Deze website draagt het AnySurferlabel, een Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites. Meer informatie vindt u op www.anysurfer.be.

advertentie

Dit is een artikel uit Klasse voor Leraren 124. Mogelijk zijn niet alle vermelde cijfergegevens, adressen, telefoonnummers, websites, etc. nog actueel.

01/04/02

Eén student op drie is supergemotiveerd

Zijn er andere studenten dan blokbeesten en bierdrinkers? Welke kant kunnen leerlingen van de derde graad secundair uitgaan? Psychologe Sarah De Jaeger schetst in haar licentiaatsverhandeling het profiel van 782 universiteitsstudenten: hun studiegewoonten, hun motivatie, hun faalangst en zelfvertrouwen. Ze werpt een blik in hun asbak en in hun doos met leeggoed. Zes types studenten, exclusief in Klasse.1. «Het kan me niets schelen»

Jan brost veel. Studeren staat bij hem onderaan het activiteitenlijstje en het zal hem worst wezen of hij slaagt of niet.. Daarom zal hij ook tijdens de examens niet veel studeren. Als hij goed presteert, geniet hij daar weinig van. Net zomin voelt hij zich kwaad of ongelukkig, als een examen tegenvalt. Als hij eens een studieplanning opstelt, wijkt hij er snel weer vanaf, want andere activiteiten hebben voorrang. Nochtans besteedt Jan niet echt veel tijd aan actieve ontspanning. Het liefst nog zit hij op café. Alcohol is populair bij studenten als Jan, maar hij heeft weinig echt goede contacten met medestudenten. Thuis kampt hij bovendien met heel wat conflicten. Jan behoort tot het type apathische studenten. Zij vormen 1,5 procent van de totale studentenbevolking, waarvan drie kwart jongens.

2. «Niets houdt me tegen, ik weet wat ik wil»

Erica (of was het nu Tom?) hecht veel belang aan haar studie. Ze steekt er veel tijd in, zowel tijdens het jaar als tijdens de examens, en ze weet wat ze kan. Een goed resultaat zal haar niet echt verrassen, al zal ze er wel van genieten. Omdat ze goed kan inschatten wanneer ze de leerstof beheerst, vindt ze ook voldoende tijd voor actieve ontspanning. Erica brost weinig en plant veel, maar geen enkele planning wordt haar keurslijf. Studenten als Erica zijn goed sociaal geïntegreerd en hebben thuis weinig conflicten. Ze voelen zich heel goed in hun vel, gebruiken weinig medicatie en hebben weinig behoefte aan sigaretten, alcohol of stimulerende dranken. Van een slechte prestatie zit Erica niet lang in de put. Het motiveert haar om het de volgende keer beter te doen. Zoals bijna 32 procent van alle studenten en bijna evenveel jongens als meisjes is Erica een optimaal gemotiveerde student.

3. «Er valt toch niets aan te doen»

Studeren is bijzonder belangrijk voor Titia. Dat valt niet zozeer af te leiden uit de vele uren dat ze studeert, maar uit de rist negatieve emoties die ze ervaart na een slechte prestatie. Ze weet haar eigen kunnen maar moeilijk in te schatten en denkt daar meestal negatief over. Hierdoor kan een goede prestatie haar compleet verrassen. Ze schrijft die niet toe aan zichzelf, maar bijvoorbeeld aan het toeval. Haar faalangst wordt daarom zo groot dat ze veel uitstelt en tamelijk veel pillen slikt: slaapmiddelen, pijnstillers of kalmeermiddelen. Studenten als Titia roken gemakkelijk. Aan actieve ontspanning besteedt ze weinig tijd en ze voelt zich zelden echt goed in haar vel. Als haar studieresultaten tegenvallen, voelt ze zich schuldig en maakt ze zich ook kwaad op anderen. Tegenvallers motiveren haar niet om het de volgende keer beter te doen. Slechts 3,2 procent van alle studenten is passief faalangstig, zoals Titia, maar in niet minder dan 88 procent van de gevallen gaat het om meisjes.

4. «Dat heb ik goed voor mekaar gebracht, niet?»

Uren per dag studeert ze. Voor Kathleen is studeren een prioriteit. Maar veel vertrouwen in haar eigen capaciteiten heeft ze niet en ze is bang om te falen. Daardoor vindt ze maar moeilijk een evenwicht tussen haar studie en actieve ontspanning. Ze klampt zich aan haar planning vast en maakt zelden plaats voor andere activiteiten. Eigen comfort vindt Kathleen niet belangrijk. Alcohol drinkt ze niet, maar pepdranken als cola of koffie gaan grif op. Kathleen slikt ook slaap- of kalmeermiddelen, of pijnstillers. Ze voelt zich daarom niet echt goed in haar vel. Tijdens de examens ervaart ze veel negatieve emoties. Nochtans kan ze van een goed resultaat genieten, vaak voelt ze zich ook opgelucht en verrast. Maar als het misloopt, moeten anderen het ontgelden. Kathleen is actief faalangstig, net als bijna 22 procent van alle studenten, waarvan 79 procent meisjes.

5. «Eerst nog een pint»

Voor Hans is studeren niet het belangrijkste in het leven en dus steekt hij er weinig tijd in. Toch slaat hij zich er meestal, met een minimum aan inspanning, doorheen. Angst om te falen heeft hij evenmin en dus neemt hij geen medicatie. Zijn zelfvertrouwen is zo groot dat hij geregeld brost en geen planning inbouwt. Eigen comfort of ontspanning zouden hem daar toch van doen afwijken. Hans is niet vies van een sigaret en alcohol drinken past bij zijn joie-de-vivre. Studenten als Hans voelen zich goed in hun vel, maar thuis botst het soms. Als Hans goed presteert, springt hij geen gat in het plafond. Vallen de prestaties tegen, dan komen er ook maar weinig negatieve gevoelens boven. Pragmatische studenten, zoals Hans, vertegenwoordigen bijna 15 procent van het studentenvolkje. 68 procent daarvan zijn jongens.

6. «Klinkt het niet, dan botst het»

Gulan vindt haar studie belangrijk, maar laat er niet alles voor vallen. Tijdens het academiejaar besteedt ze vrij weinig aandacht aan haar studie. Ze plant weinig en durft geregeld brossen. Tegen alcohol, sigaretten en pepdranken zegt ze niet nee, en ze ligt goed in de groep. Tijdens de examens studeert Gulan meer. Veel faalangst heeft ze niet en ze gebruikt weinig medicatie. Als een examen mee- of tegenvalt, reageert Gulan gematigd, ze kent geen hoge pieken of diepe dalen. Gulan is, zoals meer dan 27 procent van haar collega's, een modaal student. Ook hier zijn de meisjes met 61 procent in de meerderheid.

Een studententypologie op basis van prestatiemotivatie en faalangst, licentiaatverhandeling van Sarah De Jaeger. Dit onderzoek kwam tot stand vanuit het Centrum voor Motivatiepsychologie - Katholieke Universiteit Leuven - Tiensestraat 102 - 3000 Leuven, onder promotie van prof. W. Lens en prof. E. Depreeuw. Voor de volledige studie wendt u zich tot prof. Eric Depreeuw - Vrijheidslaan 17 - 1081 Brussel - tel. 02 412 43 65 - eric.depreeuw@kubrussel.ac.be

Klasse voor Leerkrachten 124, april 2002, p. 44-45