Bij tikkertje krijgt niemand hem te pakken. Nochtans is Jonas Claes (9) visueel
gehandicapt. «Ik kijk door lange kokers», zegt hij. Maar een aparte school heeft Jonas niet
nodig. Computer en camera helpen bij lezen en schrijven in de klas. En ook in de turnzaal
vinden Jonas, turnjuf Kris Schoofs (42) en de andere kinderen elkaar met de ogen toe. Als
dat maar goed afloopt.
Jonas Claes: «Ik lees strips met een
camera»
«Je ziet erg slecht en toch hou je van sport?»
Jonas: «Ja, heel veel. Sport vind ik heerlijk. Ik doe aan alles mee. Ik wil spelen zoals
alle kinderen. Winnen hoeft voor mij niet. Met de stratenloop heb ik wel zes rondjes gelopen.
De meeste kinderen maar één. Ik heb kokerzicht. Als je twee buizen voor je ogen houdt, kan
je ongeveer begrijpen wat ik zie. Daarom liep mijn tante voor me. Ik moest enkel haar in het
oog houden. Hier op school bedenken we ook vele dingen zodat ik gewoon mee kan doen. Juf
Kris geeft tijdens de sportlessen iedereen een felgekleurde vest. We gebruiken ook een
gekleurde bal. Tijdens zo’n balspel kan ik goed volgen: waar kinderen bewegen is de bal. Mijn
vriend Robin staat altijd klaar. ‘Pas op, een putje!’, roept hij. Niet dat ik bang ben om te
vallen. Ik kan snel terug opstaan.»
«Wat doe je het liefst op school?»
Jonas: «Spelen en sporten natuurlijk. Wiskunde vind ik ook leuk. Soms ben ik sneller
klaar dan anderen, dan mag ik van de juf kinderen helpen. Ik zeg wel geen antwoorden voor. Als
we moeten lezen, kruip ik achter mijn scherm. Het boek schuif ik onder een camera en dan
krijg ik alles in het groot op het scherm. Schrijven doe ik met het computerklavier. Thuis lees
ik strips, ook met zo’n camera. En als ik een frisse neus wil, ga ik fietsen. Samen met mijn
mama heb ik op één dag 106 km. gereden. Ik rij voorop. We hebben een tandem waar ik wat lager
zit maar toch vooraan. Mama kan dan over mij heen zien en veilig sturen. Het is leuk als ik
soms hulp krijg. Toen we tijdens de turnles door hoepels moesten kruipen, lukte mij dat echt
niet. Met Robin naast mij sprong ik als een konijn door alle hoepels.»
Kris Schoofs: «Ze leren dat iedereen anders
is»
«Jonas in de turnles, da’s vragen om knots- en valpartijen?»
Leerkracht Kris: «Ik hou dikwijls m’n hart vast. Jonas gaat echt voluit met sport. Goed
dat hij tegen een stootje kan. Ik herinner me de eerste turnles in een zaal met een
spiegelwand. Daar knalde Jonas hard tegenaan. Ik breng veel kleur in mijn les, letterlijk. Zoals
kegels met gekleurde sjaaltjes, een bal met felle vlakken. Eerst had ik een bal met belletjes
in, maar dat werkt niet. Het gerinkel haalt het niet in een grote sporthal. Zeker niet als
een andere klas ook sport heeft. Met hoogspringen stapt Jonas eerst de loopafstand af. Ik
laat hem de hoogte van het touw voelen. De groene mat op de groene vloer in de turnzaal draai
ik gewoon om. De kleur van de onderkant ziet Jonas wel. Die kant is wel niet zo zacht, maar
het is beter dat hij daarop de oefeningen maakt dan naast de mat. Jonas slingert aan de
touwen met evenveel plezier als de andere kinderen. Niet alle sporten en oefeningen lukken
even goed. Mini-tennis is een probleem. Een tennisbal is te klein voor hem. Maar hij scoort
met zijn loeiharde opslag. Echt typisch voor Jonas. Hij vindt steeds een manier om in het
spel mee op te gaan.»
«Wie past zich eigenlijk aan: jij of Jonas?»
Kris: «Vooral Jonas. Hij weet perfect hoeveel treden elke trap heeft, waar er palen op
de speelplaats staan. Soms denk ik dat hij steeds beter kan zien. Dat komt omdat Jonas
zichzelf technieken aanleert. Bij tikkertje loopt hij pijlsnel af op de bewegende kleurige vestjes
die kinderen aanhebben. Jonas is heel wendbaar en kan op het laatste moment van zijn spurt
een bocht van negentig graden maken. De aparte technieken van een balspel gaan prima. Als
Jonas ze moet combineren in een spel lukt dat niet altijd. Goed dat Jonas niet streeft naar
de eerste plaats. Hij is een slimme kerel. In de klas kan hij ook goed mee. Zijn juf
krijgt speciale hulp. Eén voormiddag in de week. Ze moet met haar programma twee weken
vooruit lopen. Zo kunnen er bijvoorbeeld tijdig vergrotingen van werkbladen worden gemaakt.
Met Jonas in de klas leren de kinderen dat iedereen anders is. Ze leren verdraagzaam zijn
en respect hebben voor iedereen. Het is echt leuk dat Jonas bij ons is.»
«In spring, Jonas spring in»
Veel kinderen met een handicap gaan naar het buitengewoon onderwijs. Kinderen met zware leerstoornissen zitten bijvoorbeeld in type
8, leerlingen met ernstige gedragsproblemen (driftbuien bv.) zitten in type 3, blinde kinderen in type 6. Soms laten gewone scholen
kinderen toe die normaal gezien in het buitengewoon onderwijs zitten. De gewone leerkracht krijgt dan hulp vanuit een buitengewone school, zoals
bij Jonas. Het kind leeft tussen zijn leeftijdsgenoten en krijgt eenzelfde ruim studieaanbod. Dat heet geïntegreerd onderwijs (GON).
Blinde kinderen krijgen speciale onderwijsmiddelen zoals een leesloep of een braillescope. «We kunnen veel leren van het buitengewoon
onderwijs», zeggen veel leerkrachten. «Bovendien leren ‘gewone’ kinderen van jongsaf aan omgaan met ‘buitengewone’».





Wie heeft dit artikel geschreven?
Groetjes!
Dag Valerie, het artikel is geschreven door Michel Van Laere. Het is verschenen in 2001 en is dus gedateerd.
Bedankt! Ik vond het zeer interessant omdat ik studeer voor leerkracht en ik heb in mijn klasje een kind met kokerzicht
.
Groetjes