Roken

1 reactie

«Elk kind en elke jongere heeft het recht op bescherming tegen elke vorm van tabakspromotie en op opvoedkundige en andere ondersteuning om niet te beginnen roken.»

(Charter tegen Tabak, Wereld Gezondheidsorganisatie, 1990)

«Ik stop later wel»

 

Roken is de belangrijkste doodsoorzaak in België. Naar schatting 1 op 3 volwassenen rookt. In 1998 rookte 1 op 5 jongeren tussen 15 en 16 dagelijks. Op hun 17 de is dat al één op drie. 60 % van de rokers begint voor zijn dertiende te roken.In een klas 14-jarigen zit minstens één roker. Jongeren die beginnen te roken denken dat ze later nog makkelijk kunnen stoppen. De realiteit is anders: bijna alle beginnende rokers blijven roken. Tabaksgebruik stopt niet aan de schoolpoort. Toch kan de school voorkomen dat leerlingen gaan roken. Via een tabakspreventiebeleid dat duidelijk stelt dat niet-roken de norm is.

Myriam, klasleraar:

«Ik wil dat je het thuis vertelt»

 

«Tot vier jaar geleden mochten vijfde- en zesdejaars op de speelplaats roken in een afgebakende peukenzone. Toen de wet op het rookverbod in openbare plaatsen er kwam, hebben we de school meteen tot rookvrije zone verklaard. Van de ene dag op de andere. Dat loopt niet makkelijk. Elke dag vinden we sigarettenpeukjes in de toiletten, in hoeken van de speelplaats Dit bewijst dat je een rookverbod niet zomaar instelt. Het is een proces dat moet groeien, dat je moet voorbereiden. En dat je moet kaderen in een ruimer (drug)beleid op school. Daarom werken we nu vanaf het eerste jaar secundair aan weerbaarheid. Dat zit ingebouwd in het lessenpakket. Met de leerlingen van het tweede jaar secundair hebben we bijvoorbeeld contracten afgesloten. Klascontracten en individuele contracten. Daarin beloven de leerlingen om rookvrij te blijven. Elke maand opnieuw tekenen ze zo’n contract: ik heb deze maand niet gerookt en wil dat volgende maand ook niet doen. Als leerkracht begeleid je, coach je, bemoedig je, geef je ze informatie. Hoe weersta je aan druk van je vrienden, wat doet een sigaret met je lichaam? Of je bespreekt waarom iemand van de klas tóch is beginnen roken en zijn contract dus niet meer kan tekenen.

We pakken roken niet té repressief aan. Wat doe je als je een leerling aan de schoolpoort betrapt of enkele honderden meters verder? Onlangs zag een collega één van haar leerlingen roken in de stad. Zij is er naartoe gegaan: Ik wil dat je thuis vertelt dat je rookt. En als jij het niet doet, doen wij het. Die
straf bleek voor het meisje al zwaar genoeg.»

het probleem

 

wat?

KEUZES MAKEN

90 procent van de rokers is er voor zijn twintigste mee begonnen. 60 procent zelfs voor zijn dertiende. Roker worden is een proces. Tijdens dat proces zijn er een aantal factoren die je beïnvloeden.

0 – 8 jaar: DE VOORBEREIDING. Een kind doet ervaringen op in zijn omgeving.

Factoren die het kind beïnvloeden: het rookgedrag en de opvattingen van ouders, leerkrachten en mensen waar het naar opkijkt; de media (tv); de tabaksreclame.

8 – 14 jaar: DE INITIATIE. Het kind steekt zijn eerste sigaret op en experimenteert.

Bijkomende factoren die het kind beïnvloeden: het zelfbeeld van het kind; de manier waarop de school tegenover roken staat; de vrienden.

adolescentie: OCCASIONEEL ROKER. De jongere ervaart roken als een positieve ervaring, hij relativeert de gezondheidsrisico’s.

Bijkomende factoren die de jongere beïnvloeden: de beschikbaarheid en betaalbaarheid van sigaretten.

jong volwassene: REGELMATIG ROKER. De roker rookt minstens één sigaret per dag. Bijkomende factor die hem beïnvloedt: de afhankelijkheid van nicotine.

In elk stadium treedt er een keuzemoment op: stoppen met roken of ermee doorgaan.

waarom?

VOLWASSEN EN COOL

  • We leven in een wereld waar je cool moet zijn, hard, volwassen, zelfzeker, waar je een winnaar moet zijn. Media, tv en volwassenen doen geloven dat daar een sigaret bij hoort.
  • Jongeren experimenteren graag met nieuw gedrag zonder rekening te houden met de gevolgen. Soms horen ze dat roken psychologische voordelen oplevert die helpen om door hun puberteit te geraken.
  • Voor vele kinderen is roken gewoon een verschijnsel dat door de maatschappij wordt geaccepteerd. Ze denken dat de meeste volwassenen roken, terwijl juist een minderheid rookt.
  • De druk van rokende vrienden en het verlangen om stoer te doen of erbij te horen, doet jongeren roken.
  • De tabaksproducenten manipuleren het consumentengedrag. Ze zouden nu zelfs cacao en vanille aan de tabak toevoegen om ‘het eerste trekje’ voor kinderen aangenamer te maken. Vrouwen roken meer light. Ze denken (ten onrechte) dat ze door roken gewicht verliezen. De producenten weten dat en sturen hun reclame in die richting.

wie?

ONS KENT ONS

  • Steeds meer jongeren roken, vooral meisjes. Vele meisjes beginnen te roken en blijven roken om hun gewicht op peil te houden of zelfs om te vermageren. Er is ook een duidelijk verband tussen rookgedrag en studierichting: in het beroepsonderwijs is het risico op dagelijks roken bijna twee keer zo groot dan in het algemeen secundair onderwijs.
  • Jongeren gaan steeds jonger roken. Ze zijn vlugger volwassen en nemen de gedragingen van de volwassenen over.
  • Het aantal kinderen dat aangeeft om later te gaan roken is in gezinnen waar ouders roken tweemaal zo hoog als bij kinderen van niet-rokende ouders.
  • Rokende jongeren sluiten vooral vriendschap met rokers. Niet-rokers belanden vooral in een niet-rokende vriendenkring. Zo creëren rokers hun eigen sociale omgeving: met rokende vrienden mijden ze barrières.

probleem?

KANKER EN VERSLAVING

Tabaksrook bevat meer dan 4000 chemische stoffen. De meest schadelijke bestanddelen zijn teer, koolstofmonoxyde en nicotine.

Teer is een kankerverwekkende stof in tabaksrook. Wetenschappelijke studies brengen teer rechtstreeks in verband met longkanker.

Koolstofmonoxyde verdringt de zuurstof in het bloed. Daardoor ontstaat een chronisch zuurstofgebrek in heel het organisme. Dat zuurstofgebrek moet het hart compenseren met extra activiteit. Op latere leeftijd verhoogt dat het risico op hart- en vaatziekten gevoelig.

Nicotine is de giftige stof die zorgt voor het verslavende effect van tabak. Nicotine verhoogt de hartslag en de bloeddruk, vermindert de eetlust, vernauwt de bloedvaten, versnelt de ademhaling en verhoogt de maagzuurproductie en de darmwerking.

aanpak en preventie

 

Scholen vormen een belangrijk netwerk om een rookvrije leefwijze te promoten. Tabaksgebruik stopt niet aan de schoolpoort. Ook de school krijgt te maken met tabaksgebruik van haar leerlingen en personeelsleden. Omdat de school een opvoedende taak heeft, kan ze zowel bij de jongeren als bij de volwassenen in de schoolomgeving een rookvrije leefstijl aanmoedigen en ondersteunen.

Een gezonde, tabaksvrije leefstijl promoten en ondersteunen kan slechts doeltreffend gebeuren:

  • als er een gepland en uitgeschreven beleid komt op school;
  • als dat beleid kadert in een algemeen gezondheidsbeleid;
  • als dat beleid er komt in samenwerking met alle partners;
  • als niet-roken de norm is en jongeren niet blootgesteld worden aan het rookgedrag van volwassenen;
  • als dat beleid rekening houdt met de eigenheid van de school.

een tabakspreventiebeleid in de schoolomgeving

DRIE COMPONENTEN:

1. OPVOEDING: WEERSTAAN AAN DRUK

systematische curriculumopbouw

Gezondheidseducatie is geen apart vak, maar kan zowel aan bod komen in algemene als bijzondere vakken. Het is makkelijker om te voorkomen dat jongeren roken, dan om ze van het roken af te helpen.

  • Wie een beleid wil uitwerken, moet een inventaris opmaken van alles wat op school gebeurt rond gezondheidseducatie. In welke leerjaren, in welke vakken?
  • Een goede planning (in welke leerjaren, in welke vakken?) helpt de initiatieven optimaliseren, gebreken opmerken en overlappingen vermijden. Leerkrachten kunnen dan afspraken maken en vakoverschrijdend werken. De leerlingen krijgen de mogelijkheid om de verworven kennis en vaardigheden te integreren.
  • Initiatieven worden zoveel mogelijk afgestemd op de specifieke behoeften van de leerlingen. (Via bv. een enquête over het rookgedrag en de houding van de leerlingen.)

werken aan school en klasklimaat

  • Een tabakspreventiebeleid werkt pas in een school waar er respect is voor iedereen, waar er openheid en klaarheid heerst, luisterbereidheid, verdraagzaamheid. Zomaar botweg verbieden is gemakkelijk, maar werkt niet.

initiatieven voor tabakspreventie

  • Tabakspreventie begint nog voor jongeren beginnen te experimenteren, dus in de basisschool (werken aan een positief zelfbeeld, kinderen beslissingen leren nemen, werken aan zelfdiscipline). Ze wordt gedurende de verdere schooltijd aangehouden en uitgebouwd.
  • Zorg voor informatie over tabak en roken en de gevolgen ervan. Pas dat aan aan de leeftijd en leefwereld van de jongeren. Let op, informatie op zich leidt niet tot gedragsverandering. («Ik weet dat het ongezond is, maar ik rook toch»)
  • Bespreek het rookgedrag van volwassenen en jongeren. (Waarom doen ze het precies?)
  • Geef inzicht in de sociale druk om te roken, met aandacht voor leeftijdsgenoten, vrienden, ouders en media. (De druk is groot, vaak onbewust.)
  • Werk aan ‘coping strategies’ of vaardigheden om neen te zeggen tegen het aanbod van een sigaret. (Ja zeggen is makkelijker dan neen zeggen.) Stigmatiseer de rokers daarbij niet als zwakkelingen.
  • Negatieve boodschappen en verboden hebben weinig effect. Duw rokende leerlingen niet in een hoekje als paria’s van de school. Zorg voor een positieve aanpak met wat leerlingen kunnen doen om gezond te blijven. Niet-rokers hebben ook vrienden!

2. REGLEMENTERING: EEN TOTAAL VERBOD?

  • Een reglement geeft de grenzen aan van tabaksgebruik in de schoolomgeving. Waar mogen de leerlingen en het personeel van de school (niet) roken?
    • Roken in scholen is bij wet verboden in alle gesloten plaatsen waar leerlingen toegang hebben: klaslokalen, eetzaal, gangen, trappen, liften, toiletten, secretariaat, bibliotheek, recreatiezaal, sportzaal, feestzaal. Ook als de school haar infrastructuur ter beschikking stelt aan derden geldt dit rookverbod (gebruik van de sportzaal tijdens het weekend, het klaslokaal tijdens het oudercontact, de opendeurdagen enz). In de plaatsen waar het rookverbod geldt, moeten één of meer rookverbodstekens hangen.
    • Roken is niet bij wet geregeld in de lokalen waar leerlingen geen toegang hebben: de directiekamer, de leraarskamer Voor deze ruimten kunnen afspraken komen: totaal rookverbod, roken mag als iedereen akkoord gaat of alleen op bepaalde tijdstippen
    • De wet regelt niet wat op de schoolspeelplaats kan en niet. Dat doet de school. Ze kan ook vastleggen welke regels gelden in de directe schoolomgeving: aangrenzende voetpaden, omliggende straten, maar ook wat de regels zijn tijdens buitenschoolse activiteiten (sportdag, studiereizen, excursies).
    • Dat gedeeltelijk of totaal rookverbod geldt niet alleen voor alle betrokkenen (directie, leerkrachten, andere personeelsleden en leerlingen), maar ook voor bezoekers en gebruikers van de infrastructuur van de school. De reglementering wordt uitgeschreven en opgenomen in het algemeen schoolreglement.

    Het totale rookverbod biedt de meest efficiënte bescherming tegen (passief) roken. Het vormt
    meteen de ideale basis voor een optimale promotie van een tabaksvrije leefstijl. In sommige scholen
    mogen ouderejaars op bepaalde tijdstippen wél roken op school. Dat bevestigt het beeld dat roken
    ‘volwassen’ is. Variaties en afwijkingen (bv. alleen laatstejaars mogen roken, alleen het personeel,
    inrichten van een rookkamer) leiden meestal tot onduidelijkheid, inconsequentie en frustratie.

  • Naast grenzen trekken, moet de school ook afspreken wat de gevolgen zijn als de grenzen worden overschreden. Een consequente houding bij elke overtreding draagt bij tot een overzichtelijk en efficiënt beleid. De sancties moeten deel uitmaken van de basistekst waarin de reglementering wordt beschreven.
  • In sommige gevallen roken ouders zelf en kan de school van hen weinig steun verwachten. Geef hen wel duidelijke informatie wat de school doet en waarom. Misschien hebben zij het ook moeilijk om te stoppen met roken, kan je hen bij het beleid betrekken of aansporen om samen met hun kinderen voor hun gezondheid te vechten.

3. INTERVENTIE

Als leerlingen de rookafspraken overtreden kunnen leerkrachten de volgende stappen zetten:

  1. de overtreding melden: iedereen moet weten bij wie hij inbreuken kan melden (toezichters, een contactpersoon, de gezondheidscoördinator)
  2. begeleiden: maak afspraken met de overtreder en volg die op. Dat kan gebeuren via de coördinator of via een andere persoon: klasleraar, vertrouwensleerkracht Misschien is overleg met de ouders nodig.
  3. doorverwijzen: als het rookgedrag van de leerling deel uitmaakt van een groter complex probleem, kan de school doorverwijzen naar het CLB. Een roker moet je helpen, niet straffen.

de partners: samenwerken

Alle groepen die aanwezig zijn in een schoolomgeving worden partners bij het invoeren en opvolgen van een beleid. De taken en verantwoordelijkheden van alle betrokkenen worden duidelijk in het beleid omschreven.

  • De directie: neemt de beslissing om een beleid te realiseren en start met de werkgroep, ondersteunt en werkt mee. Een directeur die het probleem ontkent of onderschat, ondermijnt de kans dat een rookbeleid slaagt.
  • De leerkracht: is de schakel naar de leerling. De manier waarop hij met roken omgaat, bepaalt de efficiëntie van het beleid. Elke situatie is anders: de relatie tussen de leerkracht en de leerlingen, de atmosfeer op school in het algemeen en de verschillende klassen in het bijzonder, de gevoeligheden van een klasgemeenschap
  • De leerlingen: een open klimaat in de klas en de school maakt roken bespreekbaar. Als leerlingen worden betrokken bij het beleid, verhoogt de kans op slagen. Schakel de leerlingenraad in.
  • Andere personeelsleden: Onderhouds- en keukenpersoneel, administratief personeel, studiemeesters worden betrokken. Vanuit hun andere positie en verhouding met de leerlingen kunnen ze waardevolle suggesties doen.
  • De ouders: hebben een belangrijke voorbeeldfunctie. Zij kunnen thuis een tabakspreventiebeleid op school ondersteunen. Ze kunnen actief deelnemen om het beleid uit te werken. Stel daarbij uw bekommernis om de gezondheid van hun kinderen centraal.
  • Het CLB: hebben vaak vertrouwelijke gesprekken met leerlingen. Vanuit hun deskundigheid kunnen ze een waardevolle bijdrage leveren tot het beleid.
  • Externe deskundigen: externe deskundigen inschakelen voor een tabakspreventiebeleid lijkt een makkelijke en snelle oplossing voor de school. Eén dag een spreker uitnodigen heeft géén effect. Ervaring leert dat initiatieven van externen op langere termijn minder succesvol zijn dan de samenwerking van alle partners in een schoolomgeving. Externe organisaties kunnen wel materiaal en advies aanreiken, maar de realisatie moet op school gebeuren.

 

aandachtspunten: plannen

Een tabakspreventiebeleid:

  • wordt uitgeschreven (duidelijk, begrijpelijk, overzichtelijk, planmatig), is verankerd in het algemeen gezondheidsbeleid van de school en wordt opgenomen in het algemene schoolreglement;
  • is het resultaat van consultatie en samenwerking (eventueel zelfs met andere scholen);
  • is zorgvuldig gepland (datum van invoering, overgangsperiode);
  • is geen eindpunt: het beleid wordt regelmatig geëvalueerd, bijgestuurd en aangepast;
  • houdt rekening met de roker: het omvat ondersteuning voor rokers die willen stoppen met roken. Zorg ervoor dat rokers zich niet gestigmatiseerd voelen als zieken, verslaafden, zwakkelingen.

Je kan meer lezen over roken in:

Het Klassedossier op: www.klasse.be/dossier/gezondheid

 

Voor een ruim aanbod van initiatieven van tabakspreventie voor jongeren en onderwijs of een aanbod van rookstop-programma’s, kan je contact opnemen met de volgende organisaties:

Vlaamse Liga tegen Kanker – Koningsstraat 217 – 1210 Brussel – tel. 02 227 69 69

De gezondheidslijn van de Vlaamse Liga tegen Kanker – tel. 070 344 144 – www.tegenkanker.net

Vlaams Instituut Gezondheidspromotie (VIG) – Schildknechtstraat 9 – 1020 Brussel – tel. 02 422 49
49 – www.vig.be

De bibliotheek bij het SISO-nummer 614.61 (trefwoord roken)

Voor meer ondersteuning neem je contact op met de schoolbegeleiding of het CLB dat aan de school verbonden is.