Deze website draagt het AnySurferlabel, een Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites. Meer informatie vindt u op www.anysurfer.be.

advertentie

Dit is een artikel uit Klasse voor Leraren 83. Mogelijk zijn niet alle vermelde cijfergegevens, adressen, telefoonnummers, websites, etc. nog actueel.

05/03/98

We zeuren er niet meer over

Als hij spijbelt, maken we een contract op.Lien (17) heeft een afspraak met haar ouders. Als ze elke weekdag naar school gaat, dan mag zij in ruil daarvoor tijdens het weekend haar zin doen. Concreet: vrijdagavond brengt vader haar met de mercedes naar de discotheek. Zondagnamiddag duikt ze terug thuis op. Lien kruipt in bed en maandagmorgen is ze klaar voor de les. Gemotiveerd? In zekere zin. Lien spijbelt niet. Ze is aanwezig in de les. En ze stoort niet eens. Haar ouders spelen het spel mee. En de leraar zit ermee. «Schoolmoeheid is geen individueel probleem, het is een complex probleem van de omgeving en de school», zeggen Christine Dupont en Bea Vandewiele. Zij coördineren voor het departement Onderwijs een aantal spijbelpreventieprojecten in Brussel, Antwerpen, Gent, Brugge, Hasselt en Genk. «Het is als een spinneweb: als je één draadje aanraakt, beweegt het hele web.»

We kozen twee willekeurige scholen die bij de projecten zijn betrokken en vroegen hen hoe zij de draden spannen.

Podium

«Hier lopen alleen groene leerkrachten rond», zegt Mark Holsteens, onderdirecteur van een ASO-school in Bokrijk. «Bij ons mogen de leerlingen van de derde graad hun leerkrachten zelfs bij de voornaam noemen. Dat geeft een lage drempel, leerlingen voelen dat alles bespreekbaar is. Ze voelen zich gewaardeerd. Respect? Ik denk echt niet dat je meer respect afdwingt door op een podium te staan. Dat heeft met de kwaliteit van de relatie te maken. We horen van oudleerlingen altijd dat ze hier graag komen. Een open schoolcultuur is toch gebaseerd op communicatie en goede relaties tussen alle betrokkenen? Leerkrachten zien veel vlugger signalen in zo'n sfeer. Spijbelen is slechts één signaal. Daar moet je naar luisteren. We hebben geen sanctiecultuur, maar zoeken samen naar het waarom van dat signaal.»

Contract

Paul Strubbe is onderdirecteur van een BuSO-school in Assebroek. De school had te kampen met een vrij hoog percentage schoolmoeheid en zelfs afwezigheid. «Vele leerlingen die bij ons in het BuSO terechtkomen hebben tenslotte al een grote schoolachterstand», legt Paul Strubbe uit. «Soms zien ze de school echt niet meer zitten. We hebben een aantal leerlingen die ook op sociaal vlak al een aantal ontgoochelingen opliepen, leerproblemen hebben of soms heel schrijnende gezinssituaties meemaakten. Zij komen soms zonder ervoor te kiezen in het BSO terecht. We zitten ook vaak met complexe situaties. Hoe motiveer je dan?» Om te beginnen hebben PMS-centrum, het hulpopvoedend personeel, de sociale verpleegster en de leerkrachten de handen in mekaar geslagen en de begeleiding van leerlingen in structuren gegoten. Wekelijks hebben ze overleg over de opvolging van de afwezigheden. «Regelmaat van opvolging is zeker noodzakelijk. Recepten bestaan niet. Je kan een leerling niet motiveren met strafstudies, zoveel is duidelijk. Als hij spijbelt, maken we een contract met de leerling. Hij moet bijvoorbeeld wel nablijven, maar niet om straf te schrijven, wel om zijn lessen weer bij te werken. En daarna vegen we het bord schoon en zeuren we er niet meer over.» Als leerlingen het echt niet meer zien zitten op school, dan zoeken alle betrokkenen samen naar oplossingen. Deeltijds onderwijs of leercontracten kunnen een oplossing bieden. «Resultaten van die opvolging zie je pas na een paar jaar», zegt Paul Strubbe. «Na verloop van tijd weten de leerlingen waar we hier op school mee bezig zijn. Wij leggen de stukjes van de puzzel samen. Maar dan komt het erop aan die leerling opnieuw te motiveren, en dat is vaak een zaak van in de klas zelf.»

Verloren minuten

«Motiveren heeft meestal te maken met wie er vooraan staat», vindt Mark Holsteens.«Daarom praten we regelmatig met de leerkrachten, bijvoorbeeld in vakgroepen, over hoe we de lessen interessanter kunnen maken. Voor leerlingen én leerkrachten. Ze wisselen ideeën uit voor leuke lessen, voor andere werkvormen. Hoe maken we lessen actiever? Hoe werk je apathie tegen? Het begin van een les bijvoorbeeld is heel belangrijk. Begin maar gewoon met een sympathieke begroeting of structureer even al bij het inleiden, zodat de leerlingen weten wat ze kunnen verwachten. Ik vind dat er bij het begin van een les gerust een paar 'verloren minuten' mogen zijn, want die minuten zijn helemaal niet verloren. We houden ook klassenraden mét leerlingen.» Dat blijkt niet alleen interessant voor de communicatie, maar het geeft achteraf vooral een goed gevoel bij beide partijen. Leerkrachten en leerlingen hebben de indruk aan hetzelfde zeel te trekken. «We besteden ook veel zorg aan hoe we de leerlingen evalueren. Zeer duidelijke afspraken maken is essentieel, vooral in verband met de doelstellingen. Als je daarover zeer goed communiceert met de leerlingen, vang je faalangst op. We zijn voorstander van aangekondigde toetsen, waarbij de leerlingen telkens afgewerkte gehelen herhalen. Vanaf de tweede graad bouwen we dat langzaamaan op. Ik weet dat dan het risico bestaat dat ze hun lessen niet regelmatig bijhouden, maar door de frequentie aan te passen, leren ze dat. Verbeteren is toch beter maken?»

Garageblok

Het idee geen werk te vinden, geen vooruitzichten te hebben, speelt een grote rol bij schoolmoeheid. Vooral in de BuSO-school is dat merkbaar. «Voor de meesten van onze leerlingen is dit het einde van hun opleiding», verklaart Paul Strubbe. Daarom wil de school hen graag motiveren toch vol te houden. Zo hebben ze tenminste een diploma secundair in handen, wat voor het zelfbeeld van de leerlingen zo belangrijk is. «We moeten zoeken naar manieren om in te spelen op hun behoeften. We proberen zo concreet mogelijk les te geven. Het is veel motiverender om een garageblok te renoveren hier op school dan in een werkplaats een muurtje te moeten bouwen waarvan je weet dat je dat straks weer moet afbreken.» De leerlingen werken aan een eindproduct dat ze kunnen zien, waar ze fier op kunnen zijn, waar ze de zin van inzien. Bij vakken algemene vorming is dat misschien minder evident. «Daar is het vaak verdraaid moeilijk om te blijven zoeken naar actieve werkvormen. Vakken bestaan niet in de realiteit en die kunstmatige indeling moeten we doorbreken. Het komt er immers niet op aan een mooi cursusje te maken, maar de inhoud naar de leerling te vertalen. We staan daar soms niet genoeg bij stil. »

Figurant

Ook ouders spelen een hoofdrol. Zij moeten betrokken zijn als een school haar leerlingen wil motiveren. Beide scholen besteden veel aandacht aan het contact met de ouders. In Bokrijk is er naast het gewone oudercontact informeel en regelmatig contact. Ouders weten dat ze de leerkrachten spontaan mogen aanspreken. In Assebroek brengt elke klastitularis tussen eind oktober en half november het eerste rapport van de leerlingen thuis. «We verwachten niet dat ouders de eerste stap zetten», legt Paul Strubbe uit. «95 procent van de ouders vindt het prettig dat de school dat doet. Een paar ouders hebben het daar lastig mee. Soms heeft dat gewoon met schaamte over de thuissituatie te maken.» De klastitularis heeft door dit contact zicht op de thuissituatie van zijn leerlingen. Hij brengt verslag uit bij de andere leerkrachten. De vragen van de ouders volgen ze nauwkeurig op. Het blijkt veel gemakkelijker om daarna met de ouders contact op te nemen. Zij hebben een gezicht en ook de school is niet meer anoniem voor hen. Het vergt een grote inspanning van de leerkrachten, maar ze zien er het nut van in. Er is niemand die zegt: nu ook dát nog.

Vallen

Systematisch aandacht besteden aan schoolmoeheid werpt vruchten af. Als de leerlingen voelen dat ze nauwkeurig gevolgd worden, dat ze bij hun leerkrachten terecht kunnen, dan voelen ze zich goed op school. «Soms lukt het eens niet», vertelt Paul Strubbe. «Een meisje van 18, laatstejaars houtbewerking, haakt plotseling af. Geen tekenen van schoolmoeheid. We staan voor een raadsel. Haar medeleerlingen weten van niets. Ze was het enige meisje in een jongensklas en ze werd er op handen gedragen. We hebben met alle middelen geprobeerd haar weer te motiveren. In november is ze gestopt op school en onze laatste brief is net weg. Wat kunnen we nog doen? Ze is natuurlijk niet meer leerplichtig. Een spijtige zaak toch? Maar in het overgrote gedeelte van de spijbel- of afhaakgevallen hebben wij succes omdat we er vlug bij zijn. Een week wachten is al te lang. Regelmaat is van groot belang. Zo laat je de belangstelling van de school blijken voor de leerling. Je geeft de boodschap: wij laten je niet vallen, met ons kan je praten, we geven het niet op, kunnen we helpen?»

13 halve dagen

Dat is de gemiddelde afwezigheidsduur van de leerlingen in de 56 scholen in Brussel, Antwerpen, Gent, Brugge, Hasselt en Genk die deelnamen aan het experiment leerplichtcontrole van het departement Onderwijs. Uit het experiment blijkt zeer duidelijk het verband tussen aan de ene kant het aantal afwezigheden van de leerlingen, en aan de andere kant de onderwijsvorm of het attest dat de leerlingen in een vorig schooljaar meekregen. Ook de leerachterstand die een leerling heeft opgelopen en het feit dat hij zich later of vroeger in het schooljaar in- of uitschrijft, heeft invloed op het aantal afwezigheden.14 procent van de jongeren in het experiment behoren, wat spijbelen betreft, tot de risicogroep.

· In de 56 scholen zijn ASO-leerlingen gemiddeld 11 halve dagen afwezig, in het TSO zijn dat er 13. In BSO, KSO en BuSO 19 en en in het DBSO 25.

· Leerlingen die met een A-of B-attest het vorige jaar verlieten, zijn 12 tot 14 halve dagen afwezig, maar leerlingen met een C-attest 21. De gemiddelde afwezigheidsduur bij een C-attest stijgt trouwens met het leerjaar, van 17 halve dagen in het tweede leerjaar naar 24 in het zesde.

· Leerlingen zonder enige leerachterstand blijven ongeveer 9 halve dagen weg van school. Zij die één jaar achterstand opliepen zijn ongeveer 15 halve dagen afwezig. Bij twee jaar achterstand wordt dat al 19 halve dagen, en bij drie jaar 25.

· Leerlingen die zich laattijdig in een school inschrijven, of ze vroegtijdig verlaten, zijn gemiddeld tweemaal meer afwezig dan de anderen.

Wil u meer informatie over schoolmoeheid en preventieprojecten, of over het experiment leerplichtcontrole, dan kan u contact opnemen met Christine Dupont en Bea Vandewiele - Rijksadministratief Centrum (RAC) - Arcadengebouw - 1010 Brussel - tel 02-210 50 69 en 02-210 51 29.

· Een lijst met publicaties over dit thema kan u gratis aanvragen bij het departement Onderwijs. Adiov - Koningsstraat 71 - 1000 Brussel - tel 02-219 77 99 - fax 02- 219 77 73.

· De brochure Probleemgedrag op school. Een handleiding van het Comité Bijzondere Jeugdzorg van Brugge bevat een overzicht van een aantal problemen die zich kunnen voordoen in de klas en hoe je ermee om kan gaan. De map kost slechts 300 fr (verzendingskosten inbegrepen). U kan ze bestellen bij Comité Bijzondere Jeugdzorg - Zandstraat 255 - 8200 St.Andries-Brugge - tel 050-45 41 00 of 050-45 41 06 of 050-45 41 14 - fax 050-31 72 07.

· Ook leerlingen en ouders motiveren elkaar deze maand in Klasse voor Jongeren en Klasse voor Ouders. Klasse voor Leerkrachten 83, maart 1998, p. 10-11