Trend Dit artikel behoort tot de reeks Schoolmarketing Gepubliceerd op

Scoren met STEM

15 reacties

Log in om te bewaren.

Delen

Meer dan 50 secundaire scholen startten in september 2015 met een nieuwe optie in het eerste jaar: STEM. Die wil leerlingen uit het basisonderwijs aantrekken met grote interesse voor wetenschappen en techniek. Het technisch onderwijs vreest dat STEM in scholen met aso vooral op hún leerlingen mikt en de tso-richting Industriële Wetenschappen verzwakt. 7 vragen en antwoorden over STEM.

Meisje met zaagmachine
  1. Wat is STEM?

    De term STEM wordt internationaal gebruikt om wetenschappen, technologie en wiskunde in het onderwijs te benoemen. In ons land kreeg die term 4 jaar geleden vorm in een grootschalig actieplan van de Vlaamse regering. Het doel is om de wetenschappelijke kennis van leerlingen te verhogen, het aantal leerlingen in STEM-richtingen te verhogen (zowel in het secundair als het hoger onderwijs) en om meer meisjes in die richtingen te laten doorstromen.

    Toch kiezen vooral jongens voor STEM. “Dat klopt”, zegt Natacha Gesquière, STEM-coördinator in Sint-Bavo Gent, waar de STEM-richting dit schooljaar is gestart. “We hebben 42 leerlingen in het eerste jaar STEM. Daarvan zijn slechts een kwart meisjes.”

  2. Welke leerlingen kiezen voor het eerste jaar STEM?

    “1 STEM is bedoeld voor leerlingen die normaal naar Latijn worden doorverwezen omdat ze zo sterk zijn, maar eigenlijk veel meer voelen voor wetenschappen en wiskunde dan voor talen.” zegt Betty Weyns, STEM-coördinator in het Heilig Graf in Turnhout. De leerlingen krijgen wekelijks 5 uur programmeren, ontwerpen en ‘echte’ wetenschappen als fysica en chemie.

    De school startte de optie in het schooljaar 2013-2014. “De eerstejaars van toen zitten nu in het derde jaar STEM”, aldus Weyns. “Zo blijven we de richting verder doorschuiven tot we een volledige STEM-opleiding van zes jaar hebben.” Intussen bieden al meer dan 50 scholen STEM aan in het eerste jaar.


  3. Leraren Latijn hadden schrik dat STEM het eerste jaar Latijn zou leegzuigen

    Natacha Gesquière - STEM-coördinator Sint-Bavo Gent
  4. Gebruiken scholen STEM om leerlingen te lokken?

    De Vlaamse regering vraagt in het STEM-actieplan niet om een nieuwe studierichting op te starten. En evenmin om een richting te maken die op de intellectuele elite is gericht. Bestaat het risico dat STEM een marketinginstrument wordt? “Natuurlijk is het goeie reclame voor de school”, zegt Natacha Gesquière. “Maar noem dat liever goed schoolbeleid. Wij spelen in op de behoefte die bestaat bij ons doelpubliek. We gaan mee met onze tijd. En dat loont: we hebben twee STEM-klassen in het eerste jaar en één in het derde jaar.”

    Aanvankelijk dachten onze leraren klassieke talen dat de STEM-richting het eerste jaar Latijn zou leegzuigen. Maar we hebben zelfs meer inschrijvingen in 1 Latijn dan vorig jaar.”

  5. Gaat STEM in tegen de brede eerste graad?

    De toekomstige modernisering van het secundair onderwijs voorziet dat leerlingen in de eerste graad zo veel mogelijk proeven van eenzelfde, brede waaier aan domeinen. Een eerste jaar STEM lijkt daar tegenin te gaan.

    Toch zijn er in Vlaanderen scholen die het STEM-verhaal op een heel andere manier rijmen met het principe van de brede eerste graad. Het Koninklijk Atheneum van Zottegem biedt 7 verschillende modules van 2 uur aan in het eerste jaar: Latijn, wetenschappen, cultuur, ondernemen, technologie, sport en zorg. Daaruit kiezen de leerlingen 2 modules van telkens 2 uur. STEM is de combinatie van wetenschappen en technologie, zoals ook opties 1 Cultuur-Sport of 1 Latijn-Wetenschappen aangeboden worden. In het tweede jaar kunnen de leerlingen doorgaan in het domein dat hen het meest interesseert. Daarvan krijgen ze dan 6 uur per week les.

  6. Hoe bereid je je als school voor als je STEM wil inrichten?

    “Als aso-school hadden we voldoende leraren wiskunde en wetenschappen in huis, maar niet de nodige knowhow voor technologie en engineering”, zegt Isabelle Truyen, coördinerend directeur van KA Zottegem. “Die hebben we gezocht binnen ons eigen netwerk van oud-leerlingen en ouders. Zo vonden we liefst 30 intellectuele sponsors voor ons STEM-verhaal: mensen die zich minstens 1 dag per schooljaar wilden inzetten in de lessen. Ervaringsdeskundigen die zorgen voor de opleiding van onze leraren, bedrijfsbezoeken faciliteren, leerlingen laten werken in een echt lab, lesonderwerpen aanreiken en zelf ook specifieke STEM-lessen op school geven.”

    “We werken ook nauw samen met de Universiteit Gent, onder meer om de leerlijnen uit te zetten. En elke STEM-les is co-teaching: de leraren staan altijd minstens met 2 voor de klas. Zo wisselen onze STEM-leraren voortdurend inhoudelijk, praktische en didactische kennis uit.”


  7. De meest volledige STEM-opleiding vind je in tso

    Michel Cardinaels - directeur Technisch Instituut Sint-Michiel Bree
  8. Wat is de kritiek van tso op STEM?

    Michel Cardinaels, directeur van het Technisch Instituut Sint-Michiel in Bree, is een van de grootste STEM-sceptici. “Die scholen maken de ouders iets wijs, want zij missen de infrastructuur en de geschikte leraren om alle domeinen van STEM op een correcte manier in te vullen. In Vlaanderen bestaat er trouwens al een STEM-opleiding: de tso-richting Industriële Wetenschappen.”

    “Maar als deze evolutie in het aso zich doorzet, dreigt die richting op termijn te verdwijnen. Ouders kiezen voor de scholen die ze het beste kennen, de aso-scholen, en worden afgeschrikt door het negatieve imago van de ‘vakschool’. De meesten beseffen daardoor niet dat hun kinderen net in een technische school de meest volledige STEM-opleiding krijgen.”

    Lees ook Van tso naar STEM: stofjas uit en kwaliteit omhoog

  9. Hoe kan STEM sterker worden?

    Michel Cardinaels ziet de perfecte oplossing in de oprichting van domeinscholen. Die bieden per maatschappelijk domein studierichtingen aan die van heel praktisch tot abstract gaan. Die domeinen zijn bijvoorbeeld economie, taal en cultuur, en dus ook STEM.

    “Zo kan een leerling die de producten ontwerpt in contact komen met zijn leeftijdsgenoten die het productieproces doen”, zegt Cardinaels. “Daardoor neemt niet alleen het respect voor de uitvoerende bso-leerlingen toe. De toekomstige ingenieurs zullen ook iets van het productieproces afweten. Nu studeren er te veel ingenieurs af die wel producten kunnen bedenken, maar niet weten hoe die gemaakt worden.”