Aanval op de uitval

schrijf een reactie

Meer dan een op de zeven Vlaamse jongeren verlaat het secundair onderwijs zonder diploma. Bij de jongens gaat het zelfs om bijna een op de vijf. En hun aantal neemt toe: in 1999 ging het nog maar om een op de acht leerlingen. Nochtans nam de Vlaamse regering zich in 2002 voor om tegen 2010 het aantal ongekwalificeerde schoolverlaters met de helft te verminderen. Nederland slaagt er wel in om meer jongeren op de schoolbanken te houden. Dankzij een grootschalig project daalde na acht jaar werking het aantal jongeren dat het voortgezet onderwijs zonder diploma verlaat van 70.000 naar 42.000. Waarom kan in Nederland wél wat in Vlaanderen níet kan?

In acht jaar tijd is het aantal schoolverlaters zonder diploma in Nederland gedaald van 70.000 in 2002 tot 42.000 in 2010. Dankzij het project ‘Aanval op de uitval’. Fred Voncken is directeur Projectdirectie Voortijdig Schoolverlaten van het Nederlandse ministerie van Onderwijs. Hij licht de succesfactoren toe.

Succesfactor 1

De jongere staat centraal

Fred Voncken: “Tien jaar terug hadden we veel structuren en procedures om schooluitval tegen te gaan, maar alle goede bedoelingen ten spijt, bleef het aantal voortijdige schoolverlaters toenemen. Daaruit trokken we lessen: praat niet alleen óver de jongere, maar vooral mét de jongere. Dring bureaucratie zo veel mogelijk terug. Zet de jongere centraal en geef specifieke zorg op maat waar nodig. Nu krijgen jongeren een individuele coach. Dat is arbeidsintensief, maar uiteindelijk rendeert dat veel meer. We hebben een kosten-batenanalyse gedaan. Als je 650 miljoen euro investeert in goed onderwijs, krijg je 800 miljoen euro terug. Want als we inzetten op opleiding, dan gaan jongeren participeren aan de arbeidsmarkt, betalen ze belastingen, doen ze minder een beroep op uitkeringen en is er vijf keer minder risico dat ze in de criminaliteit belanden. Bovendien loopt de jongere 100.000 euro mis als hij geen goede opleiding en dus later geen goede baan krijgt.”

Succesfactor 2

Elke jongere heeft een onderwijsnummer

Fred Voncken: “Als je geboren wordt in Nederland, krijg je een Burger Service Nummer (BSN). Dat dient ook als onderwijsnummer voor elke jongere. Het is de basis van ons leerlingvolgsysteem. Als leerlingen spijbelen, wordt dat via dat nummer onmiddellijk doorgespeeld aan het digitale spijbelloket. We weten meteen waar potentiële schooluitvallers zitten, de spijbelambtenaar treedt op en we sturen onmiddellijk bij.”

Succesfactor 3

Elke school heeft een zorg- en adviesteam

Fred Voncken: “Als je bij jongeren ontdekt dat er iets aan de hand is, hoef je ze niet onmiddellijk naar een sociaal of psychologisch centrum te sturen. We hebben nu zorg- en adviesteams op school die werken onder het motto: vindplaats is werkplaats. Professionals uit de zorgsector (jeugdzorg, maatschappelijk werk, gezondheidszorg) begeleiden jongeren individueel ín de school. Hulpverleners krijgen aparte lokalen op school. Daar bieden ze psychische zorg of maatschappelijke bijstand, zoals jongeren in de problemen vergezellen naar de rechtbank. Dat werkt. Jongeren die vroeger in de criminaliteit belandden, vangen we nu op school op.”

Succesfactor 4

Elke school krijgt 2500 euro voor elke schooluitvaller minder

Fred Voncken: “Nederland is opgedeeld in 39 regio’s. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft in elke regio convenanten afgesloten met de contactgemeentes en de onderwijsinstellingen. Doel: het aantal nieuwe voortijdige schoolverlaters met 40 procent terugdringen op het einde van dit schooljaar ten opzichte van vijf jaar geleden. Voor elke voortijdige schoolverlater minder krijgen de onderwijsinstellingen 2500 euro. En die stimulus helpt.”

Succesfactor 5

De resultaten staan op een website

Fred Voncken: “De resultaten van de acties tegen schooluitval staan op www.aanvalopschooluitval.nl. Dat is zeer confronterend. Per regio kun je daar opzoeken of scholen hun aantal vroege schoolverlaters kunnen verminderen. Drie, vier jaar terug was daar grote weerstand tegen. Maar nu gaan scholen bij elkaar op bezoek. Ze bekijken elkaars registratiesysteem, loopbaan- en oriëntatiebegeleiding en de organisatie van de school. Alle betrokken partijen werken samen: scholen, gemeentes, jeugdzorg, bedrijfsleven, ouders, maatschappelijk werk, politie en justitie. Want je kunt pas vechten tegen schooluitval door een geïntegreerde aanpak. Probleem: scholen zijn vaak weinig creatief en staan niet open voor veranderingen. Maar alleen door vastgeroeste structuren aan te pakken, kun je innoveren in onderwijs.”

Succesfactor 6

Goedepraktijkvoorbeelden werken inspirerend

Fred Voncken: “Scholen gebruiken de good practices op www.aanvalopschooluitval.nl intensief. Zo zien ze hoe collega’s in vergelijkbare schoolcontexten wél resultaten behalen. Een mooi voorbeeld is Henk Krauwel in Amsterdam. Die rijdt met een bus rond, waarop staat: ‘Back to school’. Zo gaat hij bij frequente spijbelaars op huisbezoek, en neemt ze weer mee naar school. De kracht van dat project is dat je letterlijk achter de voordeur gaat kijken. Een scholier spijbelt immers niet zomaar. De bus maakt problemen bespreekbaar en is een vorm van sociale controle. Spijbelaars zijn beschaamd dat je aanbelt, maar tegelijkertijd blij dat je aandacht voor hen hebt.”

Succesfactor 7

Plusvoorzieningen voor jongeren met ernstige problemen

Fred Voncken: “Er zijn plusvoorzieningen voor jongeren tussen 12 en 23 jaar die ernstige problemen hebben op vlak van financiën, gezondheid, huisvesting, sociale omgeving of maatschappelijk functioneren. Studeren is immers een stuk makkelijker als je een dak boven je hoofd hebt. De invulling van het programma is toegespitst op het individu, met als doel dat de jongere zijn leven weer op de sporen krijgt, zich weer kan focussen op de school en een diploma haalt. Goed voorbeeld is de Amsterdamse School. Daar zorgen ze in een apart gebouw voor leerlingen die ontsporen en de hele klas dreigen mee te sleuren. In een huiskamerachtige setting krijgt iedere jongere onderwijs op maat. Telkens gaan de begeleiders uit van drie vragen. Wie ben je? Wat wil je? Wat kun je? Resultaat: 80 procent van de leerlingen haalt binnen afzienbare tijd zijn diploma.”

 

Weg met de zorgverbreding?

“Leerlingen moeten fier zijn dat ze naar hun school mógen gaan”, zegt Luc Lamote, directeur van Het Keerpunt, een centrum voor deeltijds onderwijs in Borgerhout. Hij slaagt erin om leerlingen die dreigen uit te vallen een diploma te laten halen waarmee ze onmiddellijk op de arbeidsmarkt terechtkunnen. Onbewust zet hij de Nederlandse principes om in de praktijk. Zonder extra zorg. En zonder extra centen.

Luc Lamote: “Onze school is een eliteschool. Ons standpunt is: wij zijn sterker dan de anderen. Jongeren zijn fier dat ze naar deze school komen. Om hier binnen te mogen, moet je elders buitengevlogen zijn. Onze leerlingen hebben een laag zelfbeeld, een beperkte basiskennis en moeite met abstract denken. We zorgen ervoor dat onze opleidingen voor hen haalbaar worden, in individuele trajecten. En zo leiden wij topmensen op. Zoals topafwassers, die makkelijk werk vinden. Ons onderwijs is zeer ervaringsgericht, met kwaliteitsvolle opleidingen die aansluiten bij de arbeidsmarkt. Leren en werken zijn geen doel op zich, maar wel een middel om op eigen benen te kunnen staan.”

Laat leerlingen succes ervaren. Dat heb je nodig om bij te leren, en te blíjven leren. Veel kinderen en jongeren komen na de kleuterklas nooit meer met een tof verhaal thuis. Bij ons maken de leerlingen binnen de eerste veertien dagen van het schooljaar een ‘werkstuk’ waar ze trots op zijn: een laswerk, een zelfgebakken taart, een handgenaaid kussen. Elke leerling met succes is immers een probleem minder voor de samenleving.”

Geef jongeren ook een stevige structuur mee. Het pedagogische project in Vlaamse scholen is gebaseerd op een onderhandelingshuishouding. Wij onderhandelen ons te pletter met onze kinderen over de kleinste futiliteiten. Maar in allochtone of socio-economisch zwakke gezinnen is er een sterke hiërarchische cultuur en regeert de bevelshuishouding. Daarom hebben ze een school nodig die eisen stelt en grenzen doet respecteren. Wij volgen spijbelaars enorm strikt op. Geen excuses voor laatkomers. En ze moeten zwijgen in de klas. Omdat de directeur dat vraagt. Dat beantwoordt aan hun culturele denken: ik heb respect voor mijn vader, dus ook voor de leraar en de directeur.”

“Ik ben ook een hevig tegenstander van zorgverbreding. Probleem is het uitgangspunt: de middenklasse is de norm, we moeten meer mensen daaraan laten voldoen. Maar dat werkt niet. De gelijke onderwijskansen (GOK) zijn gestart in 1992. Tien jaar later telde het buitengewoon onderwijs liefst 30 procent meer leerlingen. Zorgverbreding sluit dus nog méér jongeren uit. Maar leerlingen zijn geen verzorgingsobjecten. Kijk naar het exploderende aantal ADHD-diagnoses. In plaats van een pedagogische oplossing te zoeken, geven we ze een pil.”

 

Meer masters in de lagere school

“De overheid in Nederland staat al veel langer los van en boven de netten dan in Vlaanderen. Daarom wordt van de overheid ook veel meer aanvaard dat ze initiatieven neemt”, zegt Jan Van Damme van de K.U.Leuven. Hij voerde mee het onderzoek naar de evolutie van schoolverlaters zonder diploma in Vlaanderen.

Jan Van Damme: “De twee netten in Nederland zijn al gelijk gefinancierd sinds 1924. Op dat vlak lopen wij tachtig jaar achter. Nu, ook bij ons is er beterschap. De overheid bouwt een scholendatabank uit zodat de school zelf goed kan volgen wat goed en fout loopt. Want kort op de bal spelen is heel belangrijk, zoals het Nederlandse voorbeeld aantoont.”

Wat is volgens jou de grootste oorzaak van schooluitval?
Jan Van Damme: “Als leerlingen ouder zijn dan hun klasgenoten, haken ze vlugger af. En het begint vroeg: het aantal kinderen dat de derde kleuterklas opnieuw doet, neemt al jarenlang toe. Die leerlingen zijn vooral allochtonen. Het is levensbelangrijk dat leerlingen hun taal goed beheersen als ze tien jaar zijn. Tot die leeftijd leer je lezen. Daarna lees je om te leren. Als je dus niet goed genoeg kunt lezen, leg je een zware hypotheek op je toekomst. Maar het is geen goed idee om leerlingen daar járen over te laten doen. Daarom moet je als school prioriteiten stellen. Een aantal vakken is belangrijker dan andere. Besteed meer tijd aan leren lezen in plaats van leerlingen te laten overzitten. Zolang leerlingen niet behoorlijk kunnen lezen, boeken ze in veel vakken toch niet veel vooruitgang.”

De oplossing voor schooluitval in het secundair ligt dus in het lager onderwijs?
Jan Van Damme: “We moeten meer tijd steken in taalonderwijs in de aanvangsjaren. Taalachterstand vermindert als je er voldoende aandacht aan besteedt. Daarvoor moet je deskundige en capabele leraren lager onderwijs hebben. Ook masters die goed voorbereid zijn op de taak van onderwijzer moeten kunnen binnenstromen in de lagere school. Vroeger behoorde de onderwijzer tot de intellectuele elite. Een student van de normaalschool stond op hetzelfde niveau als een student uit de derde kandidatuur geneeskunde. Een onderwijzer is een professional zoals een dokter. Hij moet diagnoses stellen en therapieën toepassen, en meten of dat effect heeft of niet. In zekere zin is dat zelfs moeilijker dan een pil voorschrijven, omdat het gaat over de ontwikkeling van onze kinderen.”

Scholen maken toch al gebruik van leerlingvolgsystemen?
Jan Van Damme
: “Ze gebruiken die voor individuele leerlingen. Een goede analyse op schoolniveau gebeurt nog niet. Daarom zullen we de scholen helpen. We gaan immers een schoolfeedbacksysteem lanceren. Tien jaar lang hebben we 6000 kinderen gevolgd, van twaalf tot tweeëntwintig jaar. We hebben bestudeerd of schooluitval uit de lucht valt, dan wel of die zich veeleer ontwikkelt. Zo proberen we de evolutie bij jongeren die later schoolverlaters worden te verklaren en te voorspellen. Nu volgen we kinderen van de kleuterschool tot in het secundair. Al de toetsen die we daarvoor hebben gebruikt, zullen ter beschikking van de scholen staan. Binnen de week krijgen ze feedback van ons: over wiskundeprestaties, begrijpend lezen, technisch lezen en spelling. Zo ziet de school of het beter is dan het jaar voordien. We willen ook begeleiders van de verschillende netten opleiden om scholen te helpen om met die toetsen te gaan werken.”

Jan Van Damme, onderzoeker Onderwijs- en Opleidingskunde K.U.Leuven

G. Van Landeghem, M. Goos en J. Van Damme, Vroege schoolverlaters in Vlaanderen. Evolutie van de ongekwalificeerde uitstroom tot 2007 Lees meer op www.klasse.be/leraren/ga/schoolverlaters.

Schrijf een reactie op dit artikel