Deze website draagt het AnySurferlabel, een Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites. Meer informatie vindt u op www.anysurfer.be.

Dit is een artikel uit Klasse voor Leraren 88. Mogelijk zijn niet alle vermelde cijfergegevens, adressen, telefoonnummers, websites, etc. nog actueel.

09/10/98

Faalangst

Angst in de klas

Eén op tien leerlingen lijdt aan een ernstige vorm van faalangst. Ze halen slechte cijfers omdat ze bang zijn. Bang om te mislukken, bang om niet aan de verwachtingen te voldoen die ouders, leerkrachten of zijzelf vooropstellen. Ze hebben hoofdpijn, maagkrampen of hartkloppingen. Ze hyperventileren of zijn overgevoelig.

Faalangst kent iedereen: je voelt het in situaties waarin je een prestatie moet leveren die anderen beoordelen. Het wordt een probleem als je er niet mee kan omgaan.

Karen, leerkracht:
«Je mag fouten maken»

«Ze zaten allebei in mijn klas, twee totale tegenstellingen. Ik besefte niet dat ze beiden faalangst hadden. Tim is een van de ijverigen. Altijd zijn de huistaken tot in de puntjes in orde, hij werkt heel goed mee in de klas. Daarom begreep ik niet direct waarom zijn cijfers nooit echt goed waren. Tot ik met zijn ouders praatte. Bleek dat hij tot laat elke avond studeert, dat hij alle buitenschoolse activiteiten heeft opgegeven, en dat hij zich ongewoon zenuwachtig maakt bij elke toets die eraan komt. En dan hebben we Claudia. Altijd nonchalant, altijd ongeïnteresseerd. Voert geen steek uit voor school. Is bijna altijd 'ziek' als er een aangekondigde toets op het programma staat. Alle leerkrachten klagen over haar. Maar als je met haar praat, voel je haar grote onzekerheid. Ze vindt het beter dat we haar lui noemen dan dom. Nu probeer ik zowel Tim als Claudia individueel te begeleiden. Ik laat ze in de eerste plaats zo veel mogelijk met rust. Ze krijgen de tijd die nodig is om een taak af te werken. Na elke test probeer ik samen met hen op zoek te gaan naar waar de fouten zaten. Vooral leg ik er de nadruk op dat fouten maken mag. Ze moeten bij mij nooit vooraan in de klas antwoorden. Als ze een spreekbeurt moeten houden, dan mogen ze dat alleen aan mij komen vertellen. De boodschap is: doe je best en dat is meer dan genoeg.»

het probleem

wat? Op voorhand bang

Iedereen is bang om bij een belangrijke taak te falen. Faalangst stimuleert de ene leerling tot beter presteren, maar werkt bij de andere verlammend. Wie last heeft van negatieve faalangst presteert onder zijn mogelijkheden. Bij elke taak is hij al op voorhand bang die niet tot een goed einde te kunnen brengen.

waar en wanneer? Goed beter best

Faalangst is geen persoonlijk kenmerk. Het ontstaat onder twee voorwaarden.

  • Enerzijds gelooft de leerling dat als hij mislukt een aantal belangrijke waarden worden bedreigd:
    • De leerling is bang een gevoel van zelfwaarde te verliezen. («Ik kan toch niks.»)
    • Hij vreest een negatieve appreciatie door zijn leerkracht, ouders of klasgenoten. («Dommerik!»)
    • Hij is ook bang de geborgenheid en persoonlijke relaties met ouders of leerkracht te verliezen. («Dat had ik niet verwacht van jou.»)
    • Zijn eigen ambities voor studie en beroep komen in het gedrang. Hij heeft angst voor de angst en het psychisch en fysiek lijden tijdens testmomenten. («Als ik geen acht haal»)
  • Anderzijds is hij ervan overtuigd - vaak ten onrechte - dat de kans op mislukken heel groot is.

Onze sterk prestatiegerichte maatschappij werkt faalangst in de hand. Scholen staan onder druk om succesvolle leerlingen af te leveren. Dat veroorzaakt veel nutteloze stress zoals faalangst.

hoe? Bibberen en beven

De angst om te mislukken veroorzaakt lichamelijke reacties: hartkloppingen, zweten, maagklachten, slapeloosheid, hyperventilatie, trillen. Bovendien zit de leerling tijdens de test te piekeren over mislukken en de gevolgen ervan. Daardoor vermindert zijn concentratie.

wie? Druk te groot

De school geeft veel taken. Voor sommige leerlingen is de druk te groot om een bepaald resultaat binnen een bepaalde tijd te halen. Zij kunnen faalangst krijgen. Overbescherming, veel negatieve ervaringen of beperkte capaciteiten en hoge verwachtingen kunnen faalangst veroorzaken. Leerlingen die erg negatief denken over zichzelf, weinig zelfvertrouwen hebben, kunnen niet met overtuiging, gemotiveerd of zelfverzekerd een taak uitvoeren.

Mogelijke signalen van een faalangstige

  • Hij piekert veel, denkt negatief over zichzelf, heeft een gevoel van minderwaardigheid, is bezig met al wat kan mislopen.
  • Lichamelijke signalen: hij heeft vaak hoofdpijn, maag- en buikpijn of is misselijk, hij zweet en trilt of heeft last van hyperventilatie; soms ook uit zich de faalangst in overbeweeglijkheid.
  • Gedrag: faalangstigen zijn vaak verlegen, gesloten, doen zelden mee aan een klasgesprek; soms ook hangen ze de clown uit en kunnen ze niet stilzitten.

gevolgen? Rode pen

Faalangstigen schatten zichzelf negatief in. Ze gebruiken graag de rode pen voor zichzelf en gaan altijd eerst op zoek naar wat fout liep. Vaak hebben ze al heel wat kritiek geslikt en geloven dat ze inderdaad dom of lui zijn. Anderen vluchten bij elke uitdaging met «Ik kan dat toch niet.» Slagen doen ze af als geluk of toeval, ze steken zelden de pluim op eigen hoed. Faalangst kan schoolmoeheid veroorzaken.

de aanpak

op individueel niveau

De faalangstige

  • Praat met de leerling over zijn angst vanuit een vertrouwensrelatie. Neem hem en wat hij zegt ernstig. Laat hem voelen dat je hem aanvaardt en dat je waardering niets te maken heeft met zijn prestaties en resultaten.
  • Een kind met faalangst is heel gevoelig voor negatieve opmerkingen. Let dus zeer goed op wat je zegt tegen hem. Vind een evenwicht tussen positieve en negatieve uitspraken als je het over prestaties hebt. Geef vooral positieve feedback. Benadruk wat goed loopt.
  • Laat merken dat mislukken mag, ook als het schooltaken betreft. Niemand is perfect. Als je een toets teruggeeft, help hem inzien dat hij kan leren uit fouten.
  • Zoek met de leerling naar de verklaring van zijn succes of mislukking: benadruk eigen aandeel in succes. Een taak lukt omdat het kind hiervoor inspanningen heeft gedaan, een taak mislukt doordat hij een slechte dag had of doordat hij zich ziek voelde of... Laat hem voelen dat hij dat kan sturen.
  • Maak duidelijk dat bang zijn menselijk is. Laat hem over zijn angsten praten. Vertel dat gevoelens zoals angst veroorzaakt worden door bepaalde gedachten en dat hij die gedachten kan sturen. Dat hij negatieve gedachten kan vervangen door positieve.
  • Er zijn veel niveaus in faalangst. Kinderen die langere tijd zeer veel last hebben van faalangst, die twijfelen aan elke stap die ze zetten, kunnen hier maar uitgeraken door een deskundige hulp. Je neemt dan het best contact op met het CLB, dat dan eventueel nog kan doorverwijzen voor meer gespecialiseerde hulp.

op klasniveau

interactie leerling - leerkracht

  • Zorg voor een vriendelijke, niet bedreigende klassfeer.
  • Houd je gedrag voorspelbaar. Reageer gelijk op gelijke situaties. Zeg en doe wat je werkelijk bedoelt.
  • Behandel de leerlingen zoals je wil dat zij jou behandelen.
  • Stel realistische maar optimistische verwachtingen: «Deze toets is wel moeilijk, maar haalbaar.»

bij nieuwe leerstof

  • Geef precies aan wat de kern is. Zeg duidelijk wat de leerlingen moeten kennen en kunnen binnen welk tijdsbestek. Geef tijdig heldere en volledige richtlijnen.
  • Controleer tijdens de les regelmatig of iedereen de leerstof heeft begrepen en kan volgen.

bij toetsen

  • Formuleer de toetsopdracht helder en bondig. Geef aan welke opdrachten volstaan om te slagen. Stel de vragen van gemakkelijk naar moeilijk. Begin ook met herkenbare opdrachten.
  • Help de leerlingen om zich gericht voor te bereiden op een taak of toets. «Dit is belangrijk.»
  • Help leerlingen hun doel af te stemmen op hun capaciteiten, zodat ze geen onrealistische verwachtingen hebben.
  • Geef hen voldoende tijd en hulp als ze met een opdracht bezig zijn.
  • Kondig toetsen bij voorkeur aan.
  • Laat leerlingen vragen beantwoorden op hun eigen plaats. Faalangstige leerlingen vooraan laten komen is een ramp voor hen.
  • Deel de cijfers zo vlug mogelijk mee en verbeter toetsen onmiddellijk samen.

op schoolniveau

collega's

Praat met je collega's over leerlingen van wie je vermoedt of weet dat ze faalangstig zijn. Vergelijk elkaars ervaringen en zoek samen naar oplossingen. Maak een paar duidelijke afspraken waar iedereen zich aan houdt.

  • Je kan bijvoorbeeld een weekschema aanhouden voor toetsen of taken: dinsdag Frans, woensdag wiskunde...
  • Spreek af dat de leerling geen toetsen of spreekbeurten vooraan in de klas moet maken.
  • Kom overeen verbeteringen zo snel mogelijk terug te geven en tijd te besteden aan de klassikale en individuele bespreking ervan.

ouders

Ouders van faalangstige kinderen beseffen soms niet dat zij daar zelf de oorzaak van zijn. Hoe kan je hen helpen? Acht tips die je ouders kan geven:

  • Geef even veel aandacht aan de inspanningen van je kind («Goed geprobeerd») als aan het resultaat.
  • Verwacht niet meer van je kind dan wat hij aankan.
  • Zorg voor evenwicht tussen inspanning en ontspanning. Vermijd sport waar competitie centraal staat.
  • Ga niet in op het vermijdingsgedrag van je kind («Ik wil niet naar school»). Door toe te geven, geeft je hem niet de kans te leren omgaan met stress en mislukking.
  • Blijf rustig en vermijd emotionele scènes. Neem geen werk van je kind over.
  • Stel een positief denklijstje op. Werk een haalbare tijdsplanning uit om je kind te ondersteunen.
  • Let op met medicatie. Het biedt geen oplossing voor faalangst en kan verslavend werken of ongewenste neveneffecten hebben.
  • Aarzel niet om, indien nodig, naar het CLB te stappen.

de preventie

school zonder faalangst twaalf tips

  1. In een vriendelijke, open sfeer willen leerlingen praten over hun gedachten en gevoelens.
  2. Presteren is niet het enige wat telt op school of thuis. Leerlingen krijgen de kans uit hun fouten te leren. Geef even veel aandacht aan de inspanningen «Goed geprobeerd», als aan het resultaat.
  3. Een leerkracht kan gemakkelijk tonen dat hij een leerling niet minder acht of mag als die faalt op taken of toetsen. Dat sterkt zelfvertrouwen en motivatie.
  4. Zorg voor positieve, intrinsieke motivatie bij de leerlingen. Ze voeren een taak uit omdat ze die boeiend, verrijkend, interessant vinden, niet omdat ze er een cijfer voor krijgen.
  5. Een beperkt aantal zeer duidelijke regels worden consequent toegepast. Afspraken i.v.m. toetsen helpen de leerlingen om zich beter en rustiger voor te bereiden.
  6. Op school heerst een vast ritme dat rustgevend werkt. Elk kind heeft ook ontspanning nodig naast inspanning.
  7. Overbevolking, overdreven drukke inrichting, overdreven lawaai werken negatief. De infrastructuur van de school (speelplaats, gangen, klaslokalen) is rustgevend.
  8. Tijdens spannende periodes is het rustig. Examenperiodes mogen kinderen niet opjagen of overdreven opgepept gedrag van kinderen en leerkrachten uitlokken.
  9. Relaxatie-oefeningen kunnen leerlingen een goede basis van rust en veiligheid geven. Je kan afspreken met andere leerkrachten, bijvoorbeeld de leerkracht lichamelijke opvoeding, om dergelijke oefeningen aan te leren.
  10. Maak afspraken met andere leerkrachten (over toetsen, positieve feedback).
  11. Een goede communicatie met de ouders zorgt ervoor dat eventuele faalangst bij een leerling vlugger wordt opgemerkt.
  12. Maak leerlingen en hun ouders duidelijk waar ze terecht kunnen als er een probleem is (vertrouwenspersoon, PMS...).

Angst is goed

Angst is een reactie van ons lichaam op een dreigend gevaar. Bij gevaar heb je twee keuzemogelijkheden: aanvallen of vluchten. Wat je doet, hangt af van de kans die je denkt te hebben op winnen of verliezen. Angst kan verlammend werken, maar kan ook stimuleren. Vroegere soortgelijke ervaringen bepalen je keuze mee. Daarom ook zal je in de ene situatie wel, in de andere niet angstig reageren.

Leerlingen weten dat ze op hun prestaties worden beoordeeld. Ze weten ook dat het resultaat van henzelf afhangt, van aanleg, talenten of geleverde inspanning. Leerlingen willen tegelijk succes boeken en mislukking vermijden. Dat is prestatiemotivatie. Het is menselijk bang te zijn om te falen. Bij de meeste leerlingen werkt die faalangst stimulerend.

«Ik wil geen zessen»

Leerkrachten of ouders dreigen soms met cijfers, toetsen en zelfs zittenblijven. Ouders kiezen vaak een school waar leerlingen het «niet te gemakkelijk moeten hebben, want daar worden ze alleen maar lui van». Sommige kinderen blokkeren op dit soort 'strengheid' met een enorme faalangst. Kinderen doen niets liever dan bijleren, zich ontwikkelen. In een leervriendelijke school staan verkennen, exploreren en nieuwsgierig zijn centraal: het kind is er onderwerp, geen voorwerp. De leerstof sluit aan bij de behoeften en de leefwereld van het kind. De eigen visie van de school is daarbij zeer belangrijk. Die is af te lezen uit het schoolwerkplan.

Spiekbriefje

Soms kan een klein spiekbriefje bij faalangstige kinderen wonderen doen:

1. Ik heb mijn les geleerd.

2. Als ik rustig ben, kan ik beter antwoorden.

3. Als ik diep ademhaal, kan ik me meer herinneren.

4. Iedereen maakt fouten.

5. Als ik een fout maak, krijg ik de kans die te verbeteren.

Je kan meer over faalangst lezen in:

Het Klassedossier op www.klasse.be/dossier/faalangst

"Ik kan dat niet", zegt mijn kind. - Marc Litière - Lannoo - www.lannoo.be

Faalangst op school: basisboek - A. Nieuwenbroek - EPN - www.kpcgroep.nl

De bibliotheek bij het SISO-nummer 416.5 (trefwoord angst).

Voor meer ondersteuning neem je contact op met de schoolbegeleiding of het CLB dat aan de school verbonden is.Klasse voor Leerkrachten 88, oktober 1998, p. 45-49