Hoe goed leerlingen zich voelen op school? Dat wordt in sterke mate beïnvloed door de manier waarop hun leraren met hen omgaan. Tot deze conclusie komt Karen Van Petegem (Universiteit Gent) in haar doctoraatsonderzoek.
Zij peilde naar het welbevinden van 1 700 leerlingen uit het technisch en beroepsonderwijs, en sprak met hun leraren praktijk, wiskunde en Nederlands. Met gemiddeld 29,6 op een schaal van 9 tot 45 is dat welbevinden op school goed noch slecht. Het is bovendien sedert enkele jaren een aandachtspunt voor de inspectie. Welbevinden blijkt niet alleen een momentopname te zijn. De onderzoekers kwamen immers het jaar nadien terug en stellen dit vast: het welbevinden van leerlingen en de onderwijsstijl dansen een onverbrekelijke tango. Welke leraar zet de beste danspassen op de onderwijsvloer?
Ik zie het meteen aan mijn leerlingen: een goede toets en ze lachen, een slechte en ze kijken somber. Blijkbaar is er niet veel nodig om het welbevinden van leerlingen te beïnvloeden?
Karen Van Petegem: “Aanvankelijk dachten we inderdaad dat welbevinden een toestand is en dus makkelijk te beïnvloeden. Maar onze studie toont aan dat welbevinden niet enkel een toestand is, maar ook een persoonlijkheidskenmerk dat leerlingen met de jaren opbouwen. Tot die conclusie kwamen we door hun welbevinden op twee verschillende tijdstippen te meten: de eerste keer in het begin van het derde jaar, de tweede keer aan het eind van het vierde jaar. De invloed van één prestatie is dus niet zo ingrijpend. Door één goede toets te maken zullen leerlingen zich niet meteen fundamenteel beter voelen op school. Omgekeerd haalt één slechte toets leerlingen evenmin onderuit. In het lange proces van welbevinden staat de voorgeschiedenis van leerlingen centraal. Als leraar mag je dan ook niet verbaasd zijn dat je een gedemotiveerde leerling niet binnen de twee weken weer op de rails krijgt.”
Hoe zit het met het welbevinden van de Vlaamse leerlingen? Ze halen uitstekende schoolresultaten als je vergelijkt met andere landen, maar ze behoren wel tot de meest gedemotiveerde.
Karen Van Petegem: “We kunnen geen uitspraken doen over afzonderlijke scholen, maar met gemiddeld 29,6 op een schaal van 9 tot 45 voelen de Vlaamse leerlingen zich in het algemeen goed noch slecht. Maar motivatie is inderdaad een groot probleem, vooral bij leerlingen tso/bso. Het concept van welbevinden is dan ook met de jaren belangrijker geworden in de onderwijskunde. De inspectie kijkt ernaar als ze scholen doorlicht. De hamvraag is wel hoe je daar eindtermen of leerplannen op richt. De vakoverschrijdende eindtermen, sociale vaardigheden bijvoorbeeld, sluiten er alvast bij aan. Maar hoe je welbevinden meet, is een ander paar mouwen. Cognitieve prestaties kan je veel gemakkelijker meten.”
Waarom heb je je onderzoek toegespitst op tsoen bso-leerlingen van de tweede graad?
Karen Van Petegem: “Omdat het welbevinden van die leerlingen het laagst is. Lager dan in aso en kso, en lager dan bij jongere of oudere leerlingen.”
Voelen meisjes zich beter op school dan jongens? En hoe zit dat met allochtone en autochtone leerlingen?
Karen Van Petegem: “Verscheidene studies noteren meer welbevinden bij meisjes, maar wij hebben dat niet vastgesteld in ons onderzoek. Ook tussen allochtone en autochtone leerlingen zien we geen verschil.”
Uit je onderzoek blijkt dat de leraar het meest bepaalt hoe goed leerlingen zich voelen op school. Welke leraren slagen daar het best in?
Karen Van Petegem: “Leraren die duidelijk leiding en structuur geven en tegelijk bereid zijn hun leerlingen te helpen, die zich begrijpend opstellen en vriendelijk overkomen in de klas. In de relatie tussen leraar en leerling zit bij hen weinig afstand. In onderzoeksjargon uitgedrukt zijn dat de ‘coöperatieve’ leraren.”
En zijn de meeste leraren dat?
Karen Van Petegem: “Er bestaat een soort aksenroos voor leraren, een model dat weergeeft hoe leraren zich tegenover leerlingen opstellen. Op basis van eerder onderzoek kunnen we vier types leraren onderscheiden: de tolerant/authoritatieve leraar, de tolerant/onzekere leraar, de onzeker/ontevreden leraar en de autoritaire leraar. De tolerant/authoritatieve leraar is het meest coöperatief en bij die leraar voelen leerlingen zich dus het best. Nu stellen we vast dat veel meer leraren zéggen dat ze coöperatief zijn dan hun leerlingen werkelijk erváren. Die vaststelling is cruciaal, want de manier waarop leerlingen hun leraar percipiëren, bepaalt hun welbevinden in sterke mate.”
Eigenlijk stel je vast dat veel leraren zichzelf niet goed kennen. Ze denken dat ze coöperatief zijn maar ze komen zo niet over. Wat doe je daaraan?
Karen Van Petegem: “Aspirant-leraren moeten zich van bij de start de vraag leren stellen: ‘Hoe zie ik mezelf en hoe zien mijn leerlingen mij?’ Zulke constante reflectie is niet evident. Daarom moeten leraren al tijdens hun opleiding bewust worden gemaakt van het belang van reflectie en zelfkritiek. Eenmaal ze voor de klas staan, vervullen ook de directie en de collega’s daarbij een rol.”
Merk je een verschil tussen leraren theorie en leraren praktijk?
Karen Van Petegem: “Ja. In de theorievakken merken we dat als leerlingen zich goed voelen, de leraren zich niét noodzakelijk goed voelen. De theorieleraren met wie we spraken, zegden ons dat ze veel energie moeten stoppen in hun klas, in dat goed gevoel en daardoor meer stress en werkdruk ervaren. Coöperatief zijn eist duidelijk behoorlijk wat inspanning. Praktijkleraren slagen daar blijkbaar veel makkelijker in.”
Geven leraren hun leerlingen al geen beter gevoel door bijvoorbeeld werkvormen te variëren, multimedia te gebruiken en ervoor te zorgen dat ze minder passief moeten blijven in de klas?
Karen Van Petegem: “Inderdaad, want daardoor wordt ook de afstand kleiner in de relatie tussen leraar en leerling. Tegelijk komen leraren meer tegemoet aan de behoeften en verwachtingen van hun leerlingen. Een leraar die leerlingen actief doet leren in de klas bevordert ook de coöperatie. Maar zich enkel richten op cognitieve leerprestaties volstaat niet. Het welbevinden van leerlingen verdient aandacht op zich. Naar een hoger welbevinden streven bij leerlingen om betere cognitieve leerprestaties te bereiken is een waardevol doel op zich, maar het mag niet enkel daartoe beperkt blijven.”
Je zegt dat de leraar het welbevinden van leerlingen in sterke mate bepaalt. Wat speelt er nog zoal mee?
Karen Van Petegem: “De manier waarop de directie de school leidt en waarop studiemeesters, opvoeders enz. met de leerlingen omgaan. Leerlingen voelen zich ook beter als er voldoende leerlingenparticipatie is op school en als er hulp en ondersteuning beschikbaar is bij problemen. Voldoende en goed gebruik van didactische middelen tijdens de lessen en leerstof die aansluit bij wat leerlingen verwachten te leren, hebben eveneens veel invloed.”
Als welbevinden voor leerlingen een verhaal van jaren is, hoe kan je daar op school dan het best op inspelen?
Karen Van Petegem: “Werken via de interesse en motivatie van leerlingen is volgens ons onderzoek de voornaamste invalshoek. Een coöperatieve houding van leraren tegenover hun leerlingen is cruciaal. Essentiële werkpunten zijn enerzijds een bewuste studiekeuze, zeker bij leerlingen uit het technisch en beroepsonderwijs, en anderzijds een algemene herwaardering van het tso en bso. Door het watervalsysteem geraken nogal wat leerlingen binnen deze onderwijsvormen gedemotiveerd, waardoor ze afhaken. Voor het welbevinden van leerlingen zou de ideale school bestaan uit zoveel mogelijk coöperatieve leraren. Als je een jaar lang les krijgt van bijvoorbeeld een heel onzekere, ontevreden of autoritaire leraar, is dat geen pretje, maar zolang dergelijke leraren meer uitzondering zijn dan regel op school, zullen leerlingen daar niet zo snel van onderuit gaan. Maar als er op school een cultuur heerst waardoor leerlingen zich gaandeweg slechter in hun vel gaan voelen, dan scheelt er wat. Dan zullen op de langere termijn meer leerlingen vroegtijdig afhaken. Ze zullen minder gemotiveerd zijn en slechter presteren. En dat wil toch geen enkele school.”
“Leerlingen bouwen hun welbevinden op met de jaren, één goede toets volstaat daarvoor niet”
Test het effect van je onderwijsstijl
Bij welke leraar voelen leerlingen zich het best? Om dat na te gaan ging Karen Van Petegem voort op eerder onderzoek uit Nederland. Daar ontwikkelde men een model dat weergeeft hoe leraren zich opstellen tegenover leerlingen (interpersoonlijk lerarengedrag). Doe nu zelf de test: welk type leraar ben je en in welke mate beïnvloed je het leren en het welbevinden van je leerlingen?
Doe zelf de test!
Lees hieronder de acht beschrijvingen bij de driehoeken in de schijf. Duid in elke driehoek aan of je jezelf in dat type niet (1), weinig (2), matig (3), sterk (4) of heel sterk (5) herkent. Allicht vertoon je gedragingen uit elk segment van de schijf, maar de mate waarin verschilt voor elke leraar.
- Leidend
Je bent de leider en de leerlingen weten precies wat ze aan jou hebben. Zelfverzekerd en enthousiast. Je hebt het gevoel dat je de leerlingen kan boeien en dat ze veel bijleren. Je hebt de klas in de hand en ziet meteen wat er gebeurt. - Helpend /vriendelijk
Je vindt een prettige sfeer in de klas heel belangrijk. Daarin is ook plaats voor een grapje. Je probeert je redelijk op te stellen voor iedereen en vriendelijk te zijn. Je interesseert je voor je leerlingen en probeert ze zoveel mogelijk te helpen. Ze moeten met je kunnen praten en je vertrouwen. - Begrijpend
Als de leerlingen om uitleg vragen, krijgen ze die altijd. Je probeert mee te leven met de leerlingen, hen te begrijpen. Over onenigheden wil je kunnen praten zonder ruzie te maken. Je bent bereid naar de leerlingen te luisteren en compromissen te sluiten. Dat vraagt geduld, soepelheid, vertrouwen en openheid. - Ruimte gevend /latend
Bij jou krijgen de leerlingen veel vrijheid. Je laat ze hun gang gaan. Het mag wat rumoerig zijn in de les, dat stoort jou niet. Misschien laat je je ook wel door hen beïnvloeden. Ze krijgen snel hun zin. Wat ze doen, vind je meestal goed. Je geeft je klas ruimte en verantwoordelijkheid, laat leerlingen zelfstandig werken en ziet al eens iets door de vingers. - Ontevreden
Je wacht tot het stil is, ook al moet je daar met een lang gezicht een tijdje op wachten. De leerlingen weten niet veel en presteren weinig. Je vertrouwt ze niet. Ze proberen te spieken of je belachelijk te maken. Het is moeilijk om met een goed humeur les te geven. Je moet voortdurend dreigen met straf of proberen de onruststokers uit te schakelen. Fijne job. - Onzeker
De leerlingen plagen je en willen van orde niet weten. Je hebt het gevoel dat ze voortdurend op je kop zitten. Je weet niet goed hoe je ze moet aanpakken en dat voelen ze waarschijnlijk. Niets helpt, ook niet als je je verontschuldigt of je ongelijk toegeeft. Je aarzelt vaak en wacht maar af. - Corigerend
Je wordt snel kwaad en als je boos bent, zullen ze het geweten hebben. Als de leerlingen in de fout gaan, wijs je hen daar meteen op. Ze moeten goed weten wat verboden is. Daardoor maak je wel eens ruzie met leerlingen. Je geeft vaak straf of deelt sarcastische opmerkingen uit. - Streng
Het moet stil zijn in de les. Orde is belangrijk. Je stelt hoge eisen aan de leerlingen, geeft moeilijke proefwerken en deelt snel onvoldoendes uit. Misschien zijn de leerlingen bang van je, zeker als ze niet in orde zijn met lessen of taken. Lesgeven, dat is normen en regels stellen, controleren en beoordelen.
Bepaal je eigen onderwijsstijl
Alle types doorlopen en jezelf beoordeeld? Duid op elke lijn van de figuur je eigen score aan. Verbind die punten met elkaar en kleur in elk taartschijfje je eigen driehoek in. Zo krijg je je eigen profiel. Driehoeken die naast elkaar liggen zijn verwant met elkaar. Hoe verder ze van elkaar liggen, hoe minder ze inhoudelijk bij elkaar aansluiten. De acht driehoeken vormen ook tegenpolen. Dat betekent dat de driehoek waarin je je het sterkst herkent meer dan waarschijnlijk precies tegenover die driehoek staat waarin je jezelf het minst herkent.
De horizontale as zegt iets over de afstand in je relatie met de leerlingen: vertoon je vooral samengedrag (rechts) of tegengedrag (links)? Leerlingen voelen zich beter bij samengedrag (coöperatief gedrag). Ze voelen zich het best bij leidende en tegelijk helpende/vriendelijke leraren (tolerant/authoritatief). Als je jezelf het sterkst in die segmenten terugvindt, oogst je het meest welbevinden. De verticale as zegt dan weer iets over de machtsverhoudingen: leid je de communicatie in de klas of niet? Vertoon je vooral bovengedrag of ondergedrag? Leerlingen leren het meest bij leraren met bovengedrag. Maar dat betekent niet noodzakelijke dat ze zich daar ook goed bij voelen.
‘Interpersoonlijk gedrag van docenten in de klas’, dr. Mieke Brekelmans, Ivlos, Universiteit Utrecht.
‘De relatie tussen de kenmerken van leerlingen, leraren, klas en school en het welbevinden van leerlingen’ (Relationship between student, teacher, classrooom characteristics and student’s school wellbeing’), Karen Van Petegem – Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen – Universiteit Gent. Het (Engelstalig) onderzoek is verkrijgbaar bij/via Karen.VanPetegem@UGent.be

onze school vindt dat we dit moeten blijven zeggen. Sinds we in 2007 onze parking heringericht hebbe...
luc denys op “Goeiedag is rap gezegd”
CollegaIs inderdaad verwarrend maar blijkt dat dzeze info werd geplaatst op 30 augustus en dus g...
Martine Kurrels op Nieuw op 1 september