Gepubliceerd op
Duiding

M-decreet: 13 vragen over het ondersteuningsmodel

Scholen voor gewoon onderwijs worden sinds 1 september 2017 op een andere manier ondersteund voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Wat betekent dit? 13 veelgestelde vragen op een rijtje.
 

  1. Wat is de opdracht van een ondersteuner?

  2. De werkgever van een ondersteuner is het buitengewoon onderwijs, maar de werkplaats is het gewoon onderwijs. De opdracht van de ondersteuner bestaat uit het bieden van leraargerichte en leerlinggerichte ondersteuning in de scholen voor gewoon basis- en secundair onderwijs.

    In het basisonderwijs bedraagt de hoofdopdracht 22 lestijden, de schoolopdracht 26 klokuren. In het secundair onderwijs bedraagt de hoofdopdracht 22 lesuren of 22 uren binnen een wekelijkse prestatie van 26 klokuren. Dat is inclusief professionalisering, overleg en samenwerking, coördinatietaken en dienstverplaatsingen, en exclusief oudercontacten, administratieve taken en personeelsvergaderingen. Tijdens de overgangsfase van 3 jaar overlegt de Vlaamse overheid met de sociale partners over specifieke arbeidsvoorwaarden voor de ondersteuners en een competentieprofiel.

    In het kader van hun nieuwe taak krijgen ondersteuners de kans zich verder te professionaliseren. Vanaf september 2018 worden de middelen voor prioritaire nascholingen voorbehouden voor de professionalisering van ondersteuners. De competentiebegeleiders die met het M-decreet aan de pedagogische begeleidingsdiensten zijn toegevoegd, hebben ook een opdracht rond expertiseontwikkeling in de ondersteuningsnetwerken.
     

  3. Wat is het verschil tussen een zorgcoördinator/leerlingenbegeleider en een ondersteuner?

  4. Een zorgcoördinator of leerlingenbegeleider is aangesteld in het gewoon onderwijs. De zorgcoördinator/leerlingenbegeleider denkt mee over de school- en klaswerking, volgt leerlingen op die het moeilijk hebben en begeleidt ze indien nodig. Het gaat hier om de basis- en verhoogde zorg, fase 0 en 1 van het zorgcontinuüm.

    Een ondersteuner is aangesteld in het buitengewoon onderwijs. De ondersteuner heeft specifieke expertise die wordt ingezet als basiszorg en verhoogde zorg ontoereikend zijn en nadat CLB, school en ouders een handelingsgericht diagnostisch traject doorlopen hebben(fase 2 van het zorgcontinuüm: uitbreiding van zorg). De ondersteuning kan verschillende vormen aannemen, afhankelijk van wat de betrokken partijen samen beslissen: begeleiding van leerling, leraar of team, aanmaak van specifiek lesmateriaal enz.

    Leraren, zorgcoördinatoren/leerlingenbegeleiders en ondersteuners werken samen en delen deskundigheid om antwoorden te bieden op de ondersteuningsvragen die de gewone school heeft geformuleerd.
     

  5. Wat als een leerling een band heeft met een ondersteuner uit een ander netwerk?

  6. De ondersteuningsnetwerken moeten de ondersteuning efficiënter maken. In plaats van 5 ondersteuners met dezelfde expertise naar dezelfde school te sturen, is het beter om 1 voltijdse ondersteuner op die school te plaatsen. Zo hebben leerlingen, ouders en leraren een vast aanspreekpunt.

    Een ondersteuner wordt aan een school voor gewoon onderwijs gekoppeld op basis van expertise. Die moet aansluiten op de zorgnood in de school: het is niet de bedoeling dat iemand die expertise heeft in omgaan met kinderen met een visuele beperking plots een leerling met autisme gaat begeleiden.

    Ondersteuningsnetwerken en scholen voor buitengewoon onderwijs kunnen wel onderling samenwerken wanneer voor een bepaalde leerling specifieke expertise nodig is die in het eigen ondersteuningsnetwerk of de eigen school voor buitengewoon onderwijs niet voorhanden is.
     

  7. Heeft een ondersteuner werkzekerheid?

  8. De schoolbesturen van de scholen voor buitengewoon onderwijs in een ondersteuningsnetwerk beslissen welke personeelsleden uit het buitengewoon onderwijs als ondersteuner aan de slag gaan. Tijdens de overgangsperiode van 3 jaar kan je als ondersteuner niet vastbenoemd worden. Je bouwt echter wel rechten op met het oog op TADD in het ambt waarin je bent aangesteld. Deze rechten gelden ten aanzien van je schoolbestuur of scholengemeenschap. Wie al vastbenoemd is in het buitengewoon onderwijs blijft daar in principe tewerkgesteld, maar kan er ook voor kiezen om vrijwillig als ondersteuner aan de slag te gaan (je blijft dan vastbenoemd in je eigen ambt).
     

  9. Waarom een nieuw ondersteuningsmodel?

  10. Het nieuwe ondersteuningsmodel maakt zorg op school flexibeler. Het vertrekpunt voor ondersteuning is niet langer de medische problematiek of het label, maar de concrete zorgnood van een leerling. School, ouders en CLB beslissen samen of een leerling extra ondersteuning krijgt – en zo ja, welke. Door het belang van een diagnose als voorwaarde voor ondersteuning verder af te zwakken, kan de ondersteuning kinderen uit kwetsbare gezinnen bereiken, van wie de ouders niet rijk of mondig genoeg zijn om zo’n attest te bekomen.

    Sinds de start van het ondersteuningsmodel op 1 september 2018 krijgen ook méér kinderen in het gewoon onderwijs ondersteuning. Het gaat over kleuters met een matige of ernstige verstandelijke beperking – bv. het syndroom van Down – en leerlingen met een emotionele of gedragsstoornis – bijvoorbeeld ernstige ADHD.
     

  11. Hoe ziet de nieuwe ondersteuning eruit?

  12. De onderwijsbehoeften van de leerling zijn altijd het vertrekpunt: wat heeft dit kind nodig om te leren? En wat heeft de leraar nodig om dit kind te begeleiden zodat het tot leren komt? School, ouders en CLB beslissen samen of extra ondersteuning nodig is. Zo ja, bepalen ze ook de beste vorm: ondersteuning voor de leerling en hoeveel, begeleiding van de leraar of het team, aanmaak van lesmateriaal …

    School, ouders en CLB bepalen zelf wanneer de ondersteuning begint en eindigt, en ook hoeveel uren die bedraagt. Dat doen ze via regelmatig overleg en een jaarlijkse evaluatie. Het aantal uren ondersteuning kan tijdens het schooljaar wijzigen, afhankelijk van de ondersteuningsnood van leerling en/of leraar. De ondersteuning duurt zo lang als nodig en niet langer.

    Het plan van aanpak komt in een gemotiveerd verslag, uitgereikt door het CLB, dat de leerling toegang geeft tot ondersteuning. Vanaf schooljaar 2018-2019 is een medische diagnose geen voorwaarde meer voor de opmaak van een gemotiveerd verslag, maar kan het onderzoek naar de medische problematiek nog wel een onderdeel zijn van het Handelingsgericht Diagnostisch traject.

    Vanaf het schooljaar 2018-2019 hoeft een leerling ook niet langer 9 maanden buitengewoon onderwijs gevolgd te hebben om een gemotiveerd verslag type basisaanbod en ondersteuning te krijgen.

    jongen met down aan het kleuren
  13. Wie heeft recht op ondersteuning in het gewoon onderwijs?

    • Leerlingen met een verstandelijke, motorische, visuele of auditieve beperking
      Voor leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag voor type 2, 4, 6, 7 (auditieve beperking) blijft de ondersteuning zoals ze is. Scholen voor buitengewoon onderwijs die GON- of ION-begeleiding gaven in gewone scholen, blijven dit doen. Met het verschil dat de ondersteuning voortaan flexibel wordt ingezet, op maat van de leerling.
    •  

    • Leerlingen type basisaanbod (licht verstandelijke beperking of leerstoornis), leerlingen met een emotionele of gedragsstoornis, met een een spraak- of taalstoornis, of met een een autismespectrumstoornis
      Voor leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag voor type basisaanbod, 3, 7 (spraak- of taalstoornis) en 9 komt de ondersteuning van de ondersteuningsnetwerken.

     

  14. Wat als het buitengewoon onderwijs toch de beste optie lijkt?

  15. Wanneer een leerling beschikt over een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs of voor toegang tot een individueel aangepast curriculum (IAC) in het gewoon onderwijs, kunnen ouders en leerling de keuze maken voor een overstap naar het buitengewoon onderwijs of een IAC in een school voor gewoon onderwijs. Vanaf het schooljaar 2018-2019 wordt voor leerlingen met een vermoeden van emotionele of gedragsstoornis een uitzondering voorzien.

    Bij een vermoeden van een emotionele of gedragsstoornis, kan een leerling worden ingeschreven in een school voor buitengewoon onderwijs type 3 op basis van een voorlopig verslag. Deze maatregel kan genomen worden wanneer alle betrokkenen van oordeel zijn dat voor een leerling een aanbod van type 3 onderwijs noodzakelijk is, maar wanneer er nog geen diagnose van een emotionele of gedragsstoornis beschikbaar is. Dit kan slechts 1 keer in een schoolloopbaan gebeuren.

    Wanneer ouders na de opmaak van een voorlopig verslag hun kind toch niet wensen in te schrijven in een school voor buitengewoon onderwijs, kan de inschrijving in de school voor gewoon onderwijs niet ontbonden worden. Ook een andere school voor gewoon onderwijs mag de leerling niet weigeren op basis van een afweging van redelijke aanpassingen. De leerling kan ook geen IAC volgen op basis van een voorlopig verslag. Een voorlopig verslag heeft als doel een inschrijving in een school voor buitengewoon onderwijs type 3 mogelijk te maken maar heeft geen impact op inschrijvingsrecht in gewoon onderwijs.

    Als leerlingen overstappen naar het buitengewoon onderwijs (of vice versa), is hun plaats in de oude school voor 2 schooljaren gegarandeerd. In die periode kunnen ze altijd terugkeren, ook als dit betekent dat de school hen moet inschrijven in overcapaciteit.
     

  16. Wat is een ondersteuningsnetwerk?

  17. Een ondersteuningsnetwerk is een samenwerking tussen scholen uit het gewoon onderwijs met scholen uit het buitengewoon onderwijs, samen met de CLB’s en de pedagogische begeleidingsdiensten. Ondersteuners uit het buitengewoon onderwijs pakken samen met het lerarenteam in de gewone school, de ondersteuningsnoden aan. In het netwerk zitten ook de GON-, ION-, waarborgmiddelen en competentiebegeleiders. Vanaf het schooljaar 2018-2019 heeft elk ondersteuningsnetwerk middelen om een coördinator aan te stellen. Die middelen komen uit het budget van de pedagogische begeleidingsdiensten voor competentiebegeleiders.

    Het netwerk bepaalt zelf de grootte, die jaarlijks kan wijzigen (scholen die van netwerk willen veranderen, melden dit tegen 1 maart aan AGODI). Samenwerken met scholen uit andere ondersteuningsnetwerken mag, bijvoorbeeld wanneer bepaalde expertise nodig is.

    Om versnippering te voorkomen, moeten scholen van het officiële net (het gemeenschapsonderwijs, het provinciaal onderwijs en het onderwijs van de steden en gemeenten) vanaf het schooljaar 2018-2019 verplicht samenwerken in 1 officieel ondersteuningsnetwerk per regio. Scholen van het vrij onderwijs mogen daarbij aansluiten.
     

  18. Wat kost het nieuwe ondersteuningsmodel?

  19. In het schooljaar 2017-2018 investeerde de Vlaamse Regering 107 miljoen euro om leerlingen te ondersteunen met extra zorgnoden in het gewoon onderwijs, dat is 40% meer dan aan het begin van deze legislatuur. Dat zijn de middelen van GON-, ION-, waarborg- en competentiebegeleiders samen, plus een extra budget van 15 miljoen euro voor leerlingen die tijdens de GON en ION geen ondersteuning kregen.

    Vanaf het schooljaar 2019-2020 komt er een open end financiering voor de ‘kleine types’ (type 2, 4, 6, 7 (auditieve beperking)), waarbij elke leerling middelen genereert voor ondersteuning. Nu de ondersteuning niet meer beperkt is in tijd, zijn er namelijk meer zorgvragen. De open end financiering moet deze opvangen. Als overgangsmaatregel krijgen de kleine types in 2018-2019 al 16,7 miljoen euro extra middelen.

    In totaal zijn er in het ondersteuningsmodel nu zo’n 2300 voltijdse ondersteuners om scholen voor gewoon onderwijs te ondersteunen in het begeleiden van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.
     

  20. Hoe verkrijgen de ondersteuningsnetwerken hun middelen?

  21. De middelen worden over de ondersteuningsnetwerken verdeeld via een 70/30-verdeelsleutel. 70% wordt verdeeld op basis van het totale aantal leerlingen van de scholen voor gewoon onderwijs behorend tot het netwerk een school, 30% op basis van het gemiddelde aantal leerlingen met een gemotiveerd verslag of (inschrijvings)verslag van de 6 voorbije schooljaren in de scholen voor gewoon onderwijs behorend tot het netwerk.

    Om al te grote, plotse verschuivingen bij de onderwijsnetten te vermijden, loopt er een overgangsperiode van 3 jaar. In het schooljaar 2017-2018 werden alleen de waarborgmiddelen en het extra budget (15 miljoen) via de 70/30-regel verdeeld.

    De GON-budgetten zijn in eerste instantie bevroren. In het schooljaar 2017-2018 had iedereen hetzelfde budget als het jaar daarvoor. In het schooljaar 2018-2019 en 2019-2020 worden de GON-budgetten telkens voor 1/3 ‘ontdooid’ en toegevoegd aan de budgetten die volgens de 70/30-regel verdeeld worden. Commissies met vertegenwoordigers van de onderwijsverstrekkers en de vakorganisaties staan in voor de verdeling van middelen over de ondersteuningsnetwerken.

    Vanaf het schooljaar 2019-2020 is er voor de ondersteuningsnetwerken jaarlijks een gegarandeerde omkadering gelijk aan de omkadering van schooljaar 2018-2019, namelijk 13.623 lestijden en 12.985 uren voor het basisonderwijs, en 7.747 lesuren en 2.605 uren voor secundair onderwijs. Als het aantal inschrijvingen in het buitengewoon onderwijs zou stijgen en de middelen van de waarborgregeling daardoor zouden dalen t.o.v. het schooljaar 2018-2019, blijft deze omkadering gegarandeerd. Wanneer het aantal inschrijvingen in het buitengewoon onderwijs verder daalt, worden de bijkomende middelen van de waarborgregeling in de ondersteuningsnetwerken ingezet.
     

  22. Waar kunnen ouders met hun vragen terecht?

  23. De school van de leerling en het CLB blijven het eerste aanspreekpunt, maar daarnaast is er binnen elk netwerk ook een aanspreekpunt voor praktische vragen. De school moet die gegevens aan de ouders communiceren.
     

  24. Wat is het effect van het ondersteuningsmodel op het buitengewoon onderwijs? Wie volgt dit op?

  25. Als meer leerlingen en personeel verschuiven naar het gewoon onderwijs, dan verandert uiteraard ook het buitengewoon onderwijs. De sociale partners en de Vlaamse overheid brengen die gevolgen in kaart.

    In het schooljaar 2017-2018 werd een rapport opgemaakt over de opstart van het nieuwe ondersteuningsmodel. Tegen september 2019 komt er een uitgebreidere evaluatie. Speciale aandacht gaat naar de 70/30-verdeelsleutel, het effect op personeel, de verschuivingen van leerlingen en de effecten op klasvloer.
     


    Lees meer over de oprichting van ondersteuningsnetwerken en het ondersteuningsmodel.

Het beste van Klasse in je mailbox?

  • Al 51.000 leraren zijn abonnee
  • 1 keer per week en helemaal gratis
  • Verhalen van collega’s, concrete praktijktips, exclusieve wedstrijden ...