Hoe ziet het secundair onderwijs er over tien jaar uit?

2 reacties

Op 1 september 2020 stappen Marieke, Fien, Victor, Jules, Marthe, Simon en Thijs voor het eerst door de schoolpoort van een secundaire school. Wat voor secundaire school willen we voor hen? Dezelfde als die van vandaag of één die leerlingen klaarstoomt voor het leven en de arbeidsmarkt in 2030 en daarna?

“We moeten veranderen en vernieuwen, anders hinken we internationaal achterop”, zegt Georges Monard. Hij was afgelopen jaar voorzitter van een commissie die een discussienota over de verandering van het secundair onderwijs samenstelde. Haar nota dient als uitgangspunt voor een breed debat over het secundair in 2020 en daarna. In het regeerakkoord staat dat het secundair onderwijs toe is aan vernieuwing en verandering. Georges Monard: “Dat hoeft geen revolutie te worden, liever een evolutie.”

Marieke en haar vriendjes zijn alvast klaar voor een nog betere secundaire school. Wij ook?

Georges Monard: “Geen revolutie, maar het secundair moet wel veranderen”

“Ons secundair onderwijs is al vijftig jaar niet meer grondig veranderd”, zegt Georges Monard. “Nochtans zijn alle andere onderwijsniveaus al eens grondig vernieuwd. Dat zou niet erg zijn als ons secundair geen zwakke punten vertoonde.” Binnen tien jaar moeten de discussies tot een nog beter secundair leiden.

Waarom moet het secundair vernieuwen?
Georges Monard: “Het secundair heeft wel degelijk sterke punten. Er is een zeer goede kennisoverdracht, wat ook blijkt uit internationale studies. De laatste jaren hebben we de aandacht voor zorg opgevoerd. We beschikken over een competent en gemotiveerd lerarenkorps. Toch gaan er ook zaken fout, zoals bij de overgang van het basis- naar het secundair onderwijs. Leerlingen komen in het secundair in een totaal andere wereld terecht. Dat merken we aan de mislukkingscijfers. Leerlingen maken vaak verkeerde keuzes door foute verwachtingen van ouders. Leerlingen raken vast in het secundair en verliezen een of twee jaar. Ondanks de topprestaties van ons onderwijs in internationale studies zoals Pisa, scoort het welbevinden van onze leerlingen laag.”

Leraren lopen doorgaans niet wild voor vernieuwing of verandering.
Georges Monard: “Dat begrijp ik. ‘Wat vinden ze in Brussel nu weer uit?’ Om dat te vermijden hebben we in de commissie die deze discussienota schreef zoveel mogelijk mensen opgenomen die in het onderwijs staan. En het is uitdrukkelijk een discussienota. Ik hoop dat zoveel mogelijk leraren meedenken over wat voor secundair onderwijs ze willen. Welke verandering je ook op papier zet, als leraren die niet zien zitten gaat ze niet door of werkt ze niet. Neem dus de tijd. Beslis in de komende vijf jaar en geef de scholen dan nog eens vijf jaar om alles in te voeren.”

Zijn er goede voorbeelden in het buitenland?
Georges Monard: “Elk land heeft zijn onderwijstraditie en -realiteit. Zomaar zaken kopiëren en overnemen werkt niet. We kunnen heel wat leren uit Scandinavische landen of Engeland, maar een echt gidsland is er niet. De studiekeuze uitstellen tot zestien zoals in Finland lukt bij ons nooit. Een tabula rasa, een verandering vanaf het witte blad is niet wenselijk en niet nodig. Koester wat je goed doet. Geen revoluties, wel graag evoluties.”

De studiekeuze willen jullie uitstellen tot veertien jaar. Komt er opnieuw een gezamenlijke eerste graad?
Georges Monard: “Eigenlijk stellen we iets anders voor. We willen dat leerlingen in die eerste graad met zoveel mogelijk belangstellingsgebieden in aanraking komen. Hoe wil je dat meer leerlingen voor techniek kiezen als ze die niet kennen? Hetzelfde verhaal geldt voor het afschaffen van de labels aso, bso, kso en tso. Uiteraard is dat meer dan een opsmukoperatie tegen het watervaleffect. Een wondermiddel is het evenmin. Bijna elke ouder droomt ervan dat zijn kind een aso-opleiding volgt. Maar in onze moderne samenleving hoort techniek toch tot de algemene vorming van elke leerling? Als ons onderwijs niet verandert, leveren we nog altijd dezelfde leerlingen af, terwijl de samenleving ingrijpend verandert. Dan boeren we internationaal achterop.”

Vanuit welke visie hebben jullie deze discussienota geschreven?
Georges Monard: “Elk kind moet terechtkomen in de onderwijsrichting die het best overeenkomt met zijn capaciteiten. We willen ook af van de huidige tweedeling in het secundair: ben je technisch of niet? Veel relevanter is de vraag: stoom je iemand klaar voor de arbeidsmarkt of zorg je dat hij of zij verder kan studeren?”

Welke rol heeft de leraar in het vernieuwde secundair?
Georges Monard: “Een leraar moet meer zijn dan wat ze in Nederland ten tijde van het Studiehuis meemaakten. Leerlingen moesten het daar allemaal zelf uitzoeken, de leraar was niet meer dan een coach aan de zijlijn. Natuurlijk moet de leraar de zelfredzaamheid van leerlingen stimuleren. Maar leraren werken best actief en creatief, dat is veel beklijvender voor de leerlingen. Kennisoverdracht blijft absoluut belangrijk in het vernieuwde secundaire onderwijs, maar je moet ook aan competenties zoals groepswerk en probleemoplossend denken werken. Dan bereid je leerlingen echt voor op het leven en de arbeidsmarkt.”

“De kwaliteit van onze leraren is goed. Toch haakt één op drie jonge leraren af in de eerste vijf jaar van zijn carrière. Daarom moeten we de loopbaan aantrekkelijker en voldoende vast maken. Vroeger gaf de vervangingspool dat vaste perspectief. Laat ons aan iets gelijkaardigs denken. Neem je het een jonge leraar kwalijk dat hij een jaar werkzekerheid in de privé verkiest boven een interim van zestien weken in het onderwijs? We verliezen veel te veel goede mensen.”

Moet de job niet aantrekkelijker voor de leraren die wél blijven?
Georges Monard: “Die leraren moeten reële groeikansen krijgen. Hoe kan een leraar nu carrière maken? Door hem uit de klas te halen? Jammer, want zo verdwijnen veel goede leraren uit de klassen. Laat ze daar, maar geef hun de kans om seniorleraar te worden. Zo’n expert bezit objectieve kwaliteiten die niet vooral met leeftijd te maken hebben.”

Kunnen de nakende besparingen de nodige veranderingen bemoeilijken?
Georges Monard: “We zullen creatief moeten zijn en de eventuele meerkost spreiden in de tijd. Het secundaire onderwijs werd immers in vergelijking met de andere onderwijsniveaus altijd goed bedeeld. Misschien zullen we middelen moeten herschikken. We moeten nochtans veranderen als we sociaal, cultureel en economisch niet achteruit willen gaan. Natuurlijk zal de secundaire school van 2020 een andere school zijn dan degene die we in de discussienota proberen te beschrijven. Laat daarom zoveel mogelijk leraren hun stem horen in het debat. De twee jarigen van vandaag verdienen binnen tien jaar een nog betere secundaire school.”

Georges Monard stond vijftien jaar (tot 2002) als secretaris-generaal aan het hoofd van de onderwijs administratie. Voordien was hij zeven jaar CVP-parlementslid en kabinetschef bij onderwijsminister Daniel Coens.

Wat voor secundaire school willen we in 2020?

“Het debat over de secundaire school is nog maar net begonnen. Het zou jammer zijn als enkel vakbonden en koepels erover nadenken”, zegt Georges Monard. “Elke leraar moet zijn toekomstvisie kunnen geven.” Klasse pikt de tien opvallendste voorstellen uit het rapport. Zie jij deze vernieuwingen zitten of niet?

Schrap ASO, BSO, KSO EN TSO

Vervang ze door de volgende belangstellingsgebieden: gezondheid, welzijn en samenleving (bv. haartooi, sociale en technische wetenschappen, topsport) administratie, handel en economie (bv. kantoor, economie, boekhouden-informatica) natuur, techniek en wetenschappen (bv. elektromechanica, wiskunde-wetenschappen, houtbewerking) talen, kunst en cultuur (bv. Latijn-moderne talen, beeldende kunsten, ballet) Elk belangstellingsgebied bevat zowel studierichtingen gericht op doorstroming naar het hoger onderwijs als studierichtingen die arbeidsmarktgericht zijn.

Een leraar met meer verantwoordelijkheid en inzet verdient meer

Leraren die andere leraren leiding geven, hebben tijdelijk recht op een mandaatsvergoeding. Hun loon komt dan tussen dat van een leraar en dat van een directielid te liggen.

Eerst kennismaken, dan pas kiezen

In de eerste graad maken leerlingen eerst kennis met de belangstellingsgebieden. Pas daarna maken ze een defi- nitieve studiekeuze. In de eerste graad krijgen leerlingen: zesentwintig lesuren basisvorming vier uur optievakken (kennismaking met de vier belangstellingsgebieden in het eerste jaar en verdieping van twee ervan in het tweede jaar) twee uur keuzevakken. Het is uitdrukkelijk NIET de bedoeling om vakken als Latijn, landbouw of hotel uit de eerste graad te halen.

Minder leraren per klasgroep in de eerste graad

In de eerste graad worden vakken samengevoegd zodat er minder vakken per week zijn en minder leraren per klasgroep. Dat tempert de bruuske overgang vanuit het basisonderwijs. Vijftig minuten per lesuur blijft bewaard, maar blokken van meerdere lesuren kunnen ook.

Het eerste jaar B bereidt direct voor op de arbeidsmarkt

In theorie bereidt het eerste leerjaar B voor op het eerste leerjaar A maar in praktijk gebeurt dat nauwelijks of niet. De commissie beschouwt de eerste graad voor die groep leerlingen als een schakel tussen de basisschool en de arbeidsmarktgerichte tweede graad. De commissie wil de algemene vorming van deze leerlingen verhogen zodat meer leerlingen een diploma halen (nu doet dat maar een op twee leerlingen die in het eerste leerjaar B startte).

Wie in het tweede jaar van de derde graad slaagt, krijgt een diploma

Wie nu slaagt voor het tweede jaar van de derde graad in het bso krijgt enkel een getuigschrift. Leerlingen die in de toekomst een diploma halen in een arbeidsmarktgerichte opleiding van kwalificatieniveau 4 zullen naar het hoger onderwijs mogen, zij die kwalificatieniveau 3 halen, moeten eerst een schakelprogramma volgen om naar het hoger onderwijs te kunnen.

Wie lesgeeft aan de zwakste of moeilijkste leerlingen verdient meer

De zwakste en moeilijkste leerlingen verdienen de beste leraren. Misschien kun je leraren van deze leerlingen enkele uren minder doen werken of hun wat meer loon geven.

Geen uren meer overhevelen van eerste graad naar andere graden

Leerlingen moeten een goede start nemen in de eerste graad van het secundair. Daarom moet het onmogelijk worden voor scholen om uren van de eerste graad over te hevelen naar dunbevolkte studierichtingen in de tweede en derde graad.

Maak leerlingenportfolio’s

In die portfolio’s noteer je alle via de school verworven competenties, getuigschriften en diploma’s. Ook competenties die buiten de school verworven zijn, zoals leider zijn in een jeugdbeweging, krijgen daarin een plaats.

Minder studierichtingen vanaf de tweede graad

Een leerling maakt een definitieve keuze op zijn veertiende maar moet in bepaalde richtingen pas in de derde graad uitmaken of hij naar de arbeidsmarkt of het hoger onderwijs wil doorstromen. Leerlingen die toch een ‘verkeerde’ studierichting kozen, kunnen de keuzevakken gebruiken om zich bij te spijkeren of tekorten op te halen om toch zonder tijdverlies naar een andere richting te gaan.

 

Schrijf een reactie op dit artikel