Leren leren

schrijf een reactie

Gedemotiveerde leerlingen, onderpresteerders, spijbelaars, verontrustende statistieken over zittenblijvers en slaagcijfers… Vaak is het niet de leerstof die de leerlingen de das omdoet, maar de manier waarop ze met leerstof omgaan. We leren kinderen rekenen, schrijven, met mes en vork eten, fietsen en zwemmen. Leren we ze ook leren? In deze bijdrage vind je een aanzet.

Graag en zelfstandig leren

Wie in deze wereld meewil, moet meer dan alleen vakbekwaam zijn. Hij moet ook flexibel zijn, inventief, kunnen samenwerken Bovendien wordt steeds meer een beroep gedaan op het zelfstandig leervermogen van mensen om ‘bij te blijven’. Mensen moeten hun leven lang leren. En dat kan enkel als je zelfstandig hebt leren leren. Levenslang leren lijkt een veroordeling, maar het is de ultieme uitdaging in het onderwijs: niet kennisoverdracht, maar vaardigheidstraining. Niet meer alleen: ‘Wat moeten we hen leren?’ maar: ‘Hoe helpen we leerlingen graag en zelfstandig leren?’ Zelfstandig leren wordt een doel van onderwijs in plaats van een middel tot betere resultaten. Bovendien zijn leerlingen die hun eigen leren kunnen sturen veel meer gemotiveerd. Dat zorgt dan weer voor minder probleemgedrag op school.

Mooie woorden. Maar wat van de praktijk?

Eva, leerkracht:

«Ik geef niet echt les»

«Ik gaf een stukje theorie en merkte dat de leerlingen achteruitschoven in hun banken. Ik wilde ze deze keer niet door mijn vingers laten glippen en liet ze meteen in groepjes met oefeningen beginnen en zelf de problemen ontdekken. Eerst was er wat gemor. Maar met behulp van elkaar losten ze de meeste problemen op. Af en toe zocht iemand iets op in het handboek. Aan het einde van de les liet ik hen enkele minuten vertellen over de problemen die ze hadden gehad en de manier waarop ze daar mee waren omgegaan. Ten slotte gaf ik een korte synthese van de overige theorie. Bijna alle leerlingen bleven de hele les actief betrokken. En de volgende week was ik verbluft over de resultaten van hun toets. Ik had de les niet echt ‘gegeven’, de leerlingen beweerden dat ze niet meer ‘geleerd’ hadden, maar toch had iedereen de stof veel beter onder de knie.»

de vaardigheid

Leren leren: meer dan leren studeren

We leren constant: terwijl we met vakmensen praten over een verbouwing, terwijl we een nieuw recept voor paella uitproberen

  • Leren is het verwerven van kennis, vaardigheden (fietsen, lezen, onderhandelen) en attitudes (kritische zin, leergierigheid, zelfzekerheid).
  • Leren (hoe je moet) leren is leren hoe je dat zo goed mogelijk aanpakt.

Leren leren is veel meer dan leren studeren, veel meer dan sneller lijstjes blokken of betere schema’s maken. Zelfstandig leren houdt in: informatie kunnen verwerven, verwerken en toepassen in allerlei situaties en ook jezelf kunnen motiveren. Je leert beter leren als je in staat bent je eigen manier van leren te observeren, te verrijken en bij te sturen waar nodig. En dat is niet alleen belangrijk voor het maken van huiswerk en het voorbereiden van toetsen. Het is een basisvaardigheid voor het leven.

Echt leren: plezant proces
Leren is natuurlijk: een kind leert zichzelf van nature voortdurend allerlei dingen. Omdat het dat zelf wil. Anderen kunnen daarbij helpen, maar leren moet zelfstandig gebeuren.

Leren is een activiteit: leren is iets wat men ‘doet’, niet iets wat men ‘ondergaat’. Leerkrachten die leerstof hebben ‘gezien’ of ‘gegeven’ moeten er niet van uitgaan dat de leerlingen de stof ook ‘geleerd’ hebben.

Leren is een proces: de definitie van leren is ‘komen tot beheersen van’. Het accent ligt dus op het proces en niet per se op het eindresultaat. Het leerproces begeleiden en evalueren is een deel van het leren leren.

Leren gebeurt individueel: er bestaan verschillende leerstijlen. Het geheugen van de een werkt ook anders dan dat van de ander. Hoe meer inzicht iemand heeft in de manier waarop hij leert, hoe beter hij gebruik kan maken van zijn sterke kanten en zijn zwakke kanten kan verbeteren.

Leren heeft een duurzaam resultaat: het doel is niet ‘leren tot aan de toets’. Het gaat om kennis of een vaardigheid permanent verwerven.

Leren is plezant: dit aspect vervaagt sterk in de loop van de schoolse carrière van een kind. Nochtans is het de sleutel tot motivatie.

Vier leerstijlen: van imiteren tot denken

Om iets te leren bestaan er veel manieren en ‘stijlen’. Leerlingen kan je opsplitsen in doeners, waarnemers, toepassers en na-denkers.

  • Een doener gaat aan de slag, probeert zelf dingen uit.
  • Een waarnemer observeert hoe iemand anders iets doet en kopieert dan.
  • Een na-denker raadpleegt eerst alle mogelijke instructies en handleidingen en gaat dan pas aan de slag.
  • Een toepasser gaat met alle hulpmiddelen en handleidingen bij de hand aan de slag en zoekt dingen op naar gelang hij ze nodig heeft.

Elke leerkracht weet vaak wie de denkers en doeners zijn in de klas. Het is zijn taak de leerlingen te laten kennismaken met de verschillende leerstijlen en hen de voordelen van variatie in hun eigen leeraanpak of leerstrategie te doen inzien. Een combinatie van de vier leerstijlen biedt de beste garantie op een
zo groot mogelijk effect in een zo kort mogelijke tijd.

De beste manier om lerenden te confronteren met andere leerstijlen is via groepswerk, waar iedereen zonder bedreiging kan merken waar hij (nog) niet zo sterk in is. Zien hoe groepsgenoten iets efficiënt aanpakken werkt meer inspirerend dan een theoretische uitleg.

Enkele voorbeelden van activiteiten die de verschillende leerstijlen aanspreken:

  • doen: demonstreren, uitproberen, toepassen, inoefenen, bewijzen, tonen, een stelling verdedigen
  • waarnemen: beschrijven, onderscheiden, vergelijken, beluisteren, opnoemen, observeren
  • na-denken: met eigen woorden weergeven, afleiden, samenvatten, verklaren, analyseren
  • toepassen: speculeren, plannen, inschatten, voorspellen, conclusies trekken, synthetiseren

de aanpak op school

ZELFSTANDIG LEREN: DRIE PIJLERS

1. De socio-affectieve component: «Hoe voel ik me?»

  1. Intrinsieke motivatie: vindt de leerling plezier in het leren (interesse, bekwaamheidsgevoel)
  2. Handelingscontrole: doet hij wat hij zegt, kan hij iets afmaken (daadkracht en doorzettingsvermogen)?
  3. Emoties: kan hij zijn aandacht bij de zaak houden (zelfzekerheid, angst of stress)?
  4. Sociale aspecten: steunt zijn sociale omgeving (thuis, op school, zijn hele milieu) hem in het leren?

Een aantal van de socio-affectieve factoren ligt buiten het bereik van de leerkracht. Verdriet, verliefdheid, een scheiding of sterfgeval, op het eerste gezicht heeft de leerkracht daar weinig vat op. Toch kunnen de school en de leerkracht zorgen voor een klimaat van wederzijds vertrouwen waarin leerlingen zich veilig en geborgen voelen.

Op klasniveau: bij kleuters is dat misschien niet meer dan een knuffel op het juiste moment, bij oudere leerlingen gaat het erom hen het gevoel te geven dat ze meetellen. Wat kan helpen: regelmatig oogcontact, iedereen aan het woord laten, iedereen verantwoordelijkheid geven, voldoende feedback geven,
de leerlingen met de voornaam aanspreken, geen misplaatste of kleinerende opmerkingen geven.

Op schoolniveau helpt een pest-vrije en open, niet-repressieve sfeer, waar de nadruk ligt op individuele ontplooiing en niet op prestaties. Laat voelen dat leerlingen meer zijn dan de cijfers die ze halen. Dat fouten in de eerste plaats leerkansen zijn.

2. De cognitieve component: «Hoe verwerk ik informatie/leerstof?»
Hoe maak ik een schema? Hoe leer ik woordenschat? Hoe memoriseer ik feiten? Hoe los ik een probleem op? Hoe gebruik ik een woordenboek, een atlas, CD-rom.

    • Leren leren heeft met een gewoonteverandering te maken. Het is een vaardigheid die je niet van vandaag op morgen aanleert. Leerlingen voelen zich pas veilig (en bereid om te experimenteren) in een niet bedreigende sfeer: niet het cijfer op de toets is belangrijk, maar wel de vraag hoe goed de leerstof verwerkt is en waar de knelpunten zitten.
  • Leren leren is geen vak op zich, het moet continu geïntegreerd worden in elk vak. Overleg met de collega’s is dus nodig. Een minicursus leren leren kan op school wel zorgen voor een krachtige leeromgeving. Dat is pas zinvol als het geleerde ook toegepast wordt bij de verwerking van de leerstof in de vakken en de leerlingen hierbij ook begeleid worden.

De cognitieve component van leren leren (woordenschat studeren, schema’s maken) krijgt te vaak de exclusieve aandacht bij ‘leren leren’ op school.

3. De metacognitieve component: «Hoe stuur ik mezelf bij?»

De leerling reflecteert over zijn leer- en denkprocessen: hij plant zijn activiteiten, bewaakt wat hij doet, controleert en stuurt. Dat geldt voor álle taken (schoolse en niet schoolse) én voor alle leeftijden. Wie leert moet op elk moment van het leerproces reflecteren:

Vóór de leeractiviteit:
1. Wat wordt er gevraagd (snippers knippen, spreekbeurt)?
2. Hoe ga ik dat doen? (wat doe ik eerst?) [plannen]
Tijdens de leeractiviteit:
3. Ben ik goed bezig? Begrijp ik het nog? [bewaken]
Na de leeractiviteit:
4. Is mijn taak juist uitgevoerd? Heb ik bereikt wat ik wilde? [evalueren]

    • In de kleuter- en basisschool wordt de basis gelegd voor dit reflecteren. De beertjes van Meichenbaum tonen de vier stappen (Wat ga ik doen? Hoe ga ik het aanpakken? Volg ik mijn plan? Heb ik mijn doel bereikt?). Ze kunnen opgehangen worden als pictogrammen in de klas zodat ze zelfs voor de kleinsten toegankelijk zijn. Bij het voorbereiden van een activiteit (lezen, vraagstukken oplossen, maar ook de boekentas maken) wordt er systematisch naar verwezen. De vier pictogrammen kunnen ook mee naar huis: in de agenda kunnen ze bijvoorbeeld als bladwijzer dienen.
  • De leerkracht observeert en becommentarieert de stappen. Zo leren jonge kinderen een basisattitude voor latere (schoolse en niet-schoolse) leerervaringen. Als leerlingen hun activiteiten (in de klas) leren plannen en organiseren, voeling krijgen met hun eigen leerproces en leren toezien op de kwaliteit van hun eigen leren, worden ze pas echt ‘vaardige’ leerders en probleemoplossers. Op het moment dat leerlingen zelf mee richting geven aan hun eigen leren, wordt leren eindelijk een ‘actieve’ activiteit.

 

De drie pijlers van leren zijn even vitaal voor het leren. In het onderwijs krijgt vaak nog de middelste pijler alle aandacht. Belangrijk is ook dat leren leren niet wordt gezien als werk voor de derde graad van de lagere school of voor het secundair onderwijs. Er is overleg binnen de hele school nodig om zo’n proces op te bouwen. Het CLB kan een belangrijke sensibiliserende en ondersteunende rol vervullen.

de NIEUWE leerkracht: EEN COACH

«Leren leren, wanneer moet ik dat in ‘s hemelsnaam nog doen?» Kleine details kunnen soms een hele ommezwaai in het leerproces teweegbrengen. Vaak volstaat het als leerkracht even afstand te nemen en te reflecteren op je dagelijkse praktijk. Je kan die toetsen aan de volgende twee criteria:

  • Doe ik dingen die de leerlingen zelf reeds kunnen?
  • Geeft wat ik doe een meerwaarde aan de les?
      • Leerstof die in het handboek volledig staat uitgewerkt, hoeft de leerkracht niet altijd te herkauwen voor de klas. De leerlingen kunnen de stof zelf verwerken via allerhande werkvormen. De leerkracht volgt op en zorgt voor een synthese.
      • Creëer een sfeer waarin fouten maken mag. Dat is een deel van het leerproces. Het proces is belangrijker dan het resultaat: de leerlingen worden gestimuleerd na te denken over hun leren. Wat was er moeilijk? Hoe heb ik dit aangepakt? Was dat efficiënt? De leerkracht wordt medestander en coach die leerlingen de gepaste en juist gedoseerde ondersteuning geeft.
      • Binnen het bestaande schoolsysteem is men gebonden aan eindtermen, leerplannen en lessentabellen. Dat mag geen alibi zijn om niet aan de zelfstandigheid van de leerlingen te werken. Integendeel. Dat kan op vele manieren. De leerkracht kan stap voor stap kleine stukjes overgeven van de rol die hij traditioneel speelt: hij laat leerlingen stukjes uit het handboek voorbereiden, laat ze zelf een toets nakijken en beoordelen, informatie verzamelen of verwerken.
    • Frontaal lesgeven is binnen het kader van leren leren niet altijd even efficiënt. Het is enkel nodig en nuttig als het een meerwaarde heeft: als het de leerlingen helpt zich in te leven of te motiveren of als de leerkracht zo voorspelbare problemen voorkomt. Voor zelfstandig leren zijn hoekenwerk, contractwerk en groepswerk vaak de aangewezen werkvormen. Het geeft de leerkracht de kans op een andere manier te begeleiden. De leerkracht krijgt enkel via individuele contacten zicht op de informatieverwerkingsprocessen van elke leerling.

DE OUDERS: partners

Er bestaan tal van publicaties over ‘leren leren’, maar die zijn vaak technisch en houden zich vooral bezig met studiemethodetips. Bovendien volstaat een boekje of een enkele voorlichtingsavond echt niet. Het is belangrijk dat ouders inzien dat leren leren veel meer is dan enkel leren studeren. Ouders moeten zorgvuldig geïnformeerd worden, anders vallen zij terug op hun eigen schoolse ervaring en dragen zij vaak negatieve ervaringen over op hun kinderen. Bovendien kunnen ouders vanuit hun ervaringen thuis (onduidelijke opdrachten voor schoolwerk, overvolle planning) een positieveinbreng hebben in de manier waarop de school omgaat met leren leren.

Hoe helpt de school ouders het leren van hun kind te ondersteunen?

  • Informeer hen over socio-affectieve factoren die leren kunnen bevorderen of verstoren (vriendschap, inzet in jeugdbeweging, spanningen thuis of elders, te weinig slaap,).
  • Benadruk dat een kind dat zich gesteund weet en erkend in zijn eigenheid het beste uit zichzelf kan halen.
  • Kinderen staan een hele dag voor leeropdrachten (de bus nemen, K’nexen). Je kan als ouder niet verwachten dat je kind een goede leer- en werkhouding ontwikkelt als je daar alleen maar aandacht aan besteedt op het moment dat het met zijn schoolwerk bezig is.
  • Benadruk dat goede hulp altijd de bedoeling heeft zichzelf zo vlug mogelijk overbodig te maken. Helpen bij huiswerk mag, maar moet ervoor zorgen dat kinderen de volgende opdracht al wat zelfstandiger kunnen aanpakken.
  • Benadruk hun voorbeeldfunctie: ouders kunnen zelf verwoorden welke stappen ze bij een taak doen, belangstelling tonen voor hun omgeving, nieuwsgierig zijn, dingen opzoeken.
  • Illustreer de verschillende leerstijlen aan de hand van voorbeelden op het niveau van ouders (Als mama de video wil programmeren leest ze eerst nauwkeurig de handleiding, terwijl papa onmiddellijk aan de knoppen gaat prutsen).
  • Formuleer huiswerk en leertaken zo dat de leerlingen duidelijk weten wat ze moeten doen, kennen Stimuleer ouders om als klankbord te functioneren. Wat moet je doen? Hoe ga je dat doen? Hoeveel tijd denk je daarvoor nodig te hebben? Wat heb je gedaan? Ben je tevreden? Dit dus allemaal in de plaats van lessen ‘opvragen’ of het handje vasthouden.
  • Informeer hen ook over fysieke elementen die het leren kunnen bevorderen, zoals een eigen werkruimte, een goede tijdsindeling die schoolwerk en het huiselijke leven verzoenen, respect voor het werk van het kind

Je kan meer over leren leren lezen in:

Het Klassedossier op www.klasse.be/dossier/leren

Leren leren, thuis en op school – I. Engelen – Garant – www.garant-uitgevers.be

De leerkracht bij het leren leren – M. Deneve – Averbode – www.averbode.be

Een persoonlijke denk- en leerstijl – K.Timmerman – Acco – www.acco.be

Jongeren aanspreken op hun leer-kracht – L.Bosmans, C. Detrez, D. Gombeir – Acco – www.acco.be

Zelfstandig leren – M. Nuy, W. van Vroonhoven – KPC Schoolpers – www.kpcgroep.nl

De bibliotheek bij het SISO-nummer 450.8 (trefwoord leren)

Meer info vind je ook in vakoverschrijdende eindtermen, aanwezig op elke school.

Voor meer ondersteuning neem je contact op met de begeleidingsdienst van de school of het CLB dat aan de school verbonden is.