Deze website draagt het AnySurferlabel, een Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites. Meer informatie vindt u op www.anysurfer.be.

advertentie

Dit is een artikel uit Klasse voor Leraren 38. Mogelijk zijn niet alle vermelde cijfergegevens, adressen, telefoonnummers, websites, etc. nog actueel.

01/10/93

De verloren eer van de meester

Het beeld van de leraar als absolute alleenheerser in de eigen klas heeft de vele onderwijsvernieuwingen overleefd. Het is nochtans volledig achterhaald. Je kan de leraar niet los zien van zijn school. Wie de status van de leraar wil verhogen moet dan ook resoluut de school herwaarderen. Die is geen optelsom van haar individuele leraars. En zijzelf zijn niet langer alleen heer en meester in hun klas. Wie betere leraars wil moet werken aan betere scholen. En liefst ook tegelijk aan alle andere oorzaken van de verloren eer van de meester.Het debat over de onderwijskwaliteit van de jaren negentig spitst zich onder meer toe op de kwaliteit van de leraar. Dan wordt gewoonlijk ook betreurd of vastgesteld dat hij zijn status in de samenleving steeds verder ziet afkalven. Hoe komt dat? Wie ziet hoe het onderwijs binnen de maatschappij steeds meer onder sociaal-economische druk staat en naar nut en efficiëntie wordt bevraagd, verwondert zich daarover niet. De school is een instelling waar de samenleving alle problemen dumpt, waarvoor ze geen onmiddellijke en pasklare oplossing heeft. Er is geen probleem zo groot (AIDS, verkeersslachtoffers, vandalisme, gebrek aan verdraagzaamheid, xenofobie, achteruitgang van de lichamelijke conditie) of de school hoort het op te lossen. Dit soort onderwijsconsumentisme tast de vereiste autonomie van het onderwijs aan. De leraars zijn daarvan de eerste slachtoffers. Hun onderwijs wordt een gewoon marktprodukt. Kunnen we die statuserosie nog tegengaan?

Diploma's minder waard

De status van bepaalde beroepen hangt nauw samen met de waardering die we hebben voor het niveau, de inhoud en de duur van de opleiding die eraan voorafgaat. Dat bepaalt de waarde van het diploma.

De toenemende deelname aan het hoger onderwijs is verantwoordelijk voor een diplomadeflatie. Wat in groot aantal beschikbaar is, vermindert in marktwaarde. Diploma's waarmee leraars hun job mogen uitoefenen, zouden bij schaarste meer in trek zijn. In het recente verleden was er meestal een teveel aan leraars. Het tekort dat zich voor sommige functies stilaan aandient, is mee veroorzaakt door de precaire situatie van het lerarenstatuut en de lage waardering voor het beroep.

Omdat het beroep onvoldoende hoog in aanzien staat, wordt het door waardevolle kandidaten niet langer gekozen. Veel universiteitsstudenten zetten zich niet meer in voor een aggregaat en de lerarenopleiding moet uit steeds lagere niveaus recruteren. Het niveau van de nieuwe leraars kan dan ook alleen op peil blijven als de neerwaartse spiraal wordt gestopt en de opleiding wordt geherwaardeerd. Ze moet niet alleen aantrekkelijker worden maar de nieuwe leraars ook nieuwe dingen leren, aangepast aan een gewijzigde samenleving waarin leerkrachten soepel en mobiel moeten zijn.

Meer verdienen

Een ander middel om het beroep meer aanzien te geven is een hoger salaris, al wordt ook hierbij erkend dat die maatregel op zich niet zal volstaan voor de beoogde herwaardering. Het gaat om het geheel van werkvoorwaarden: goed salaris, een soepele werkregeling, een aantrekkelijk statuut, nascholingsmogelijkheden, een goede schoolorganisatie enz.

Volgens het IMTEC-rapport trekken meer gemotiveerde leraars vanzelf hun beroepsprestige op en werkt een positief zelfbeeld aanstekelijk op de omgeving. Mooi gezegd, maar ga dat maar eens uitleggen aan leraars en directies die te maken hebben met boventalligheid, terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze strakke reguleringen zijn gebonden aan de regeling van de bevoegdheidsbewijzen, de concordantieregels, de rechtspositie en de verlofstelsels. Het personeelsbeleid van een school is daardoor zo ingewikkeld en strikt van bovenaf gestuurd, dat het vervreemdend werkt en haast elke positieve planning en (bij)sturing op termijn verhindert. Directies die een «human resources management» willen in de praktijk brengen, voelen er zich te veel door beknot.

Het IMTEC-rapport ziet een oplossing in meer lokale autonomie, schaalvergroting en samenwerking om de belangen van de school als organisatie te verzoenen met de rechtmatige personeelsverzuchtingen naar stabiliteit van betrekking, een minder vlakke loopbaan, een beloning naar verdienste, een erkenning van de professionele deskundigheid zonder dat de bekostigende overheid de rekening gepresenteerd krijgt.

Eilanden verlaten

De leraar en zijn klas zijn geen eiland meer. In het rapport heet het dat de kwaal «een verkeerd begrepen en achterhaalde opvatting is van een niet langer functionele professionele autonomie». Zo'n houding isoleert de leraar immers in het micro-gebeuren van zijn klas. Wie daarmee vrede neemt, werkt afgescheiden van zijn collega's, zijn school en vaak ook van de bredere maatschappij. Hij denkt dat hij heer en meester is van zijn klas. Nochtans ontsnappen hij en zijn leerlingen niet aan de ingrijpende invloed van de hele school, het ruime onderwijsbeleid en maatschappelijke evoluties (de zogeheten meso- en macroniveaus).

«De oude, beperkte professionaliteitsopvatting steunt op de illusie van een autonoom functionerende professional», zegt het rapport. En zo kan het dus niet langer. Het statusprobleem van de leraar aanpakken kan alleen als men bereid is resoluut de school te herwaarderen.

Betere leraars

Scholen zijn meer dan losse werkverbanden van onderwijskundige professionals, deskundig elk op hun terrein en daar in wezen enkel tegenover zichzelf verantwoordelijk voor de onderwijspraktijk van elke dag. Scholen horen ook meer te zijn dan een functioneel-organisatorisch geheel waarin beheersproblemen, administratieve taken en middelendistributie hun beslag krijgen. De herwaardering van de lerarenfunctie moet met de herwaardering van de school als instelling samen gaan. De professionals brengen er, afzonderlijk en in team, hun deskundigheid in om samen zowel onderwijskundig als beheers- en beleidsmatig de schoolorganisatie, haar structuur en cultuur, te sturen en te ontwikkelen. Deze ontwikkeling steunt op een open en brede professionaliteitsopvatting. Ze voegt een supplementaire waarde toe aan het onderwijsgebeuren van de klas. De leraar wint aan eigenwaarde naarmate hij zich in dat proces van verbetering en ontwikkeling van de schoolorganisatie weet in te schakelen, ertoe wordt opgeroepen en zich ervoor beloond weet. Het is in die richting dat we een oplossing voor de maatschappelijke herwaardering moeten zoeken: de individuele professionele autonomie inleveren om in team aan groepsdeskundigheid te winnen.

Geen encyclopedie

De hedendaagse leraar moet ook afleren een encyclopedie te willen zijn. Het heeft geen enkele zin te denken dat men zichzelf kan volstampen met kennis die men dan gedurende dertig jaar lost. Andere systemen dan het leraarsbrein zijn geschikter om de altijd veranderende kennis op te slaan.

Natuurlijk moet de leraar wel een vak -wiskunde, Nederlands, scheikunde- kennen, maar het is verkeerd te denken dat deze kennis het belangrijkste is. Hij gebruikt ze immers vooral om de leerlingen te laten ervaren wat leren is. Hij draagt geen inhouden over opdat anderen die hun leven lang zouden vasthouden, maar hij draagt inhouden beslist ook over wegens de vormende waarde ervan. Hij leert anderen hoe te leren, zodat ze gedurende een heel leven waarin leren voortdurend noodzakelijk zal zijn, hun weg kunnen vinden.

We moeten er dan ook mee ophouden in de opleiding van de leraars (beginopleiding, opleiding-tijdens-het-werk en bijscholing) de nadruk te leggen op de vakkennis. Een universitair die vier jaar Latijn en Grieks studeert zonder aan een klas te denken, en dan vlug vlug nog wat kennis van opvoedkunde en didactiek opsteekt, dat kan niet meer.

De opleiding van alle leerkrachten (kleuterleider, onderwijzer, regent, licentiaat) wordt ook het best in de ruimst mogelijke mate toevertrouwd aan Instituten voor Lerarenopleiding. Die zullen tenminste aandacht hebben voor wat leraars van encyclopedieën onderscheidt: ze moeten weten om te gaan met mensen die leren. Er moeten ook geschoolde mentoren komen (voor de begeleiding van stages van aspiranten) en supervisoren (voor de supervisie van de loopbaaningroei). Mentoraat en supervisie vereisen een eigen deskundigheid en horen niet langer thuis in een vrijblijvende sfeer van goedbedoeld amateurisme. Het zijn kaderfuncties die een eigen honorering verdienen.

Betere scholen

Betere leraars en betere lessen krijg je alleen in betere scholen. Om de kwaliteit te verbeteren van wat in de klas gebeurt, moeten we dus de school verbeteren. Dat kan volgens het rapport alleen als er een nieuwe professionaliteitsopvatting komt van het beroep van leraar. In de nieuwe beroepscode is iedereen samen verantwoordelijk voor het geheel van de onderwijsopvattingen en het schoolbeleid. De nieuwe professionele status van de leraar is dan ook afhankelijk van de kwaliteit van zijn interactie op elk niveau en van de rol die hem daarin is toegemeten: de klas, de school en het algemeen beleid.

Het hangt allemaal samen en wie maar één kwaaltje aanpakt bestrijdt alleen een symptoom in plaats van de hele ziekte. Het IMTEC-rapport zet de onderdelen waaraan voor een algemene herwaardering moet worden gewerkt op een rijtje: de opleiding van nieuwe leraars en de professionele navorming van wie al aan de slag is, zowel de materiële als de immateriële verloningssystemen, de werkvoorwaarden en de betrokkenheid van alle leerkrachten bij de organisatie, hun carrièreperspectieven en loopbaanvooruitzichten, de onderwijsvisie en organisatiestructuur, de reglementering en het autonomiebeleid, de taakopvatting en de arbeidstevredenheid en de motivatie van elke leraar.

«Er zijn diverse hefbomen die elk maar een beperkt effect hebben, maar samen een krachtige impuls van kwaliteitsverbetering geven», zegt het rapport. «Het welbevinden als leraar is afhankelijk van het goed functioneren binnen en samen met het hele schoolteam. Daarvan straalt een professionele deskundigheid naar buiten uit waardoor het beroepsprestige vanzelf aan waardering zal winnen.

De sleutel voor een betere status van de leraar ligt dan ook in een betere school, waarvoor het onderwijsbeleid van de overheid een aantal voorwaarden moet scheppen.»Klasse voor Leerkrachten 38, oktober 1993, p. 6-7