- » Alle nummers
- Februari 2010
- Januari 2010
- December 2009
- November 2009
- Oktober 2009
- September 2009
- Juni 2009
- Mei 2009
- April 2009
- Maart 2009
- » Alle nummers
De recentste tien nummers
Dit is een artikel uit Klasse voor Leraren 78. Mogelijk zijn niet alle vermelde cijfergegevens, adressen, telefoonnummers, websites, etc. nog actueel.
Handicap in de klas
Begaafd
Men denkt wel eens dat enkel slimmere gehandicapte leerlingen naar het GON gaan. Dat is niet zo. De grootste groep beschikt over gemiddele intellectuele mogelijkheden, maar net zoals in het gewone onderwijs zijn er ook minder en hoger begaafden. Niettemin doen GON-leerlingen er gemiddeld duidelijk langer over om hun schoolloopbaan af te werken dan leerlingen uit het gewoon onderwijs. 40 procent heeft één of meer jaren onderwijsachterstand (9 procent minstens twee jaar). Er zijn ook 20 procent meer zittenblijvers.
Stilzitten
Eén op vier GON-leerlingen kampt volgens de begeleiders met ernstige leerproblemen. Type 6-leerlingen hebben minder leerproblemen dan de twee andere types, type 7-leerlingen het meest. Leerlingen uit het secundair hebben het niet moeilijker met de leerstof dan jongere kinderen. Gevraagd naar de problemen die hun leerlingen zoal ondervinden, noemen GON-begeleiders lange tijd stilzitten, aandachtig blijven, het schrijfproces, het waarnemings- en voorstellingsvermogen, attitude en gedrag, leestechniek, ruimtelijk inzicht, wiskunde, taalvakken. Bepaalde problemen zullen zich meer manifesteren bij het ene type dan andere. Het verschil tussen matig en ernstig gehandicapten valt daarbij niet altijd op. Het taal- en rekenniveau van GON-leerlingen ligt in het algemeen lager dan dat van de overige leerlingen uit het gewoon lager onderwijs.
Angstig
Slechts de helft van de leerlingen zou sociaal goed geïntegreerd zijn binnen de klasgroep. Bij één op acht laat dit duidelijk te wensen over. Bij één op tien botert het niet met de leerkracht. De sociale integratie is meer problematisch in het secundair onderwijs. Jongere kinderen voelen zich doorgaans wel goed in hun vel, maar vanaf 8 jaar neemt dit gevoel af. Ze beoordelen hun sportieve capaciteiten, fysiek voorkomen, maar ook hun schoolse prestaties en sociale contacten dan negatiever. Leerkrachten melden dat de GON-groep iets meer lichamelijke klachten, sociale problemen en denkproblemen heeft dan leerlingen zonder handicap. Ook zouden zij meer angstig, teruggetrokken of geremd gedrag vertonen. Eén op vier ouders meent dat de sociale relaties tussen hun gehandicapt kind en de klasgenoten maar matig zijn van kwaliteit.
Gedragsregels
GON-begeleiders geven gemiddeld aan één op twee GON-leerlingen een of andere vorm van extra les, al of niet gecombineerd met specifieke hulp bij de verwerking van de leerstof. De helft krijgt ook sociaal-emotionele ondersteuning. 75 procent van de begeleiders brieft de leerkracht(en) uit het gewoon onderwijs bij de komst van een GON-leerling in het begin van het schooljaar. Voor de onderzoekers is deze informatie, naast grondregels voor de omgang met een GON-leerling, pure noodzaak. Verder overleg gebeurt in meer dan de helft van de gevallen wekelijks, maar soms ook helemaal niet. De leerstof staat daarbij centraal. Met de ouders spreekt de begeleider één tot drie keer per schooljaar. De ouders zijn daar veelal tevreden over, maar meer overleg zouden ze wel appreciëren.
Twijfels
Bijna de helft van de bij het onderzoek betrokken leerkrachten zegt zijn gedrag tijdens het lesgeven specifiek aan te passen aan de GON-leerling. Eén op drie verandert zijn stijl van lesgeven aan de hele klasgroep. Verschillende leerkrachten hebben meer frequent contact met de ouders. De betrokkenheid van de directie van de gewone school bij het GON-gebeuren is erg variabel. Sommige directies hebben nauwelijks contacten in die zin, andere zetten zich actief in voor het welslagen van het GON. Ook in scholen buitengewoon onderwijs zijn er soms grote verschillen. Van structurele samenwerking en ondersteuning van de GON-begeleider in de ene school tot helemaal niets in de andere. Volgens de onderzoekers zijn enige sensibilisering en nascholing voor de gewone leerkracht zeker op hun plaats. Ook de criteria om de ernst van een handicap te beoordelen zijn aan herziening toe. Daar hangt de hoeveelheid GON-hulp namelijk van af. Onderzoek naar de determinanten van de instroom en van de loopbaan van leerlingen in het geïntegreerd onderwijs - B. Maes, R. Masschelein e.a. Een samenvatting van het onderzoek is gratis verkrijgbaar op aanvraag - afdeling Orthopedagogiek - departement Psychologie en Pedagogie - KULeuven - Vesaliusstraat 2 - 3000 Leuven - tel 016-32 62 24 - fax 016-32 59 33Klasse voor Leerkrachten 78, oktober 1997, p. 34-35
- Klasse voor Leraren 78 (p. 34-35)
- 03/10/97
- Inhoud
- [PDF] Download pagina
- Download nummer