“Wie weet hoe we een hoge kop of mok ook nog noemen?” wil ik tijdens de les spelling weten. “Dat zijn zjatten!” roept Kenneth wild enthousiast uit. In ons dialect inderdaad een krachtig en volwaardig synoniem, maar niet direct het woord dat we vandaag correct zouden leren schrijven. “Dat rijmt op sjatten”, weet Sam. “Sjatten op de computer”, voegt hij er nog overtuigender aan toe.
En zo verandert mijn les spelling ineens in een les woordenschat over de computer. Heel wat kinderen uit mijn klas hebben niet de minste moeite met Engelse terminologie. Het gesprek rond computeren blijkt algauw een veel leuker onderwerp dan gepland! Stukken cooler dan die woorden tot vervelens toe als dictee inoefenen. De sprong van sjatten naar Daan-loden gaat al even spontaan. De leesmethode van het eerste leerjaar start met enkele basiswoorden, waaronder de namen ‘Riet’ en ‘Daan’. De link met Daan-loden is dan ook logisch maar bovenal origineel en spitsvondig.
Dan wordt onze woordenvloed nogal bruusk onderbroken door de bel. Lessenaars leeg, flink achter de banken staan, papiertjes oprapen. Ik neem nog even de tijd om te bekomen van alle indrukken en rijd dan met de fiets naar huis. Ik waai lekker uit en kom met een bijna leeg hoofd thuis.
En als vrijwel iedereen bij het dictee de volgende ochtend ‘bekers’ foutloos schrijft, bedenk ik dat je saaie lessen gelukkig nog altijd zelf in de hand hebt.
Anne De CubberÂ