Engels en Antonia Aelterman zich af. In hun onderzoek naar het welbevinden van directeurs basisonderwijs ontdekken zij supermenselijke pedagogen en bijna opgebrande managers. Toch doen ze dezelfde job. De verschillen alleen al vragen om uitleg.
Wat vinden directeurs het belangrijkste om zich goed te voelen in hun job?
Prof. Geert Devos, Universiteit Gent en Vlerick Leuven Gent Management School: «Goed omgaan met leraren, ouders en leerlingen vanuit een goed functionerend team, pedagogische taken kunnen uitvoeren, zelf richting kunnen geven aan het schoolbeleid, en voldoende kennis en vaardigheden kunnen opbouwen in de job. Dat zijn ook vier aspecten waarover directeurs meer vorming verlangen. Want loopt het daar mis, dan dreigt burnout.»
Is er veel burnout onder directeurs in de basisschool? En wie loopt daarvoor de meeste risico’s?
Geert Devos: «We hebben het niet aan àlle Vlaamse directeurs gevraagd en je kan voor burnout ook niet één enkele reden opgeven. Wel voelen directeurs die bijna uitsluitend bezig zijn met de organisatie van hun school, de regels en de wetgeving zich veel minder goed in hun job. Dat zijn de regelgerichte directeurs (8 van de 46 directeurs uit ons onderzoek). Ze willen vooral juridisch en administratief in orde zijn, focussen op planning en vergaderingen, en hebben minder contact met leerlingen en leraren. De tweede groep zijn de leerlinggerichte directeurs (10 van de 46 directeurs). Hun prioriteiten zijn de leerlingen, de leraren, de ouders. Die voelen zich het minst burnout. De derde en grootste groep (28 van de 46 directeurs) hangt een beetje tussen de twee vorige profielen in, maar ook bij hen vind je maar weinig burnout. Omgaan met mensen blijkt bijna altijd voor een beter gevoel te zorgen. Het maakt directeurs tevredener en enthousiaster dan bezig zijn met wetten en papieren.»
Waaraan zie je dat een directeur burnout is?
Geert Devos: «Hij kan emotioneel uitgeput zijn (‘Ik voel mij opgebrand door mijn werk’), cynisch (‘Mijn werk heeft toch geen zin’) of een gebrek aan persoonlijke zelfverwezenlijking hebben (‘Ik slaag er niet in de problemen in mijn werk adequaat op te lossen’). Daartegenover staat wat wij ‘positief welbevinden’ noemen: de directeur is tevreden met de manier waarop hij in zijn job staat, hij gaat erin op en doet zijn werk graag. Wie tevreden en enthousiast is over zijn job, is minder emotioneel uitgeput, minder cynisch en voelt dat hij goede dingen doet op school. Ontevreden en weinig enthousiaste directeurs zullen daarentegen veel meer burnout zijn.»
De directeurs zeggen letterlijk dat ze tegelijk manager, pedagoog, psycholoog, coach, administrator, lesgever, loodgieter en verpleegkundige moeten zijn. Ze klagen dat ze geen tijd hebben voor hun pedagogisch beleid en hun leraren.
Geert Devos: «Ja, maar hier spelen twee nieuwe factoren mee. Directeurs die kunnen terugvallen op een positieve schoolcultuur en op een team van leraren die zich goed voelen, kunnen blijkbaar genoeg tijd vrijmaken voor hun prioritaire taken. Dat zijn ook de directeurs die zich vooral ‘coach’ noemen en die aan vernieuwing werken. Directeurs in scholen met een belabberde schoolcultuur en ontevreden leraren vinden die tijd niet. Sommigen onder hen noemen zich dan ook eerder manager of strateeg. En dat verschil merk je op school.»
Hoe functioneren directeurs in basisscholen met een sterke schoolcultuur en tevreden leraren?
Geert Devos: «Die directeur is vooral een coach, zijn prioritaire taken zijn het pedagogisch beleid en omgaan met de leraren. Zijn tijd gaat naar prioritaire taken, hij is eerder leerlinggericht en weet na zorgvuldige overweging duidelijke beslissingen te nemen. Het zijn directeurs die de lat hoog leggen voor zichzelf, die hun team coachen en kwaliteitsvol werk eisen. Voor directeurs in scholen met een zwakke schoolcultuur en ontevreden leraren mag je al die kenmerken omkeren. Zij zullen zich veel minder goed voelen.»
Maar hoe zit het nu eigenlijk: zorgt de directeur voor een goede schoolcultuur of zorgt de schoolcultuur voor een goede directeur? En wat is een goede schoolcultuur eigenlijk?
Geert Devos: «Schoolcultuur omvat de normen, waarden en overtuigingen die leraren en leerlingen binnen een school doet functioneren: zijn de regels duidelijk? Is er ruimte voor inspraak? Is er een duidelijke visie die iedereen kent? Krijgt vernieuwing een kans…? De directeur kan de schoolcultuur versterken door hierop in te spelen, zijn leraren te stimuleren en te ondersteunen, en door eisen te stellen. Sterke schoolleiders vinden het evenwicht tussen inspraak, openheid en ondersteuning enerzijds en hun eisende rol anderzijds. Daardoor zullen ook hun leraren zich beter voelen. En je kan de cirkel inderdaad rond maken: hoe sterker de schoolcultuur en hoe tevredener de leraren, hoe beter de directeur zich voelt en hoe minder kans hij maakt om op te branden. Regelgerichte directeurs hebben de minste impact op hun schoolcultuur. Zij slagen er niet in om voldoende bezig te zijn met wat daarvoor belangrijk is, namelijk omgaan met mensen. Vroeg of laat merken zij dat ze hun schoolcultuur niet kunnen beïnvloeden. Stilaan gaan ze twijfelen aan hun persoonlijke bekwaamheid en slechter functioneren. En dat eindigt met burnout. Leerlinggerichte directeurs zullen minder gauw in die val trappen.»
Uit het onderzoek blijkt dat sommige directeurs uit het basisonderwijs ondanks al hun goede eigenschappen toch nog opbranden. Waaraan ligt dat?
Geert Devos: «Sommige directeurs ervaren heel weinig steun van hun omgeving: het klikt niet binnen de scholengemeenschap of het schoolbestuur laat ze in de steek. Een scholengemeenschap betekent voor directeurs een meerwaarde en een steun als ze daarbinnen collegialiteit vinden, mogelijkheden zien om efficiënter te werken en zich bevestigd weten in hun onafhankelijkheid. Sommige directeurs uit het onderzoek ervaren dat helemaal niet en overwegen zelfs uit de scholengemeenschap te stappen. Schoolbesturen kunnen op hun beurt de directeur bijstaan: als zinvol klankbord om problemen en zorgen te delen en door ze materieel of administratief te helpen. Maar als dat bestuur een moeial wordt die op alles gaat vitten of integendeel elke verantwoordelijkheid op de directeur afschuift, staat de deur naar burnout open. Een professioneel schoolbestuur, dat hebben directeurs nodig. Naar mijn aanvoelen vind je dat meer onder de grotere besturen.»
Elke onderwijsminister belooft minder papierwerk. De werkstations zorgden al voor een veel professionelere ondersteuning, Edulex en Schooldirect maken de directeurs beter dan vroeger wegwijs in de regelgeving. Toch blijkt ook de overheid een boosdoener…
Geert Devos: «De overheid heeft inderdaad belangrijke, positieve initiatieven genomen, maar de wetten en regels blijven voor veel directeurs een probleem: te veel, te snel, te ingewikkeld. De directeurs trekken de meerwaarde en de inhoud van sommige wetten ernstig in vraag. Het participatiedecreet bijvoorbeeld: waarom een schoolraad? Waarom soms met dezelfde mensen over steeds hetzelfde moeten vergaderen? Veel directeurs voelen zich bovendien nog altijd overspoeld door te veel wetgeving of struikelen over het ontoegankelijke jargon. Nu moet ik wel zeggen dat de regelgerichte directeurs het meest klagen. Sommigen vinden zelfs dat er een nascholing moet komen om het formulier ‘BAO-Jaarlijkse inlichtingen’ te leren invullen. Leerlinggerichte directeurs vragen niet naar nascholing rond administratie en wetgeving, dat is hun prioriteit niet.»
Klagen de schooldirecteurs ook over de inspectie?
Geert Devos: «Over het nut van de onderwijsinspectie zijn de directeurs het wel eens, maar het vele papierwerk vooraf valt bij sommigen tegen. Ze hebben ook problemen met de bevoogdende manier waarop verschillende soorten inspecties hen behandelen. De meeste klachten gaan over de arbeids-, veiligheids- en hygiëne-inspectie: veel eisen, soms echt pietluttige opmerkingen, maar geen rekening houden met het gebrek aan tijd en mankracht op school. Een hygiëne-inspecteur presteerde het om een van de schooldirecteurs terecht te wijzen omdat het warm water een graad te warm was. Tja, wat zeg je daarop? We stellen wel vast dat sommige directeurs de inspectie als paraplu gebruiken om van leraren meer administratie te eisen dan nodig is, bv. nieuwe leraren die extra uitgebreide lesvoorbereidingen moeten maken.»
Is een man een betere directeur dan een vrouw? Bepaalt het aantal vestigingsplaatsen hoe goed een directeur zich voelt? Spelen zjjn leeftijd of gezinsleven een rol?
Geert Devos: «Volgens ons onderzoek doet dat er allemaal niet toe. Idem voor beroepservaring, al of niet een kernteam hebben, veel oude of jonge leraren, het soort leerlingen op school… Directeurs voelen zich hier niet per definitie beter of slechter door. Dat geldt ook voor de invloed van de pedagogische begeleiding, de koepels, de steun binnen zijn gezin, het professionaliseringaanbod. Wij hebben hier geen algemene, duidelijke verbanden kunnen vaststellen. Allicht geeft de leiderschapsstijl van de directeur meer de doorslag.»
Je lijkt niet mals voor de manier waarop Vlaamse schooldirecteurs vandaag worden opgeleid: te kort, te weinig, te oppervlakkig. Wat stel je voor?
Geert Devos: In de lerarenopleiding word je niet voorbereid om directeur te worden. Dat hoeft ook niet, maar als je weet hoeveel impact de directeur op zijn school heeft, dan moéten we hem grondig en professioneel opleiden. In het Gemeenschapsonderwijs is die opleiding nog vrij grondig, maar elders is dat minder. Wij pleiten voor een opleiding vooraf, vergelijkbaar met een masteropleiding, die kandidaten ten eerste duidelijk maakt wat het betekent om directeur te zijn, want velen knappen gefrustreerd af omdat ze niet wisten wat hen te wachten stond. Ten tweede moeten zij de vereiste competenties verwerven via een langlopend traject eventueel in afstands- of avondonderwijs, met een sterk praktijkluik. In Nederland bijvoorbeeld lopen directeurs-in-opleiding soms als stagiair mee met ervaren directeurs. En directeurs die een tijd in dienst zijn, moeten in-service training krijgen. Onderzoek bewijst dat dit het meest rendeert. De opleiding zou bovendien moeten selecteren: niet elke leraar wordt automatisch een goed directeur. Wij pleiten er ook voor dat leraren naar een directeurschap toegroeien. Niet ineens alle verantwoordelijkheden krijgen, maar beginnen met een kleinere leidinggevende functie. Die moet wel aansluiten bij de behoeften en structuur van de school, want voor je het weet, creëer je in een kleine school een gigantisch waterhoofd van drie of vier directeurs en dat is ook weer niet de bedoeling.»
De lage verloning van schooldirecteurs was altijd al een pijnpunt. Intussen heeft de onderwijsminister dat loon opgetrokken. Is het probleem daarmee van de baan?
Geert Devos: «Het is een goede maatregel, maar ik denk dat hij nog niet ver genoeg gaat. Als directeurs vooraf een intensieve opleiding moeten volgen ˆ waar ik echt voor pleit ˆ zal dat loon nog veel hoger moeten liggen. De budgettaire gevolgen zullen niet min zijn. Maar dat is een keuze die een onderwijsminister maakt of niet maakt.»