Gepubliceerd op
Actueel

Opstart ondersteuning M‑decreet: 5 belangrijke bevindingen

In september 2017 ging het nieuwe ondersteuningsmodel van start voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. De bedoeling is om de begeleiding van die leerlingen in het gewoon onderwijs meer flexibel en op maat aan te bieden. Op vraag van het Vlaams Parlement maakte een uitgebreide stuurgroep samen met Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits een rapport over de opstart van dit ondersteuningsmodel, met de bedoeling snel te kunnen bijsturen en de ondersteuning te verfijnen.

Het verslag is een ‘foto’ van de eerste 6 weken van het nieuwe ondersteuningsmodel en dus geen wetenschappelijke evaluatie. Klasse selecteerde 5 belangrijke bevindingen.
 

  1. De opstart gebeurde onder grote tijdsdruk

  2. De bestaande waarborgregeling nog een jaar langer aanhouden, was geen optie omdat te veel scholen geen of onvoldoende ondersteuning kregen. Vandaar dat er snel een nieuw model nodig was. Een nieuw model invoeren vraagt tijd, daarom is ook in een overgangsperiode van 3 jaar voorzien. De start zorgde wel voor onduidelijkheid bij scholen, ondersteuners, ouders en CLB’s. Er was niet altijd voldoende tijd voor reflectie en overleg over de ondersteuningsvragen of de ondersteuningsvraag werd pas gesteld na de start van het schooljaar.

    Voor het schooljaar 2018-19 zullen een aantal problemen eigen aan de opstartfase al weggewerkt zijn. De ondersteuningsnetwerken zullen sneller zicht hebben op de verdeling van de middelen. Zo is er meer tijd om de ondersteuningsvragen goed te bespreken met ouders en CLB en afspraken te maken over de invulling van de ondersteuning met scholen voor buitengewoon onderwijs. Het is essentieel dat scholen voor gewoon onderwijs hierbij de regie opnemen en ouders daarbij betrekken.
     

  3. Samenwerkingen tussen scholen zijn (deels) veranderd

  4. Vlaanderen telt nu 30 ondersteuningsnetwerken. Dat zijn netwerken waarin scholen buitengewoon en gewoon onderwijs samenwerken en expertise delen. Bijna alle scholen hebben zich bij zo’n netwerk aangesloten – ook scholen voor buitengewoon onderwijs met een aanbod type 2, 4, 6, 7 (auditieve beperking), die hiertoe niet verplicht zijn. Scholen voor buitengewoon onderwijs zitten in een ondersteuningsnetwerk met 49% van de gewone scholen waar ze al mee samenwerkten in het kader van GON, ION of waarborg, en 51% nieuwe scholen. 23 van de 30 ondersteuningsnetwerken zijn netoverschrijdend samengesteld, hoewel scholen van één net vaak dominant aanwezig zijn.

    Gewone scholen mogen samenwerken met een school voor buitengewoon onderwijs type 2, 4, 6, 7 (auditieve beperking) uit een ander netwerk, bijvoorbeeld om handicapspecifieke expertise te garanderen of als er een band is tussen een ondersteuner en een voormalige GON/ION-leerling. Door het aansluiten van scholen voor buitengewoon onderwijs type 2, 4, 6, 7 (auditieve beperking) bij ondersteuningsnetwerken gebeurt dit niet meer altijd. Daardoor bestaat het risico dat er onvoldoende expertise is voor een specifieke beperking.
     

  5. De middelen evolueren stap per stap

  6. De GON/ION-middelen voor het schooljaar 2017-2018 zijn voor 100% teruggegeven aan de scholen voor buitengewoon onderwijs, zodat ze zekerheid hebben over die middelen. De samenwerkingen tussen scholen zijn met het nieuwe model wel veranderd, waardoor de middelen nog niet altijd evenwichtig verdeeld zijn over de scholen voor buitengewoon onderwijs. Dit onevenwicht zal naar volgend schooljaar toe worden opgevangen door de bijkomende verdeling van middelen door paritaire commissies of door onderlinge samenwerking tussen scholen voor buitengewoon onderwijs / ondersteuningsnetwerken.
     

  7. Er wordt meer ondersteuning geboden

  8. In 2016 werden 14.802 leerlingen ondersteund in het kader van GON of ION. In oktober waren er al 22.228 leerlingen die voor dit schooljaar ondersteuning krijgen. In het nieuwe ondersteuningsmodel worden dus meer leerlingen ondersteund. Dat kan omdat het budget stijgt. Terwijl er vroeger voor GON en ION 63 miljoen euro beschikbaar was, is er voor het ondersteuningsmodel in leerplichtonderwijs 103 miljoen euro beschikbaar, door de waarborgregeling voorzien in het M-decreet en een extra budget van 15,2 miljoen euro. Hierdoor hebben nu ook kleuters met een type 2 verslag en leerlingen met emotionele of gedragsproblemen zonder diagnose ook recht op ondersteuning.

    In verschillende ondersteuningsnetwerken werden ondersteuningsvragen gesteld die niet voldeden aan de criteria om ondersteuning te krijgen. Dit toont dat het zorgbeleid en fase 0 (brede basiszorg) en 1 (verhoogde zorg) van het zorgcontinuüm nog niet overal op punt staan. Versterking en professionalisering binnen het gewoon onderwijs blijft nodig.
     

  9. Ondersteuners hebben ervaring vanuit GON, ION en waarborg

  10. Het ondersteuningsmodel telt 1900 voltijdse ondersteuners, ten opzichte van 1536 ondersteuners (GON, ION, waarborg) in 2016. 83% van alle ondersteuners komt van een vroegere tewerkstelling in GON, ION of de waarborgregeling. Het gaat om personeelsleden uit verschillende disciplines.

    Het nieuwe ondersteuningsmodel maakt zorg op school flexibeler. Ondersteuningsvragen kunnen gedurende het hele schooljaar worden gesteld. Ondersteuners flexibel inzetten, is nog niet evident. Scholen voor buitengewoon onderwijs en ondersteuningsnetwerken moeten hun organisatie hier nog op afstemmen en scholen voor gewoon onderwijs zijn vaak nog vragende partij voor vaste ondersteuningsmomenten.

    Wat betreft de invulling van ondersteuning zijn scholen en ondersteuningsnetwerken nog zoekende. Moet een ondersteuner handicapspecifieke expertise hebben of vooral goed kunnen coachen? Moet de ondersteuning zich richten op de leraar of het team, of eerder op de leerling? Vooral in secundaire scholen blijkt leraar- of teamgericht werken moeilijker.

 

Hoe nu verder?

De overheid gaat samen met de koepels, vakbonden, ouder- en belangenverenigingen met dit rapport aan de slag. Een belangrijke taak op korte termijn is een tijdige en meer evenredige verdeling van de middelen voor het schooljaar 2018-19. Zo kunnen scholen en ondersteuningsnetwerken eind dit schooljaar al de nodige ondersteuning voorbereiden voor volgend schooljaar.

Het rapport ‘Stand van zaken over de opstart van het Ondersteuningsmodel’ baseert zich op informatie van de ondersteuningsnetwerken en scholen voor buitengewoon onderwijs, verkregen via de koepels en het GO!, informatie van vakbonden, CLB en ouder- en belangenverenigingen. Het schrijven van het rapport gebeurde in dialoog met de stuurgroep ondersteuningsmodel en ouder- en belangenverenigingen. Het rapport is een foto van de opstart en beslaat de periode van midden augustus tot eind oktober.

Het volledige rapport kan je hier nalezen.

Het beste van Klasse in je mailbox?

  • Al 51.000 leraren zijn abonnee
  • 1 keer per week en helemaal gratis
  • Verhalen van collega’s, concrete praktijktips, exclusieve wedstrijden ...