Duiding Gepubliceerd op

M-decreet: 12 vragen over het nieuwe ondersteuningsmodel

28 reacties

Log in om te bewaren.

Delen
Scholen voor gewoon onderwijs worden sinds 1 september 2017 op een andere manier ondersteund voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Welke vragen over de omzendbrieven krijgt het Ministerie van Onderwijs en Vorming het vaakst? Klasse zet ze op een rijtje.
 

  1. Wat is de opdracht van een ondersteuner?

  2. De werkgever van een ondersteuner is het buitengewoon onderwijs, maar de werkplaats is het gewoon onderwijs. In het basisonderwijs bedraagt de hoofdopdracht 22 lestijden of 22 uren, de schoolopdracht 26 klokuren. In het secundair onderwijs bedraagt de hoofdopdracht 22 lesuren of 22 uren binnen een wekelijkse prestatie van 26 klokuren. Dat is inclusief professionalisering, overleg en samenwerking, coördinatietaken en dienstverplaatsingen, en exclusief oudercontacten, administratieve taken en personeelsvergaderingen. Tijdens de overgangsfase van 3 jaar overlegt de Vlaamse overheid met de sociale partners over specifieke arbeidsvoorwaarden voor de ondersteuners en een competentieprofiel.

    In het kader van hun nieuwe taak krijgen ondersteuners de kans zich verder te professionaliseren. Vanaf september 2018 worden de middelen voor prioritaire nascholingen voorbehouden voor de professionalisering van ondersteuners.

    Gedurende dit schooljaar kunnen ze ook aansluiten bij lopende professionaliseringsprojecten rond de implementatie van het M-decreet in scholen voor gewoon onderwijs. De competentiebegeleiders die met het M-decreet aan de pedagogische begeleidingsdiensten zijn toegevoegd, hebben ook een opdracht rond expertiseontwikkeling in de ondersteuningsnetwerken.
     

  3. Wat is het verschil tussen een zorgcoördinator/leerlingenbegeleider en een ondersteuner?

  4. Een zorgcoördinator of leerlingenbegeleider is aangesteld in het gewoon onderwijs. De zorgcoördinator/leerlingenbegeleider denkt mee over de school- en klaswerking, volgt leerlingen op die het moeilijk hebben en begeleidt ze indien nodig. Het gaat hier om de basis- en verhoogde zorg, fase 0 en 1 van het zorgcontinuüm.

    Een ondersteuner is aangesteld in het buitengewoon onderwijs. De ondersteuner heeft specifieke expertise die wordt ingezet als basiszorg en verhoogde zorg ontoereikend zijn en nadat CLB, school en ouders een handelingsgericht diagnostisch traject doorlopen hebben(fase 2 van het zorgcontinuüm: uitbreiding van zorg). De ondersteuning kan verschillende vormen aannemen, afhankelijk van wat de betrokken partijen samen beslissen: begeleiding van leerling, leraar of team, aanmaak van specifiek lesmateriaal enz.

    Leraren, zorgcoördinatoren/leerlingenbegeleiders en ondersteuners werken samen en delen deskundigheid om antwoorden te bieden op de ondersteuningsnoden die de gewone school heeft geformuleerd.
     

  5. Wat als een leerling een band heeft met een ondersteuner uit een ander netwerk?

  6. De ondersteuningsnetwerken moeten de ondersteuning efficiënter maken. In plaats van 5 ondersteuners met dezelfde expertise naar dezelfde school te sturen, is het beter om 1 voltijdse ondersteuner op die school te plaatsen. Zo hebben leerlingen, ouders en leraren een vast aanspreekpunt.

    Een ondersteuner wordt aan een school voor gewoon onderwijs gekoppeld op basis van expertise. Die moet aansluiten op de zorgnood in de school: het is niet de bedoeling dat iemand die expertise heeft in omgaan met kinderen met dyspraxie plots een leerling met autisme gaat begeleiden.

    Scholen kunnen onderling samenwerken zodat de leerling alsnog ondersteund kan blijven door de vroegere begeleider – mits dat vooraf is afgesproken. Het moet wel haalbaar blijven, in tijd en afstand.
     

  7. Heeft een ondersteuner werkzekerheid?

  8. De schoolbesturen van de scholen voor buitengewoon onderwijs in een ondersteuningsnetwerk beslissen welke personeelsleden uit het buitengewoon onderwijs als ondersteuner aan de slag gaan. Tijdens de overgangsperiode van 3 jaar kan je als ondersteuner niet vastbenoemd worden (je bouwt echter wel rechten op met het oog op TADD). Wie al vastbenoemd is in het buitengewoon onderwijs blijft daar in principe tewerkgesteld, maar kan er ook voor kiezen om vrijwillig als ondersteuner aan de slag te gaan (je blijft dan vastbenoemd in je eigen ambt).
     

  9. Waarom een nieuw ondersteuningsmodel?

  10. Het nieuwe ondersteuningsmodel maakt zorg op school flexibeler. Het vertrekpunt voor ondersteuning is niet langer de medische problematiek of het label, maar de concrete zorgnood van een leerling. Ouders, school en CLB beslissen samen of een leerling extra ondersteuning krijgt – en zo ja, welke. Door het belang van een diagnose als voorwaarde voor ondersteuning verder af te zwakken, kan de ondersteuning kinderen uit kwetsbare gezinnen bereiken, van wie de ouders niet rijk of mondig genoeg zijn om zo’n attest te bekomen.

    De Vlaamse Regering investeert dit schooljaar 15 miljoen euro extra in de begeleiding van leerlingen die tot nu geen ondersteuning kregen in het gewoon onderwijs. Het gaat bijvoorbeeld over kleuters met een matige of ernstige verstandelijke beperking, zoals het syndroom van Down, en leerlingen met een emotionele of gedragsstoornis, bijvoorbeeld ernstige ADHD. Naar schatting gaat het in totaal om 2400 leerlingen. De begeleiding van die kinderen wordt voortaan door de ondersteuningsnetwerken georganiseerd. Dit schooljaar gingen ze van start, met een overgangsperiode van 3 jaar.
     

  11. Hoe ziet de nieuwe ondersteuning eruit?

  12. De onderwijsbehoeften van de leerling zijn altijd het vertrekpunt: wat heeft dit kind nodig om te leren? En wat heeft de leraar nodig om dit kind te begeleiden zodat het tot leren komt? Ouders, school en CLB beslissen samen of extra ondersteuning nodig is. Zo ja, ook de beste ondersteuningsvorm: ondersteuning voor de leerling en hoeveel, begeleiding van de leraar of het team, aanmaak van lesmateriaal …

    Ouders, school en CLB bepalen zelf wanneer de ondersteuning begint en eindigt, en ook hoeveel uren die bedraagt. Dat doen ze via regelmatig overleg en een jaarlijkse evaluatie. Het aantal uren ondersteuning kan tijdens het schooljaar wijzigen, het aantal middelen niet. De ondersteuning duurt zo lang als nodig en niet langer.

    Het plan van aanpak komt in een gemotiveerd verslag, uitgereikt door CLB, dat de leerling toegang geeft tot ondersteuning. Tijdens het schooljaar 2017-2018 maakt het medisch attest nog deel uit van dat gemotiveerd verslag, daarna wordt het stapsgewijs losgelaten.

    jongen met down aan het kleuren
  13. Wie heeft recht op ondersteuning in het gewoon onderwijs?

    • Leerlingen met een verstandelijke, motorische, visuele of auditieve beperking
      Voor leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag voor type 2, 4, 6, 7 (auditieve beperking) blijft de ondersteuning zoals ze is. Scholen voor buitengewoon onderwijs die GON- of ION-begeleiding gaven in gewone scholen, blijven dit doen. Met het verschil dat de ondersteuning voortaan flexibel wordt ingezet, op maat van de leerling.
    •  

    • Leerlingen met een licht verstandelijke beperking of leerstoornis, een emotionele of gedragsstoornis, een spraak- of taalstoornis, of een autismespectrumstoornis
      Leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag voor type basisaanbod, 3, 7 (spraak- of taalstoornis) en 9 krijgen begeleiding via de ondersteuningsnetwerken.

     

  14. Wat is een ondersteuningsnetwerk?

  15. Een ondersteuningsnetwerk is een samenwerking tussen scholen uit het gewoon onderwijs met scholen uit het buitengewoon onderwijs, samen met de CLB’s en de pedagogische begeleidingsdiensten. Ondersteuners uit het buitengewoon onderwijs pakken samen met het leerkrachtenteam in de gewone school, de ondersteuningsnoden aan. In het netwerk komen ook de GON-, ION-, waarborgmiddelen en competentiebegeleiders.

    Sinds 1 september 2017 zijn 30 netwerken actief. Het kleinste netwerk omvat 17 scholen, het grootste 334. Gemiddeld werken 118 scholen samen. Het netwerk bepaalt zelf de grootte, die jaarlijks kan wijzigen (scholen die van netwerk willen veranderen, melden dit tegen 1 maart aan AGODI). Samenwerken met scholen uit andere ondersteuningsnetwerken mag, bijvoorbeeld als een leerling tijdens vorige schooljaren een band heeft opgebouwd met een ondersteuner (zie hierboven).

    Om versnippering te voorkomen, moeten scholen van het officiële net (het gemeenschapsonderwijs, het provinciaal onderwijs en het onderwijs van de steden en gemeenten) vanaf het schooljaar 2018-2019 verplicht samenwerken in 1 officieel ondersteuningsnetwerk per regio. Scholen van het vrij onderwijs mogen daarbij aansluiten.
     

  16. Wat kost het nieuwe ondersteuningsmodel?

  17. Dit schooljaar investeert de Vlaamse Regering 107 miljoen euro om leerlingen te ondersteunen met extra zorgnoden in het gewoon onderwijs, dat is 40% meer dan aan het begin van deze legislatuur. Dat zijn de middelen van GON-, ION-, waarborg- en competentiebegeleiders samen. Daarnaast komt er 15 miljoen euro extra voor 2400 leerlingen die nu geen ondersteuning krijgen. Er komen 300 extra personeelsleden om ze te begeleiden. Dat brengt het totaal aantal ondersteuners in het kader van het M-decreet op 2000.
     

  18. Hoe verkrijgen de ondersteuningsnetwerken hun middelen?

  19. De middelen worden over de ondersteuningsnetwerken verdeeld via een 70/30-verdeelsleutel. 70% wordt verdeeld op basis van het totale aantal leerlingen van de scholen voor gewoon onderwijs behorend tot het netwerk een school, 30% op basis van het gemiddelde aantal GON-leerlingen van de 6 voorbije schooljaren in de scholen voor gewoon onderwijs behorend tot het netwerk.

    Om al te grote, plotse verschuivingen bij de onderwijsnetten te vermijden, loopt er een overgangsperiode van 3 jaar. Dit schooljaar worden alleen de waarborgmiddelen en het extra budget (15 miljoen) via de 70/30-regel verdeeld.

    De GON-budgetten zijn in eerste instantie bevroren, dit jaar heeft dus iedereen hetzelfde budget als vorig jaar. De 2 schooljaren daarna worden de GON-budgetten telkens voor 1/3 ‘ontdooid’ en toegevoegd aan de budgetten die volgens de 70/30-regel verdeeld worden. Commissies met vertegenwoordigers van de onderwijsverstrekkers en de vakorganisaties zullen instaan voor de verdeling van middelen over de ondersteuningsnetwerken.
     

  20. Waar kunnen ouders met hun vragen terecht?

  21. Het CLB blijft het eerste aanspreekpunt, maar daarnaast is er binnen elk netwerk ook een aanspreekpunt voor praktische vragen. De school heeft die contactgegevens begin dit schooljaar aan de ouders gecommuniceerd.

    Voor schooljaar 2018-2019 zullen ouders al in het derde trimester van schooljaar 2017-2018 weten welke begeleiding hun kind zal krijgen. Ook de scholen zullen dan al hun pakket uren kennen (3 maanden eerder dan vroeger het geval was).
     

  22. Wat is het effect van het nieuwe ondersteuningsmodel op het buitengewoon onderwijs? Wie volgt dit op?

  23. Als meer leerlingen en personeel verschuiven naar het gewoon onderwijs, dan verandert uiteraard ook het buitengewoon onderwijs. De sociale partners en de Vlaamse overheid zullen die gevolgen in kaart brengen. Dit schooljaar komt er een grondige evaluatie en monitoring van het nieuwe ondersteuningsmodel. De resultaten daarvan zijn voor september 2019. Speciale aandacht gaat naar de 70/30-verdeelsleutel, het effect op personeel, de verschuivingen van leerlingen en de effecten op klasvloer.
     


    Lees meer over de oprichting van ondersteuningsnetwerken en het ondersteuningsmodel.