advertentie

Je vermoedt mishandeling. En nu?

1 reactie

De media staan vol van het seksueel misbruik in de kerk. Gruwelijke verhalen. De realiteit is even triest: naar schatting een kind op de tien is het slachtoffer van een of andere vorm van mishandeling: lichamelijke mishandeling, psychische verwaarlozing, structureel geweld. Zijn scholen daar alert voor?

 

Een school met een beleidsplan voor kindermishandeling kan vlugger reageren in elke crisissituatie. Ze heeft een lijst van de juiste adressen en contactpersonen voor hulpverlening in de eigen omgeving. Er zijn duidelijke afspraken over wie melding doet, hoe leraren met een mishandeld kind omgaan en hoe het overleg met de ouders verloopt. Iedereen is op de hoogte van het stappenplan.

 

Wat doe je op schoolniveau?

 

1. Je vermoedt dat een kind mishandeld wordt? Het is niet omdat je misbruik vermoedt, dat het er ook is. Maar je bent bezorgd en dat is voldoende om actie te ondernemen. Probeer je vermoeden concreet te maken. Let extra op de leerling, omschrijf het gedrag dat je opvalt of verontrust.

2. Leg wat je hoort, ziet en vermoedt voor aan de directie, de interne leerlingengeleider, zorgcoördinator. Houd rekening met de privacy van de leerling en zijn gezin.

3. Leg je vermoeden voor aan de CLB-adviseur. Die overlegt met externe instanties voor mogelijke hulp. Informeer geregeld naar de stand van zaken.

4. In geval van seksueel misbruik werkt de school het best met een beperkt team: de directeur, de CLB-medewerker, de leerlingenbegeleider in samenspraak met het vertrouwenscentrum kindermishandeling. Dat team beslist wanneer het naar het gezin van de leerling stapt, met welke deskundige de leerling praat, waar, tijdens welke lessen en hoe je zijn afwezigheid uitlegt aan de klasgenoten, de andere leraren, haar ouders.

Hoe reageer je naar het slachtoffer?

1. Toon je eigen ongerustheid: “Ik denk dat er wat fout loopt met je”. Zo krijgt hij een signaal: iemand heeft iets opgemerkt en ik kan er terecht. Let op extra signalen, vraag aan collega’s of hun iets opvalt.

2. Luister naar het slachtoffer op een rustige plaats. Maak duidelijk dat hij je kan vertrouwen en dat je open staat voor een gesprek. Vraag hem niet uit, maar laat het hem in zijn eigen woorden en in zijn tempo vertellen. Neem je tijd.

3. Aanvaard het verhaal van het slachtoffer. Verzeker hem dat je het gelooft, dat het niet zijn schuld is. Maak duidelijk dat je waardeert dat hij je in vertrouwen neemt en dat je dat moedig vindt.

4. Bevestig het slachtoffer. Vertel de leerling dat wat is gebeurd niet zijn schuld is. Ga niet in op de oorzaak of wie de dader is. Uit ook geen beschuldigingen aan het adres van mogelijke daders. Houd je gevoelens onder controle. Het verhaal van de leerling kan grote emoties, afkeer, walging of woede bij je teweegbrengen. Een neutrale houding versterkt het vertrouwen.

5. Doe geen beloftes.Neemt de leerling je in vertrouwen? Beloof dan geen geheimhouding, wel dat je geen stappen zult zetten zonder hem erbij te betrekken. Respecteer zijn tempo. Beloof niet dat jij er zal voor zorgen dat het misbruik stopt.

6. Zet verdere stappen: overleg met de leerling wat de volgende stappen zijn. Verzeker dat je die altijd in overleg met hem zal nemen en dat je hem zal blijven steunen. Beloof geen geheimhouding. Anders isoleer je jezelf.

7. Blijf steunen: maak duidelijk dat hij niet de enige is wie zoiets overkomt en dat er hulp mogelijk is. De leerling heeft zijn verhaal aan jou gedaan. Jij bent de vertrouwensleraar. Laat niet plotseling de directeur uit een soort van begrijpelijke verantwoordelijkheidszin jouw taak overnemen.

 

Hoe reageer je naar de ouders?

Hoe minder contact ouders zelf zoeken, hoe belangrijker het contact. De behoefte aan een rustig gesprek kan groot zijn.

1. Bespreek op voorhand met het CLB, collega’s, directie of vertrouwenscentrum hoe dat gesprek moet verlopen en wie dat gesprek zal voeren. Houd het gesprek samen met een tweede persoon. Bereid de structuur van het gesprek goed voor.

2. Als het over zware gesprekken gaat, is het best dat de directeur ze voert. Neem zelf het initiatief in het gesprek («Wij maken ons ongerust»). Aanleiding tot het gesprek is de zorg voor het kind. Neem zijn gedrag als uitgangspunt (“Hij heeft het moeilijk, zit zo stil”). Zoek daarna aansluiting bij de situatie van de ouder (“Zijn er problemen?” “U heeft het niet gemakkelijk”).

3. Zorg dat je goed op de hoogte bent van de mogelijke hulpverlening in de omgeving. Help hen om contact te leggen.

4. Laat hulpverlening over aan bevoegde instanties.

 

Alle info over kindermishandeling
Een stappenplan en signalenlijst voor kindermishandeling
“Mijn vader valt mij lastig”, vertelt een leerling. Wat nu?
Omgaan met verdriet en angst bij kinderen

Schrijf een reactie op dit artikel