Gepubliceerd op
Trend

“Zo echt kan leren zijn”

Gesponsorde hotelkamers, conferentiezalen die verhuurd worden aan bedrijven of een winkelcentrum dat deel uitmaakt van een keten. De Rooi Pannen in Tilburg is een school, maar net zo goed een bedrijvengroep. ‘Winst’ is er geen vies woord. Hoe ver ga je daar als school in en wat levert het op voor de leerlingen?
 

Niks aan het onthaal van De Rooi Pannen in Tilburg doet aan een schoolgebouw denken. Julia zoekt aan de receptie onze afspraak met Tiny Pheninckx op. “Kunt u dat even spellen? Die naam komt me bekend voor.”

Tiny’s bureau ligt een verdieping hoger in het oude kloostergebouw. Hij is de voorzitter van scholengroep ‘De Rooi Pannen’, een vmbo-mbo-school, vergelijkbaar met tso/bso in Vlaanderen. Julia (18) studeert horeca. Ze zoekt de afspraak en haalt een koffie bij de barjongen. Onderweg geeft ze een jongen van een jaar lager instructies over welke kamers hij moet opmaken. Zij managet het hotel vandaag. Af en toe checkt een docent iets bij Julia, maar verder zie je geen leraren.

Levensecht leren in echte bedrijven

Een echt hotel met leerlingen als personeel. Ouderejaars die jongere leerlingen coachen en leiding geven. “Het is de essentie van de onderwijsvisie van De Rooi Pannen”, zegt Tiny Pheninckx. “Onze leerlingen moeten ondernemend de maatschappij in. Dat kan alleen als je de echte praktijk in huis hebt.”

De campus in Tilburg telt 4 afdelingen: horeca, handel, toerisme/evenementen en vormgeving. Elke afdeling heeft een eigen gebouw, dat zo uit de bedrijfswereld lijkt weggeplukt. De horeca-afdeling telt 20 hotelkamers, 5 restaurants en 4 conferentieruimtes. Bedrijven huren die voor evenementen, gasten blijven slapen in het hotel en eten in de restaurants. Leerlingen draaien shiften tussen 6.45 en 23.15 uur, ook tijdens de meeste vakanties. 500.000 euro aan producten passeert jaarlijks langs het magazijn.

Het winkelcentrum van de afdeling handel gonst van de bedrijvigheid. Leerlingen werken in de versafdeling, drogisterij, slijterij, bakkerij of verkopen er kleding of papierwaren. 10.000 klanten uit Tilburg doen er wekelijks hun inkopen. Sommige eten nadien nog wat in de brasserie. De school is zelfstandig franchisenemer bij PLUS, een supermarktketen. Alles loopt er precies zoals op andere vestigingsplaatsen.

In de afdeling ‘toerisme en evenementen’ waan je je aan de check-in op Schiphol. Praktijklessen vinden plaats in een vliegtuigromp en je kan een vakantie boeken in het reisbureau. Een joelende bende kleuters komt een deur uit gestormd. Leerlingen organiseren kinderfeestjes voor kansarme gezinnen of activiteiten voor basisscholen.

De gebouwen van vormgeving ademen een sfeer van creativiteit. Bedrijven laten er hun beursstand, neonreclame of belettering ontwerpen. Leerlingen zijn aan het werk in de ateliers. Anderen maken ontwerpen achter de computers. Allemaal in een relaxte sfeer.
 

Kleinschaligheid troef

Die sfeer komt er niet zomaar. Zodra je een andere afdeling binnen wandelt, verandert alles. Tiny: “Kleinschaligheid staat bij ons al 40 jaar centraal. We bepaalden toen dat 1000 leerlingen het maximum is om ze goed te kunnen opvolgen.”

Tiny: “De afspraken verschillen per afdeling. Leerlingen horeca mogen geen zichtbare piercings of tattoos hebben. Anders vinden ze geen werk. Bij vormgeving vind je geen leerling zonder. Mij maakt dat niks uit, maar we stellen dezelfde eisen als het bedrijfsleven. Die zijn totaal anders per sector. Daarom kreeg elke afdeling/studierichting op onze school haar eigen gebouw.”

“We decentraliseren zo ver mogelijk. Elke afdeling beslist autonoom over haar eigen budget. De directeur regelt in overleg met zijn docenten of de leerlingenraad de schoonmaak, de aankoop van materiaal, de vloerbedekking of schilderwerken en het aanbod in de eetzaal.”

“Psychologie is ook belangrijk. Als je elke directeur zijn eigen budget geeft, houdt die op het einde over. Komt alles uit een centrale pot, dan wil iedereen zo veel mogelijk en eindig je met niets. Sinds we zo werken, doen we het financieel ontzettend goed. Didactisch bepalen onze afdelingen zelf hoe ze het aanpakken. Mensen werken liever en harder als ze eigen beslissingen kunnen nemen.

Jullie hebben eigen ondernemingen. Zijn stages of werkplekleren buiten de school niet krachtiger?

Tiny: “Onze leerlingen doen 20 tot 25% van de tijd stages in bedrijven. Wat we in onze ondernemingen doen, noemen we gewoon ‘onderwijs’. We zien het als anders ingerichte leslokalen, waar leerlingen vanaf 14 jaar dingen kunnen doen die ze tijdens stages niet mogen.”

“We trainen sociale vaardigheden, in een veilige omgeving. Onze leerlingen komen vaak uit zwakkere milieus. Ze weten soms zelfs niet wanneer ze een hand moeten geven of hoe ze een gesprek moeten voeren met een onbekende, laat staan hoe ze moeten reageren als die een klacht heeft. Als mensen hier betalen voor een biefstuk en die is te koud, dan heb je een echte klacht. De leerling moet dan in gesprek gaan. Bedrijven vinden dat meestal te risicovol.”

“Leerlingen leren ook problemen op te lossen en respect te hebben voor collega’s. Als ‘s morgens iemand van de housekeeping meldt dat hij ziek is, moeten ze zorgen dat alle kamers toch proper zijn. Leerlingen melden zich niet te pas en te onpas ziek, want dan zadelen ze een klasgenoot met problemen op. Bedrijven zien onze leerlingen daarom graag komen.”
 

Hebben de leerlingen dan geen traditionele lessen meer?

Tiny: “Toch wel, maar een leerling die beroepsonderwijs kiest, heeft geen zitvlees. Je moet hem dus niet opzadelen met 30 lesuren per week. Leerlingen wandelen rechtstreeks van het leslokaal de praktijkruimtes in. Ze krijgen ‘s morgens instructie over hotelreserveringen en doen die week alle boekingen. Vroeger hadden we een softwarepakket om te oefenen in de les, nu leren ze al doende en dat blijft beter hangen.”

“Een groot stuk van het taalonderricht zit in de praktijk. We nodigen de studenten van de lerarenopleiding Engels uit in onze restaurant. Voor onze leerlingen is dat heel leerzaam. Bovendien komen hier regelmatig buitenlandse gasten. Dat kan je niet simuleren in een rollenspel.”

Er lopen weinig leraren op de werkvloer. De leerlingen werken de hele tijd zelfstandig. Hoe coachen jullie hen?

Tiny: “‘s Morgens is er een instructiemoment, waarbij de leerlingen horen wat ze moeten doen en waar ze op moeten letten. De hele dag zijn docenten en onderwijsassistenten aanwezig voor advies. De onderwijsassistenten lopen rond en controleren ook of alles loopt.”

“Leerlingen coachen ook elkaar. De lagerejaars hotel beginnen met housekeeping. Een leidinggevende leerling controleert hun werk. Hij of zij spreekt leerlingen aan als het bed niet goed is opgemaakt of laat opnieuw stofzuigen. Onze docenten doen nog wel een eindcontrole, maar het eergevoel van de verantwoordelijke leerlingen is zo groot, dat ze niet willen dat iets niet in orde is. Er zijn natuurlijk ook evaluatiegesprekken met de docenten. Zij bespreken individueel en met de leerlingenteams wat goed en minder goed liep.”
 

Maximale winst

Je leeromgeving bestaat uit echte ondernemingen. Staat winst maken dan centraal?

Tiny: “We leiden onze leerlingen op tot echte ondernemers. Hét doel van een ondernemer is maximale winst. Dat willen wij dus ook. Leerlingen moeten dat leren. Maar wij zijn een onderwijsinstelling. Er is ruimte om foutjes te maken. We nemen de tijd om zaken uit te leggen en uit te proberen. Als iets mislukt, kost ons dat 1000 euro, maar onderwijs mag geld kosten.”

“Onze onderwijsdoelstellingen staan altijd boven de financiële. De winst die we maken vloeit terug naar de afdelingen en die mogen die investeren in uitstappen, computers … Wij zijn de enige school in Nederland met kosteloos onderwijs. Onze leerlingen betalen alleen hun kleding. Als je gelijke kansen belangrijk vindt, mag geld geen drempel zijn. Dus doen wij alles gratis.”

“In ons management heeft iedereen een onderwijsfocus. Elke leidinggevende moet een onderwijsbevoegdheid hebben. De directeurs van de afdelingen, moeten ervaring hebben voor de klas binnen hun afdeling. Wij willen geen oud-wethouder of manager van een zorginstelling.”

Jullie werken intensief samen met het bedrijfsleven. Hoe ver wil je daar als school in gaan?

Tiny: “We leiden op voor het bedrijfsleven. Intensief contact is nodig, maar we binden ons op geen enkele manier. We zijn zelfstandige franchisenemer van ons winkelcentrum. Het bedrijfsleven sponsort ons, maar dat is win-win. Ketens als Mercure, Van der Valk of MRA sponsoren een hotelkamer. Ze richten die identiek in. Onze leerlingen leren zo de stijl kennen en kunnen na hun opleiding meteen starten.”

Bedrijven adviseren ons en komen kijken of alles aansluit op de realiteit. We hebben ook klankbordgroepen met mensen uit de praktijk, die ons komen vertellen wat we beter of anders kunnen doen. We zetten die mensen ook in om leerlingen te evalueren.”
 

Jullie accommodatie oogt spectaculair, maar ook duur. Wat kan je scholen aanraden die eenzelfde richting uit willen?

Tiny: “Je moet durven investeren. Het oude kloostergebouw kregen we enkele decennia geleden van de gemeente. We zijn toen meteen gaan lenen om te kunnen investeren. We hadden in die tijd 1 restaurant en 1 keuken. Toen we echt wilden inzetten op levensecht leren, dachten we soms ‘dit lukt ons nooit’. Toch hebben we nooit toegegeven aan de druk tot schaalvergroting. Zo konden we onze eigen keuzes maken. Als je voor je project durft gaan, verstandig investeert en elk jaar een stap zet, geraak je een eind ver. Ook in onderwijs.”

Het beste van Klasse in je mailbox?

  • Al 51.000 leraren zijn abonnee
  • 1 keer per week en helemaal gratis
  • Verhalen van collega’s, concrete praktijktips, exclusieve wedstrijden ...