Gepubliceerd op
Opvoedtips

Gebruik jij plus- of mintaal?

We vertellen kinderen voortdurend wat we van hun gedrag thuis en op school denken. Vaak wegen we onze woorden niet. Zeg jij ook wel eens: “Wat ben je toch lui” of “Niet slecht gedaan”? Dat is heel normaal. Maar het kan ook anders. Met plustaal.

Taken uitvoeren

Mintaal: “Je bent weer niet in orde, hé!”

‘Weer niet in orde’ verwijst naar het verleden. Het beschrijft wat je kind niet goed doet en vroeger ook al niet goed deed. De uitspraak is bovendien niet duidelijk. Weet je kind precies waarom het niet in orde is?

Plustaal: “Ik zou graag hebben dat je morgen voor het eten je huiswerk maakt.”

Draai de boodschap om en zeg wat je van hem verwacht: “Ik zou graag hebben dat…, ik heb liever dat…, ik wil dat…” Met positieve taal weet je kind wat het wel moet doen. Je maakt hem verantwoordelijk voor zijn gedrag.

Orde vragen

Mintaal: “Wat ben je toch een slordig kind!”

‘Jij bent slordig’ betekent dat iedereen dat vindt, dat het zo is. Er is geen ruimte meer om het de volgende keer beter te doen.

Plustaal: “Ik vind het erg dat je al je spullen op de grond hebt gegooid.”

Met ik-taal zeg je wat jij persoonlijk denkt of wil: ‘Ik vind dat je kamer slordig is.’ Jij vindt dat nu, maar je kind kan er wel voor zorgen dat je er snel niet meer zo over denkt. Je geeft hem kansen om de situatie te veranderen.

Aanmoedigen

Mintaal: “Dat heb je niet slecht gedaan.”

We gebruiken vaak negatieve woorden (niet, nooit, slecht, goed maar, fout…), ook als we het positief bedoelen.

Plustaal: “Goed gedaan!”

Waarom zeggen we niet gewoon: ‘Goed gedaan!’ Een kind dat hoort wat het goed doet, krijgt zelfvertrouwen en geeft minder snel op: ‘Ik kan het!’ Met een positief zelfbeeld durft het sneller nieuwe uitdagingen aan.

Discussiëren

Mintaal: “Het kan me niet schelen wat je denkt”

Door op voorhand aan te geven dat je niet wil luisteren, geef je de indruk dat de gevoelens en noden van je kind onbelangrijk zijn.

Plustaal: “Wat stel jij voor?”

Open en eerlijk praten met kinderen vertrekt vanuit respect. Door te praten verbeter je de relatie. Je laat voelen dat je kind een gelijkwaardige partner is in het gezin. Spreken is luisteren.

Welke zinnen heb jij vorige week al uitgesproken?

  1. Waarom ben jij altijd zo lui?
  2. Wat is er nu weer?
  3. Ik wil dat je nu aan tafel komt!
  4. Doe niet zo lastig!
  5. Goed gedaan!
  6. Ik word nog eens gek van jou!
  7. Ik zie je graag.
  8. Dat is de laatste keer, hé!
  9. Dat kan beter!

Tover jij nu mintaal (zinnen 1, 2, 4, 6, 8, 9) om in plustaal (zinnen 3, 5, 7)?

Dit artikel heeft als onderwerp Dit artikel is interessant voor een

Het beste van Klasse in je mailbox?

  • Al 51.000 leraren zijn abonnee
  • 1 keer per week en helemaal gratis
  • Verhalen van collega’s, concrete praktijktips, exclusieve wedstrijden ...