Gepubliceerd op
Verhaal

Directeur Esmeralda: “Ik was zelf een kansarm kind”

“Mijn vader was een schipper”, zegt Esmeralda Verton, directeur van basisschool De Toverberg in Sint-Amandsberg. “Ik was niet voorbestemd voor hogere studies. Maar mijn leraren en opvoeders haalden me uit de kansarmoede. Dat is de rol van de school: kansen bieden. Daar werken wij in onze school elke dag aan.”
 

“Ik ben een schipperskind. Geboren in een heel geborgen, maar besloten gezin. Ik heb erg weinig contact met andere kinderen. Want we zijn altijd onderweg met de boot. En wat bijzonder is: ik zie mijn papa werken. Andere kinderen zien hun papa ’s ochtends de deur uitgaan en ’s avond weer thuiskomen. En weten niet wat hij overdag heeft gedaan. Ik wel. Mijn papa kan alles, denk ik. En dat maakt hem in mijn ogen een echte held.”

“In die vroege jaren 1960 is het niet de gewoonte dat schipperskinderen naar de kleuterschool gaan. Maar ik ben een nieuwsgierig kind. En ik leer mezelf wat lezen: ‘aap’, ‘noot’, ‘mies’ met het leesplankje van Hoogeveen dat mijn papa voor me koopt. Pas als ik 6 ben, moet ook ik naar school. Naar de schippersschool in Evergem.”

Directeur Esmeralda over Kansarmoede

Esmeralda Verton, directeur basisschool De Toverberg: “Het oude klassikale systeem werkt niet meer met onze leerlingen”

Op internaat

“Een bom, zeker voor mijn ouders, hebben ze me achteraf verteld. Want ik moet op internaat. Als je dan om de 14 dagen naar huis kan, ben je een gelukzak. Ik heb dat eerste jaar de pech dat het een heel strenge winter is. Ik zie mijn ouders 3 maanden niet. Want ze liggen ingevroren met hun schip in Frankrijk. En hebben natuurlijk geen auto. Dat is later nog een paar keer gebeurd. Mijn ouders hebben ons zelfs ooit met een taxi laten overbrengen naar Frankrijk. Een hoop geld dat dat heeft gekost!”

“Noem me gerust kansarm. Mijn vader, nochtans een intelligente man, heeft de lagere school niet afgewerkt. Mijn moeder heeft tot haar 14de in de huishoudschool gezeten. Daarmee ben ik wel een doorsnee arbeiderskind in die tijd. Maar ik heb geluk. In de lagere school gaat het makkelijk. Ik ben een goeie leerling. Dat is niet echt mijn verdienste. Ik heb gewoon de juiste bagage om mee te draaien in ons onderwijssysteem. En ik heb goeie leraren, en vooral schitterende opvoeders die me aanmoedigen, positief bekrachtigen en me de goesting voor de school geven.”

“Dat is niet zo evident. Op het internaat is een opvoeder verantwoordelijk voor 20 kinderen. Die kan nooit evenveel individuele aandacht aan een kind geven als ouders dat kunnen. Maar toch heb ik opvoeders die de groep een goed gevoel geven. Die aandacht hebben voor kinderen met verdriet, die het juiste troostende woord op het juiste moment geven. Want als je klein bent, word je af en toe ziek. Dat is normaal. Of je valt en je knie ligt open. Op internaat is dan er geen mama of papa om jou te troosten. Je bent op jezelf aangewezen. Dan is het fijn dat een opvoeder die rol – al is het maar even – overneemt.”

“Ik zit 10 jaar op internaat. Ook al heb ik erg zorgzame ouders, als internaatskind word je grotendeels door andere mensen opgevoed. Ze kneden je gedachtegoed, je visie op de wereld. Bij mijn opvoeders zitten een aantal mei-68’ers. Met hun ideeën over sociale rechtvaardigheid, trekken ze de wereld voor me open. Ze stimuleren me, geloven in me en geven me het gevoel: ik leer bij, dit is boeiend, hier wil ik meer over weten.”

“Die duw in de rug heb ik nodig als ik naar het secundair ga. Want dan kom ik plots terecht bij kinderen die veel meer kennis over de wereld hebben dan ik. Vooral als het gaat over kunst en cultuur. Ik moet dus een serieuze inhaalbeweging maken. Maar dat doe ik met plezier. Want ik wil absoluut verder studeren. Zoals de andere schipperskinderen, ben ik niet voorbestemd om hoger onderwijs te gaan doen. Schipperszonen worden schippers, schippersdochters trouwen met een schipper. Maar ik stroom toch door. Omdat mijn leraren en opvoeders voor drive en goesting zorgen. Ik spiegel me aan hen. Ook al is het leven aan boord leuk, ik heb de rest van de wereld leren kennen en die wil ik verder ontdekken.”


Schippersdochters trouwen met een schipper. Ik stroom toch door. Omdat mijn leraren en opvoeders voor goesting zorgen

“Mijn vader heeft zijn eigen binnenschip, maar economisch gaat het midden jaren 1970 niet goed. Daarom verkoopt hij zijn schip en gaat in loondienst werken op grotere schepen. Zo komen wij aan land en gaan in Gent wonen. En ik wil verder studeren. Pedagogie of psychologie. Maar mijn vader wil dat niet. ‘Niet voor mensen zoals wij’, zegt hij. Koudwatervrees, weet ik nu. En al ben ik meer academisch ingesteld, ik kies voor de lerarenopleiding lager onderwijs. Daar krijg ik later geen spijt van.”

“Alleen is er als ik afstudeer begin jaren 1980 geen werk voor onderwijzers. Ik doe hier en daar interims, maar dat schiet niet op. Dus ga ik werken bij Dienstencentrum De Boei, dat sociale diensten verleent aan binnenschippers. Ik ben de geknipte persoon: ik ken de leefwereld en ik ben hogeropgeleid. Ik merk door welk kluwen lageropgeleiden zich moeten werken om steun te krijgen. Die kennis komt me later van pas als ik met kansarme ouders op school praat.”
 

Voor de klas

“Begin jaren 1990 rol ik dan toch het onderwijs in. Ik sta 10 jaar voor de klas in de lagere school. Ik verander geregeld van leerjaar. En ik amuseer me er geweldig. Want ik kan daar helemaal mezelf zijn. Als een leerling me een moeilijke wiskundige vraag stelt, antwoord ik: ‘Sorry, dat weet ik even niet. Daar moet ik over denken. Want ik ben niet zo sterk in wiskunde.’ En dan zie je ze zo’n ogen trekken. ‘Rekenen voor de lagere school, dat lukt, maar wiskunde vanaf het derde jaar secundair, daar kan ik niet goed meer volgen. Maar dat is niet erg, he. In taal ben ik supergoed.’ Dat vinden die kinderen geweldig. Je hoeft geen god te zijn voor je leerlingen. Ze zien wel waar je goed in bent. Als je maar consequent bent. En het goede voorbeeld geeft.”

“Ik leer er ook werken aan de persoonlijkheid van mijn leerlingen. Zorgen dat ze in zichzelf geloven. Dat ze goed in hun vel zitten. Want in je klas zitten soms kinderen die al heel wat ellende hebben doorgemaakt. Hun hoofd zit vol met grotemensenzorgen waardoor er minder plaats is om te leren. Dan moet je op school een plaats creëren waar ze wel gelukkig kunnen zijn en waar ze kunnen groeien.”

“Zo kom ik zo’n 10 jaar terug in De Toverberg terecht. Ik kies heel bewust om in een school te werken met veel kansarmoede. Want als we de cycli van armoede en kansarmoede ooit willen doorbreken, dan zal dat via onderwijs gebeuren. Vergelijk het met Foster Parents. Daar steun je één kind in zijn onderwijsparcours. Als dat kind hogerop geraakt, tilt dat heel zijn gezin, zelfs een hele dorpsgemeenschap naar boven. Maar dat gaat op voor alle kinderen in armoede, of ze nu allochtoon of autochtoon zijn. Als ik de voorbeelden van mijn opvoeders en leraren niet had gehad, had ik nooit de drive gehad om naar het secundair te gaan, mijn school te kiezen, en naar het hoger onderwijs te gaan.”

“Probleem is: we slagen er in Vlaanderen onvoldoende in om kansarmen een stap hoger te tillen via onderwijs. Nochtans is dat de rol van de school: jonge mensen emanciperen, ze kansen bieden. Maar hoeveel jongeren met migratieachtergrond zitten op de universiteit? Hoeveel allochtonen staan er voor de klas? Intelligentie wordt nochtans niet bepaald door je etnische of sociale achtergrond. Dat ligt dus aan andere mechanismen. Onze traditionele leermethodes zijn op maat geschreven van autochtone kinderen van hogeropgeleiden. Of beter nog: op kinderen van onderwijsmensen. Die zijn het meest aangepast aan ons onderwijs.”

“Dat merk ik maar al te goed als ik directeur word in deze school. Het oude klassikale systeem werkt niet meer met ons publiek. Hier zitten kinderen van meer dan 15 verschillende nationaliteiten. En we hebben elk jaar zo’n 20 anderstalige nieuwkomers. Als je die in het klassieke model van klassikaal onderwijs stopt, krijg je 2 effecten: de kinderen worden lastig en opstandig en geloven er niet meer in, en je leraren geven het ook op.”

Directeur Esmeralda over Kansarmoede

Esmeralda Verton, directeur basisschool De Toverberg: “Schippersdochters trouwen met een schipper. Ik stroom toch door. Omdat mijn leraren en opvoeders voor goesting zorgen”

Jaarklassen worden trapklassen

“Op dat moment staat mijn besluit vast: als een systeem niet meer werkt, dan moet je het herdenken. Mensen veranderen, dat is moeilijk, maar een systeem, dat is gewoon een organogram. Daarom gooien we de jaarklassen overboord. En laten we onze leerlingen modulair leren, in trapklassen. Daarin zitten 2 leeftijdsgroepen samen. De leerlingen krijgen niet allemaal dezelfde les voor Nederlands en wiskunde. Ze zijn per vakonderdeel opgedeeld in niveaugroepen. De leerlingen ontwikkelen zich in hun eigen tempo. Kijk naar hoe baby’s zich ontwikkelen. Niemand verwacht dat elke baby op hetzelfde moment loopt of praat. Waarom accepteren we dat dan niet voor oudere kinderen? “

“We stippelen individuele curricula uit voor onze kinderen. Ze steken meer tijd in waar ze minder goed zijn, én ze gaan vlugger vooruit in waarin ze wél goed zijn. Zo falen die kinderen niet meer over de hele lijn. Integendeel. Ze krijgen een hoger zelfbeeld en voelen zich veel beter. Want als kinderen merken dat ze vooruitgaan, zijn ze trots. En zijn ze gemotiveerd om verder te leren.”

“Dat hele systeem omgooien is niet makkelijk. Net zoals ik vroeger op mezelf aangewezen ben op internaat, moet ik ook hier het bos in. Maar ik zie veeleer oplossingen dan problemen. Ik pak graag iets nieuws aan en denk: dit lukt wel. Zeker als ik dat samen kan doen met anderen. Ik heb veel overredingskracht nodig, maar heb gelukkig een gemotiveerd team. We kennen moeilijke momenten. Sommige leraren stoppen. Maar de meesten blijven.”

“Je moet als leraar natuurlijk een serieuze mentale switch maken als je afstapt van jaarklassen. Dat kost bloed, zweet en tranen. En veel en hard werken. Maar niemand heeft er iets op tegen om harder te werken als hij daar gelukkiger van wordt. Zeker niet op school. Leraren zijn immers niet in het onderwijs gestapt om zelf ongelukkig te zijn en voor ongelukkige leerlingen te staan.”

“Ik geef mijn leraren in het begin de nodige ruimte. ‘Ik kom je een jaar lang niet lastigvallen in je klas’, verzeker ik hen. Ze mogen gerust de mist ingaan. Maar dat gebeurt niet. Een onderwijzer verliest niet van de ene dag op de andere zijn talent om les te geven, he. Aan leraren die panikeren, zeg ik: ‘Luister eens goed. Ik zet je op een vliegtuig naar een dorp in Afrika. Ze stellen je aan als onderwijzer, maar je hebt geen schoolgebouw, geen boeken, banken, niemendal. Doe je niets met die 25 kinderen die voor je neus zitten? Daar geloof ik niets van. Je zal een stokje nemen, in het zand schrijven, vanalles tonen en beginnen te vertellen. Wat kan er nu misgaan als je je job kent?”

“We zijn nu 10 jaar verder. En het loopt niet mis. Integendeel. Dat is een gigantische pluim voor het hele schoolteam. Nu de kinderen aan hun eigen tempo werken, zien de leraren plots veel beter de vooruitgang die elk kind maakt. En als je leerlingen vooruitgaan, dan voel je je als leraar geslaagd. En de kinderen ontdekken nu ook veel makkelijker waar hun talenten liggen. Ze maken een bewustere studiekeuze voor het secundair. En mikken hoger dan vroeger, omdat hun zelfbeeld hoger is.

“En onze anderstalige nieuwkomers krijgen meer kansen op school. Ze leren in hun eigen tempo de onderwijstaal aan, terwijl sommigen onder hen na korte tijd een gigantische leerwinst boeken in wiskunde, omdat ze daar veel vlugger vooruit kunnen gaan. Ach, in ons Vlaamse onderwijs verwarren we taalbeheersing nog al te vaak met intelligentie. In blanke scholen regent het ook attesten voor leerstoornissen. Maar als een anderstalig kind het niet goed doet op school, dan krijgt het een intelligentietest voorgeschoteld. Terwijl de leerstoornis van een kind soms zo duidelijk is dat die bijna ontploft in je gezicht. Zit er dan een genetische fout in het Kaukasische ras waardoor alleen wij geplaagd worden door leerstoornissen? Dat klopt toch niet?”
 

Creativiteit stimuleren

“We proberen op school de kinderen ook breed te waarderen en te evalueren. Creativiteit is erg belangrijk, ook binnen de kennisvakken. Want om creatief te zijn, hoef je niet goed te kunnen rekenen, noch Nederlands te kunnen praten. Maar als je iets gemaakt hebt, wil je daar wel aan de andere kinderen iets over zeggen. Zo stimuleren we de taalontwikkeling van onze leerlingen. Terwijl we vroeger extra uren staken in oefenen op taal en rekenen, reserveren we die nu voor vrije ruimte waarin de leerlingen creatief kunnen zijn.”

“Zo organiseren we elk jaar een schrijfwedstrijd. Elke leerling doet mee. Ook anderstalige nieuwkomers. Dat geeft vaak onverwachte en prachtige resultaten. Want het is niet omdat je de taal niet meester bent dat er daarom geen mooie poëet in jou schuilgaat. We organiseren daarvoor een evenement samen met het Museum voor Schone Kunsten. Zo brengen we ook kunst en cultuur in de leefwereld van onze kansarme kinderen binnen. En trekken we de wereld voor hen open.”


In blanke scholen regent het attesten voor leerstoornissen. Maar als een anderstalig kind het niet goed doet op school, dan krijgt het een intelligentietest voorgeschoteld

“Want kunst blijft een elitair product. Wie gaat er naar een museum? Naar een theater- of muziekvoorstelling? Dat zijn hogeropgeleiden, gegoede mensen. Maar als je als kansarm of allochtoon kind een paar keer in een museum komt, is de kans veel groter dat je daar later als volwassene binnenstapt. En vooral: met dit evenement bereiken we ook de ouders. Die nemen we ook mee naar het museum waar ze anders nooit binnenstappen.”

“Doordat ik zelf uit een kansarm milieu kom, is het voor mij makkelijker om met kansarme ouders contact te leggen. Kijk naar de Roma hier op school. Zij leiden een trekkend bestaan, aan de zijkant van de maatschappij. Ze zijn niet geïntegreerd in het gewone dorps- of stadsleven. Net zoals wij vroeger op het water: we passeren overal en gaan boodschappen doen aan wal. Maar dat schept geen band met je omgeving. En Roma hebben daarbovenop nog eens hun eigen, specifieke cultuur.”

Ik herken me in dat overal en nergens thuis zijn. Zo zijn alle kinderen van mijn generatie ingeënt tegen de pokken. Ik niet. Want we waren altijd ergens onderweg. Ik kende ook schipperskinderen die niet naar school gingen. Want waar moest de politie die kinderen indertijd halen om ze naar school te brengen als hun ouders de leerplicht niet respecteerden? Waar vonden ze dat schip? Als schipper voer je, net zoals de Roma, langs de maatschappij.”

“Romakinderen en hun ouders zijn ongebonden, onafhankelijk en op zichzelf aangewezen. Net als ik vroeger. Dat helpt me om met hen te communiceren. Ik ben daarom niet malser voor hen. Integendeel. Zij moeten ook hun verantwoordelijkheid nemen. Want je beslist zelf of je je kind al dan niet naar school brengt.”

“We onderschatten trouwens al te vaak de impact van de thuissituatie op het onderwijs. Veel van wat ouders doen, schrijven we ten onrechte op het conto van de school. Het mooiste bewijs daarvan is 1 september. Kansarme kinderen starten het schooljaar met leerverlies. Maar kansrijke kinderen komen met leerwinst uit de zomervakantie. Ze zijn op vakantie geweest, ze hebben uitstapjes gedaan, zijn op kamp geweest, er is veel bezoek en dus conversatie geweest, er is thuis veel speelmateriaal, een massa boeken en multimedia. Kansarme kinderen moeten we dus met alle macht ondersteunen op school. Terwijl, als je kinderen van hogeropgeleide ouders niet naar de basisschool laat gaan, die volgens mij ook slagen voor de toetsen op het einde van het lager onderwijs. Die komen er wel. Die hebben daarvoor geen basisschool nodig.”

Dit artikel heeft als onderwerp Dit artikel is interessant voor een

Het beste van Klasse in je mailbox?

  • Al 51.000 leraren zijn abonnee
  • 1 keer per week en helemaal gratis
  • Verhalen van collega’s, concrete praktijktips, exclusieve wedstrijden ...