Deze website draagt het AnySurferlabel, een Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites. Meer informatie vindt u op www.anysurfer.be.

advertentie

Dit is een artikel uit Klasse voor Leraren 83. Mogelijk zijn niet alle vermelde cijfergegevens, adressen, telefoonnummers, websites, etc. nog actueel.

05/03/98

«Ik spijbel drie keer per week»

Act één, scène één. Er zijn leerkrachten die ons begrijpen. En andere

[Het is vrijdag op een gewone schooldag in maart, elf uur. Een rokerig café. Uit de jukebox komt oorverdovende muziek. Arno, een jongen van ongeveer 16, stapt binnen en bestelt een glas fruitsap. Hij zet zich aan een tafeltje en vertelt. Hij moet moeite doen om boven het geluid uit te komen.]

Arno: «Ik ben aan mijn vierde school toe. Na nieuwjaar kreeg ik de bons op school nummer drie. Zal het nu beter gaan? Deze school ken ik nog niet genoeg. Ik moet me nog wat aanpassen. Mensen vinden het raar, maar ik ga eigenlijk graag naar school. [drinkt en wacht even, als om zijn gedachten te ordenen] In het eerste secundair zat ik in een lastige klas. De leerkrachten konden ons niet uitstaan. We waren lui, dat is waar. Op het einde van het schooljaar werd ik de deur gewezen. Op mijn volgende school waren mijn punten erg slecht. Vooral wiskunde. Ik haalde mijn derde jaar niet, moest blijven zitten. Ongeveer iedereen van onze klas moest dat, behalve de vijf die van school gestuurd werden. We hadden een goeie klas, niet voor de leerkrachten natuurlijk, maar zo onder ons. Het was uit verveling dat we lastig deden en veel straf opliepen. De leraars kwamen op die school duidelijk met tegenzin naar de klas. OK, er waren een paar goede leerkrachten, die respect hadden voor ons en met ons konden praten. Dat heeft niks met leeftijd te maken zoals sommige jongeren zeggen. Die van wiskunde was denk ik zestig, maar die gaf goed uitleg. Als je ziek was geweest, vroeg die hoe het ging. [glimlacht[ En die van Engels, die had zo'n goed gevoel voor humor. Niet uitlachen of de sarcast uithangen. Bij iemand die zijn leerlingen constant beledigt, kan je toch niet graag naar de les komen?»

Tussenspel. In het zwart

[Spot op de linkerkant van het decor, waar een boekenrek en een zetel een leraarslokaal suggereren. Wat mensen zijn druk in de weer. Een leerkracht ploft in de zetel.]

Vera: «Schoolmoeheid ligt voor een groot stuk aan ons schoolsyteem.Hele dagen op banken zitten. Ik volg zo af en toe nascholing en verdorie, ik heb het al lastig om één namiddag stil te zitten. Leerlingen BSO willen werken, een vak zo snel mogelijk uitoefenen. Soms doen ze dat al in het zwart. En dan heb ik het moeilijk om ze na het weekend weer voor mijn kar te spannen. Maar toch heb ik de indruk dat het in de derde graad wat beter gaat. Daar zijn de vakken iets meer beroepsgericht en kunnen ze nuttige ervaring opdoen. De kans om op stage te gaan is erg motiverend voor hen.» [Spot uit]

Act één, scène twee. Niets met de school te maken

[Even verderop zit Tom tussen een bende bierdrinkende vrienden. Ze praten allemaal door elkaar. Tom (19) rookt zijn sigaret en drinkt een glas bier. Hij kijkt wat weemoedig rond. Dit zijn zijn klasgenoten van vorig jaar. Hij moest blijven zitten. Vandaag hebben ze iets te vieren: de examens zijn gedaan. Plots beseft hij dat iemand hem een vraag stelt. Hij probeert zich verstaanbaar te maken aan de andere kant van de tafel.]

Tom: «Nee, dit is écht de eerste keer dat ik spijbel. [zijn toehoorders lachen hem uit] Ze leggen er op school genoeg de nadruk op hoe belangrijk het is de les te volgen. Trouwens, als je in de humaniora zit, dan weet je dat je moet voortstuderen. De motivatie om in de les te zitten heeft eigenlijk meer te maken met wat er daarna komt dan met de school zelf. [begint luider te praten]Alles wordt er maar ingehamerd, je moet naäpen wat ze zeggen. Het hangt natuurlijk af van leraar tot leraar. Sommige leraars proberen hun theoretisch vak praktisch te brengen. Die doen al eens een uitstap, bijvoorbeeld naar de beurs. Dat is een verschil. Dat zijn gemotiveerde leerkrachten. Bij hen zit je veel geïnteresseerder in de les. Die krijgen ons ook gemotiveerd. Weten jullie nog? Vorig jaar? Toen heb ik veel strafstudie gehad. Je mocht 's middags niet buiten, en dan deden we niet liever dan dat toch proberen. [kijkt op zijn uurwerk] Spijbelen? Ik vind dat nutteloos. Mensen die spijbelen hebben een probleem dat niets met de school te maken heeft. Ik denk niet dat ze dat doen om lol te hebben, misschien wel om stoer te doen.»

Tussenspel. Studenten worden geëntertained

[Spot aan in de leraarskamer. Katleen, lector aan een hogeschool, draait zich om.]

Katleen: «Vroeger waren de studenten bereid om moeite te doen, die moesten niet geëntertained worden. Ik vraag me zo soms af, als ik die groep eerstejaars zie, wat die hier in godsnaam komen doen. Hoe bepalen ze hun keuze? Ze zijn niet gemotiveerd en zeker vanaf nieuwjaar beginnen ze massaal te brossen en af te haken. Misschien stelden zij zich hogere studies helemaal anders voor. Het is tegenwoordig zo evident dat je voortstudeert na het secundair, dat het misschien niet altijd even doordacht is. Vaak maakten ze de verkeerde keuze en zien ze het al vlug niet meer zitten.» [Spot uit]

Act een, scène drie. Niet van plan het te doen

[De leerlingen van de omringende scholen mogen tussen de middag naar buiten, zoveel is duidelijk. Je moet plots met de ellebogen werken om in het café aan een broodje te raken. Stefanie en Jana (15) komen met Mieke (16) binnen. Ze kijken ontgoocheld naar de massa. Dan zetten ze hun conversatie voort.]

Stefanie: «Ik spijbel niet zo vaak. Enkel als ik het niet meer zie zitten, als ik moe ben. Soms ben je moe omdat je moet opstaan. Mijn ouders weten dan dat ik niet naar school ga, maar meestal vind ik een uitvlucht. Hoofdpijn, buikpijn.»

Jana: «Ik spijbel twee of drie keer per week. Deze week was dat omdat ik toetsen had en ik ze niet geleerd had. [fluistert] Inhalen hoeft nooit. Ik ben nog nooit gesnapt. Op mijn vroegere school wel. Mijn ouders hoopten dat het hier beter zou worden en dat is ook zo. Ik spijbel véél minder dan vroeger. [lacht] Toen woonde ik dichtbij de school en kon ik naar huis, nu niet meer. [gaat dan heftig verder] Ik ben het gewoon beu, de school, de lessen, huiswerk maken, leerkrachten die zitten te vitten...»

Stefanie: «Leraars zijn alles en jij bent niets en je moet luisteren. Er zijn leerkrachten bij wie dat anders is natuurlijk. Die van Nederlands bijvoorbeeld. Zij begrijpt ons, zij luistert. Bij haar zou ik nooit spijbelen. [zacht] Van andere leerkrachten denk ik niet dat het hen echt kan schelen of je in de les bent of niet. Zij geven hun les en of wij daar nu iets van begrijpen of niet, dat kan hen niets schelen. Ik zou liever gaan werken, maar ik moet gewoon voortstuderen. Omdat ik in het ASO zit. Dan kan je niet anders. Eigenlijk wou ik naar het technisch, maar ik mocht niet van mijn moeder. Ik heb dan maar menswetenschappen gekozen omdat psychologie me wel interesseerde, maar daar moet ik ook zoveel voor werken.»

Tussenspel. Inzetmoe zijn ze

[Alle licht op het leraarslokaal. Steven, leraar in de tweede graad van het secundair, stapt met een puntenboek in de hand naar voren.]

Steven: «Leerlingen hebben nog maar weinig respect voor hun leerkrachten. Ze voelen zich zo superieur. Soms wou ik ook wel wat meer tijd hebben om plezant les te geven. Maar zij begrijpen niet dat wij een programma af te handelen hebben. En zelfs al probeer je met alternatieve methodes les te geven, toch raken ze zo moeilijk geboeid tegenwoordig. Ouders gaan soms toch ook wel in de fout. Ze treden niet op. Ik riskeerde het vroeger niet om thuis te blijven. Laat staan dat mijn ouders een briefje zouden schrijven. Soms mogen leerlingen tegenwoordig van hun ouders op vakantie terwijl de lessen nog lopen. Welke boodschap geeft dat aan zoon- of dochterlief? Dat de school niet zo belangrijk is natuurlijk. Probeer ze dan maar te motiveren. Het zijn ook vaak dezelfde leerlingen die telkens ontsnappen, aan lessen én straffen. Dat maakt je als leerkracht machteloos, moedeloos. Ze komen omdat ze moeten, spijtig genoeg niet omdat ze mogen. Schoolmoe? Inzetmoe zijn ze. Ik heb het daar erg lastig mee. Ik word er schoolmoe van.» [Spot uit]

Act één, scène vier. Af en toe een baaldagje

[De muur van een school. In de achtergrond klinkt de schoolbel. Geroezemoes van vele meisjesstemmen. De eerste les van de namiddag begint. Sophie en Bianca, twee zeventienjarige meisjes, staan met elkaar te praten. Ze wachten om de hoek nog even op een vriendin.

Sophie: «Mijn ouders weten niet dat ik spijbel. Ik zorg gewoon dat ik op tijd thuis ben. De helft van onze klas spijbelt regelmatig. Een baaldagje is af en toe toch leuk? Op school merken ze het niet omdat ik het briefje van de ouders zelf schrijf en onderteken.»

Bianca: [knikt] «We hebben een leerkracht Frans. Die komt binnen, zet zich neer, doet zijn boek open en als hij zit, begint hij voor te lezen. En dan is hij kwaad dat we niks zeggen of niet meewerken. Zo'n les zou je liever brossen. Maar ik zit op mijn bank en op mijn gemak. Ik heb dan niet direct zin om te gaan brossen. Eigenlijk vind ik het goed dat je verplicht wordt om naar school te gaan. [denkt even na voor ze verder gaat] Voor zestien kan je nog niet zelf kiezen. Ik ben nu zestien en ik kies wel: vóór de school dus. Ik zie het nut daarvan wel in.»

[Bianca stapt naar de schoolpoort. Sophie kijkt nog even achterom. Dan aarzelt ze niet meer en volgt Bianca.]

Doek

«We spijbelen veel minder»

Wat zeggen jongeren zelf? Volgens de jongste enquête van Jongeren en Gezondheid in 1996, die meer dan 4000 jongeren tussen 11 en 18 jaar onder andere vroeg naar hun spijbelgewoonten, neemt spijbelen af in vergelijking met 1994. Jongens spijbelen duidelijk minder in 1996 dan in 1994. Toch spijbelt nog altijd 7,5 procent van de 17-18-jarigen ééns per maand. Meisjes spijbelen minder dan jongens. Dat was al zo in 1994. Bij de 15-16-jarigen echter is regelmatig spijbelen wat toegenomen, en bij de 13-14-jarigen is de toestand bijna stabiel. In het BSO neemt regelmatig spijbelen bij jongens met meer dan de helft af. In het ASO spijbelen jongens over het algemeen minder dan in de andere onderwijsvormen. Ook bij de meisjes in de verschillende onderwijsvormen daalt spijbelen, zij het niet spectaculair. Alleen in het BSO stijgt regelmatig spijbelen lichtjes.

Klasse voor Leerkrachten 83, maart 1998, p. 6-7