advertentie

Wie is er bang voor de zwarte school?

5 reacties

“Middenklasseouders kunnen op beide oren slapen. Hun kinderen presteren goed in elke school.” Dat zeggen Mieke Van Houtte (UGent) en Anneloes Vandenbroucke (KU Leuven). Samen met een aantal collega’s deden ze onderzoek naar het verschil tussen ‘zwarte’ en ‘witte’ basisscholen. “De kleur van de klasgenootjes beïnvloedt de leerprestaties niet. Wel de sociaaleconomische achtergrond van de eigen ouders.”

Er zijn ‘witte’ en ‘zwarte’ buurten, dus ook ‘witte’ en ‘zwarte’ scholen. Logisch?
Van Houtte en Vandenbroucke: “Het klopt dat kansarme en etnische groepen ongelijk verspreid zijn over buurten en daarom ook over scholen. Maar gemiddeld genomen is de concentratie van kansarme en allochtone leerlingen – beide kenmerken vallen vaak samen – in ‘zwarte’ basisscholen groter dan je zou verwachten als je de buurt bekijkt. Hoe rijker de ouders – autochtoon of allochtoon – hoe groter de kans dat ze een ‘zwarte’ school mijden.”

Kunnen ‘zwarte’ scholen wel kwaliteit bieden?
Van Houtte en Vandenbroucke: “We lieten 2800 leerlingen een wiskundetoets afleggen. Hoe ze presteerden, hing vooral af van hun eigen sociaaleconomische en etnische afkomst. Rijke leerlingen presteren veel beter dan arme leerlingen, witte leerlingen presteren iets beter dan zwarte leerlingen. Bijgevolg doen leerlingen in scholen met een hogere concentratie van kansarme en allochtone leerlingen het gemiddeld minder goed. Maar de samenstelling van de groep doet er nauwelijks toe. Je eigen situatie is bepalend.”

Een middenklassekind haalt dus niet minder punten in een concentratieschool?
Van Houtte en Vandenbroucke: “Welke leerlingen er in een school zitten, heeft een heel beperkte invloed. Vooral de concentratie van kansarmoede kan de gemiddelde prestaties naar beneden trekken. De kinderen van middenklasseouders presteren in elke school goed. Een concentratie van kansarme leerlingen is vooral een probleem voor die leerlingen zelf. De concentratie van allochtone leerlingen doet er gemiddeld genomen niet toe. Het onderscheid is wel kunstmatig: in de praktijk blijken scholen met veel kansarme leerlingen ook vooral scholen te zijn met veel allochtone leerlingen. Maar het sociaaleconomische profiel is veel doorslaggevender dan de etnische samenstelling. Toch maken ouders vooral van de ‘kleur’ van de school een probleem. Maar je hebt zowel ‘zwarte’ scholen die uitstekend scoren als ‘witte’ scholen die slecht presteren en omgekeerd.”

Waarom presteert de ene ‘zwarte’ school beter dan de andere?
Van Houtte en Vandenbroucke: “In scholen met veel kansarme en allochtone kinderen verwachten de school en de leraren vaak minder van hun leerlingen. Daardoor denken die leerlingen dat ze het toch niet ver gaan brengen. Bovendien onderwaarderen scholen vaak de sociaal-culturele bagage van de leerlingen. Ze beschouwen het zelden als een meerwaarde dat hun allochtone leerlingen meertalig zijn. Dat zorgt ervoor dat die leerlingen effectief slechter presteren op school.”

Mieke Van Houtte en Anneloes Vandenbroucke

“‘Witte’ leerlingen spelen altijd een thuismatch in een ‘zwarte’ school”

Bieden gemengde scholen voordelen?
Van Houtte en Vandenbroucke: “De school is een van de enige plekken waar autochtone en allochtone leerlingen vriendjes kunnen maken. De sociologische wet ‘soort zoekt soort’ speelt natuurlijk ook. Maar ze worden zich alleszins bewust van elkaar. Autochtone leerlingen worden niet meer of minder gepest in scholen met meer allochtonen. Sterker nog, de zelfwaardering van autochtone leerlingen stijgt als er meer allochtone leerlingen zijn op school. Dat heeft te maken met ‘sociale vergelijking’. De maatschappij waardeert autochtonen meer dan allochtonen en die visie nemen leerlingen mee naar school. Bovendien, hoe ‘zwart’ het publiek van de school ook mag zijn, de leraren zijn over het algemeen autochtoon en de voertaal is er Nederlands. Kortom, naar welke school autochtone leerlingen ook gaan, ze spelen altijd een thuismatch.”

In Vlaanderen gaan er stemmen op om – net als in Nederland – het gevecht tegen concentratiescholen op te geven. Een goed idee?
Van Houtte en Vandenbroucke: “Als je denkt in schoolprestaties, moet je niet streven naar ‘desegregatie’. Concentratiescholen presteren vaak zeer goed. Maar als je een vriendelijkere samenleving wilt waar iedereen met iedereen kan omgaan, zijn gemengde scholen wel een goed idee. Ongeveer zeven op de tien ouders die deelnamen aan het onderzoek vinden dat de overheid moet zorgen voor meer gemengde scholen. Tegen hen zeggen we: ‘Vergeet je angst voor een zwarte school. Hij is niet terecht.’”

De leraar maakt het verschil

“Met onze uitstekende leerprestaties overhalen we autochtone ouders. Dat we geen goed onderwijs bieden, wil ik niet horen”, zegt Jan Van der Linden, directeur van gemeentelijke basisschool De Evenaar in Antwerpen. Hij slaagde erin om in vijf jaar tijd van zijn ‘zwarte’ school een ‘gemengde’ school te maken én de leerprestaties op te krikken.

Een ‘zwarte’ school ‘gemengd’ maken, hoe begin je eraan?
Jan Van Der Linden: “In 2007 zat er één Vlaams kindje op honderdvijftig leerlingen in de kleuterschool. ‘We zijn heel tevreden over de school, maar hij gaat hier niet naar het eerste leerjaar’, zegden de ouders. Er schreven zich ook geen autochtone leerlingen meer in, hoewel de buurt steeds gemengder werd. Welgestelde en hoogopgeleide autochtone tweeverdieners kochten de herenhuizen in de buurt op en stilaan evolueerde ook de middenstand. Maar de school evolueerde niet mee. De ‘oude Belgen’ brachten hun kroost in een bakfiets naar het Zuid of in een terreinwagen naar Schoten of Brasschaat. Als eerste stap heb ik twee ‘bakfietsouders’ aangesproken en gevraagd waarom onze school geen optie was. ‘Ik ga hier niet met mijn wit kindje tussen allemaal zwarte kindjes staan’ was het antwoord. Toen zijn we met ‘School in Zicht’ (zie kaderstuk) in contact gekomen. Zij deelden onze bekommernis.”

Waarom moet een school de buurt weerspiegelen?
Jan Van Der Linden: “Kinderen moeten een netwerk creëren. Kinderen die buren zijn, moeten vriendjes worden, hun ouders moeten elkaar leren kennen. Daarom streven we naar een meer gemengde school. Kinderen maken geen onderscheid op basis van huidskleur. Ze gaan wel nog niet bij elkaar spelen op woensdagnamiddag. Het gebeurt, maar het is een traag proces. Allochtone kinderen worden soms wel gevraagd op verjaardagsfeestjes, maar meestal gaan ze niet. De ouders hebben schrik dat ze moeten ‘terugvragen’. Allochtone gezinnen hangen heel erg aan elkaar en ze hebben veel familie. De kinderen moeten niet buiten de eigen familie gaan om speelkameraadjes te hebben. Die integratie buiten de school vraagt nog tijd.”

Stellen autochtone ouders andere eisen dan allochtone ouders?
Jan Van Der Linden: “Onze blanke ouders zijn mondig, hoogopgeleid en sommige hebben zelfs een pedagogisch diploma. Het zijn sowieso mensen die bewuste keuzes maken. Je moet je dus meer verantwoorden. In het begin was dat best wel slikken. Vroeger splitsten we tweelingen bijvoorbeeld altijd op. Niemand stelde dat in vraag, tot een autochtone moeder haar tweeling in dezelfde klas wou zetten. Ze onderbouwde haar mening met allerlei wetenschappelijk onderzoek. Op basis daarvan heeft de school haar visie bijgesteld. Dat houdt ons alert, er is niets ergers dan gewoonte. De allochtone ouders uit deze buurt stellen meestal weinig vragen over onderwijs, alhoewel dat stilaan verandert. Op de eerste infoavond met autochtone ouders kwam er al een vraag over het doorlichtingsverslag. Ze vroegen ook om de partituren van de aangeleerde liedjes mee te geven. De gemiddelde allochtone ouder stelt zulke vragen niet. We organiseerden vroeger ook geen grootouderfeest. Allochtone kinderen hebben hier geen grootouders of ze spreken geen Nederlands. Dit jaar was er wel een grootouderfeest met 125 aanwezigen.”

Varen de kinderen wel bij gemengde klassen?
Jan Van Der Linden: “Vroeger werd in de eerste twee kleuterklassen weinig gesproken. Nu is een derde van de kinderen in die klassen Nederlandstalig. Als zo’n kind aan de zandbak drie keer een molentje vraagt aan een allochtoon klasgenootje, dan leert dat kind een woord bij. Zo gaat het taalniveau naar boven. Als de lerares vraagt om foto’s van dieren mee te brengen, doen in het begin alleen de autochtone kinderen dat. Maar na een paar keer brengen toch ook allochtone kindjes prenten mee. Ook de ‘rijke’ wereld van autochtone kinderen speelt een rol. Als de leraar vraagt: ‘Wat heb je dit weekend gedaan?’ vertellen de autochtone kinderen dat ze naar het museum zijn geweest of gaan paardrijden. Zo komt de fantasie van alle kinderen op gang en verrijkt hun taal. De autochtone kinderen hebben in de kleuterklas een voortrekkersrol. In de lagere school vermindert dat, capaciteiten en intelligentie worden belangrijker.”

Jan Van Der Linden, directeur De Evenaar

“Ieder kind is leerbaar”

Zwak of sterk. In welke categorie past jullie school?
Jan Van Der Linden: ‘Deze buurt is een doorgangswijk voor allochtonen. Enkel de allerzwaksten blijven hier wonen. Schoolse prestaties komen bij hen niet op de eerste plaats. Vijf jaar geleden gingen onze leerprestaties erg achteruit. Het personeel begon zich vragen te stellen en ook de allochtone middenklasse trok weg uit onze school. Ik wilde een ommekeer teweegbrengen: op korte termijn door intern actie te ondernemen en op middellange termijn met de hulp van ‘School in Zicht’. Op dat moment hebben we een ‘klik’ gemaakt: de leraren stonden achter het project en ouders wilden een school in de buurt. Het eerste jaar zaten er twintig autochtone kinderen in de instapklas. Nu laten we veertig procent van onze plaatsen invullen door kinderen die niet kansarm zijn. Na tien jaar willen we in elk leerjaar een derde autochtone kinderen hebben.”

Zijn ook de leerprestaties verbeterd?
Jan Van Der Linden: “Een student toonde in zijn masterproef aan dat er in onze school geen relatie meer is tussen kansarmoede en schoolprestaties. Dat komt omdat we onze volledige werking in vraag hebben gesteld. We hebben het leerproces – vooral bij de leraren – geanalyseerd. Waar zijn we sterk in? Waar zijn we zwak in? We hebben alles gemeten. Waar we slecht presteerden, hebben we acties ondernomen. Uiteindelijk past elk bedrijf dezelfde filosofie toe. Alle kinderen zijn ‘leerbaar’, alleen hun rugzakje is anders. De leraar maakt het verschil en moet ervoor gaan. In 2007 scoorde onze school heel slecht op de toetsen van het gemeentelijk en stedelijk onderwijs, ook ten opzichte van scholen met een vergelijkbaar publiek. We dachten dat we zwak waren voor taal, maar we scoorden erg slecht voor rekenen. Daar hebben we sterk op ingezet. In 2011 haalde onze school het Vlaamse gemiddelde op die toetsen. Dat is een ongelooflijke prestatie, vooral omdat Nederlands de eerste taal van onze leerlingen niet is. Die resultaten geven iedereen een goed gevoel: leraren, ouders, directie. Dat heeft een positief effect op de kinderen.”

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Schrijf een reactie op dit artikel