Blog Dit artikel behoort tot de reeks Wereldburgerschap Gepubliceerd op

“Wie gaat er mee naar Hitler?”

Reageer

Log in om te bewaren.

Delen

leraar Karel Willem
Leraar Karel-Willem gaat met zijn klas naar een theatervoorstelling over Hitler. Verbijstering en angst zijn hun deel. Maar het theaterstuk zet zijn leerlingen wel aan het denken.
 


 

Samen met een groep laatstejaars loop ik door de straten van Oldenburg in Noord-Duitsland. Een walgelijke campagneposter van de Duitse extreemrechtse partij doet mij halt houden. Het beeld: een zwangere vrouwenbuik. Het bijschrift: ‘Nieuwe Duitsers maken we zelf’. Ik ben gedegouteerd.

Mijn leerlingen, daarentegen, vinden het “eigenlijk nog een goede affiche”. Wacht. Dringt de onderliggende betekenis goed tot hen door? “Ja, als je dat punt wil maken, is dat toch goed gevonden?” “Het is goed dat ze gewoon eerlijk zijn, dat ze het gewoon zeggen.”
 

Hoe doordringen tot mijn leerlingen?

Ik word er stil van. Dat soort recht-voor-de-raap-denken boezemt me angst in. Natuurlijk neem ik mijn leerlingen niets kwalijk. Maar hoe start je een pleidooi voor meer openheid, verdraagzaamheid en naastenliefde bij deze overgesensibiliseerde, met prikkels overladen generatie? Ik weet het. Ik neem ze mee naar de theatervoorstelling ‘Hitler’. Nu zijn zij het die stil worden.

Ik schets de context. Het begint met een jeugdboek. In ‘Mijn vriend Hitler’ beschrijft Piet De Loof de jeugdjaren van Adolf Hitler en zijn vriend, de componist August Kubizek. Stichting de Mol maakt er een muziektheatervoorstelling van en ik neem met plezier mijn leerlingen mee.


Hoe pleit je voor meer verdraagzaamheid bij deze met prikkels overladen generatie?

Karel-Willem Delrue - leraar Nederlands & Engels

Ik wil ze laten zien hoe mechanismen als nationalisme en vreemdelingenhaat kunnen ontstaan. Hun tonen hoe frustratie, verbittering en angst haast ongemerkt een plaats kunnen opeisen in ons wereldbeeld. En ik wil hen behoeden voor extreme ideeën waarbij dat wat indruist tegen de hegemonie de kop wordt ingedrukt.
 

Voorbeschouwing in de klas

Tijdens de voorbeschouwing in de klas laat ik ze een jeugdfoto zien. Schijnbaar een gewone jongen. Een detail uit een oude klasfoto. Ik vertel dat de jongen op de foto een vader en een moeder had, een jeugdvriend. En dat hij kunstenaar wilde worden. “Jullie kennen hem allemaal.” Ze trekken grote ogen.

Hij werd echter niet toegelaten tot de kunstacademie van Wenen, ga ik verder. Hij trok naar München en diende als soldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog. En hij maakte na de oorlog razendsnel carrière als politicus en was later verantwoordelijk voor de dood van 75 miljoen mensen.

Nog grotere ogen. “Is dat Hitler?” Als ik vertel dat diezelfde jongen in oktober 1918 in onze school verzorgd werd, wordt het helemaal stil in de klas.

Het is een licht ontvlambare stilte. En ik voorzie een vonkje. “Wat als jij toen als verzorger had geweten wat er zou volgen? Zou je hem tegenhouden?” Ze steken meteen van wal. “Zoiets kan je toch niet tegenhouden, meneer”, “Dan zou er waarschijnlijk gewoon iemand anders hetzelfde gedaan hebben”, “Zo diep, meneer. Daar zullen we toch een tijdje moeten over nadenken”. Ik glimlach. Het thema heeft zich alvast in hun hoofden genesteld.
 

Angst tijdens de voorstelling

Het zaallicht gaat uit. Tijdens de voorstelling zelf kijk ik stiekem rond en ik zie opnieuw hun grote ogen. Bram de Win, die de rol van Adi vertolkt, palmt hen helemaal in. Opnieuw word ik bevangen door een gevoel van angst.


Angstaanjagend hoe makkelijk de taal van verdeeldheid zich nestelt in de hoofden en de harten van intelligente, jonge mensen

Karel-Willem Delrue - leraar Nederlands & Engels
Dat is ongetwijfeld deels te wijten aan de diepe brom van de dreigende soundscapes en ook het fanatieke, rechtlijnige personage dat Bram neerzet is vrij beangstigend. Maar het is vooral omdat ik ook hier weer ondervind hoe makkelijk de taal van verdeeldheid zich een weg baant naar de hoofden en de harten van intelligente, jonge mensen.

Gelukkig is daar Stan Vangheluwe, die Bram op zijn hoogtepunt uit zijn rol haalt, hem een halt toeroept en hem duidelijk maakt dat hij moet ophouden. “Was ik erover?” Opluchting in de zaal.

Natuurlijk was hij erover. En ik voel me opgelucht omdat zij dat nog steeds inzien. In de anonieme duisternis van de zaal zullen ze uiteraard niet zomaar opstaan en hun stem verheffen, maar ze hebben ondervonden hoe makkelijk een massa zich laat opjutten en ze hebben aangevoeld hoe makkelijk mensen zich laten overtuigen en zich laten meeslepen. 
 

Theater doet denken

Achteraf leg ik mijn oor te luisteren. Ik vang veel lofbetuigingen over de acteerprestaties, de beelden en de muziek op en ik word bedolven onder vragen. Vragen over de theatertekens – daar moeten ze immers een taak over maken – maar ook vragen van een andere aard. “Zou de wereld er anders hebben uitgezien als hij wel was toegelaten, meneer”, “Zou zoiets in onze tijd nog kunnen gebeuren”. De voorstelling heeft hen in elk geval aan het denken gezet. Maar kan theater de wereld redden?

Uiteindelijk moeten zij vooral zelf bepalen welke (politieke) ideeën ze erop nahouden. Ik kan niet in hun hoofd kruipen om hun gedachten te manipuleren. En maar goed ook. Ik kan alleen maar hopen dat ze op een doordachte manier bouwen aan de wereld van morgen. Het is immers de wereld waarin mijn en hun kinderen zullen opgroeien. De toekomst, dié maken we zelf.

Karel-Willem Delrue

Wekelijks brengt Karel-Willem op zijn blog Meneer Delrue kleine verhalen die hij oppikt in zijn klas en school.