Verhaal Dit artikel behoort tot de reeks Pas voor de klas Gepubliceerd op

Starter Hermien miste de teamspirit

Reageer

Log in om te bewaren.

Delen

“In het buitengewoon onderwijs werk je met een complexe doelgroep. Veel communiceren met collega’s is dan noodzakelijk”, vertelt starter Hermien Goeminne (24). “Net die openheid miste ik in het gewoon onderwijs. Waarom kunnen oudere leraren niet ook iets leren van hun jonge collega’s?”
 

Teamspelers

“Ik sta in het buitengewoon onderwijs. Vorig jaar gaf ik daar vooral beroepsgerichte vorming. Voor dat vak kan je niet echt studeren. Maar mijn collega’s schoten me onmiddellijk te hulp. Ze toonden me hun cursussen, gingen met me rond de tafel zitten om samen lessen in elkaar te steken.

Dankzij die hulp kan je als beginnende leraar veel meer energie steken in creatieve lessen, interactieve werkvormen én in je klas zelf. Mijn collega’s zijn teamspelers, ze sluiten zich niet op in hun klas. Gelukkig maar. In het buitengewoon onderwijs moet je door de complexe doelgroep veel met mekaar communiceren.”

Hermien Goeminne

Hermien Goeminne (24), bachelor secundair onderwijs Nederlands en geschiedenis, miste de teamspirit in haar eerste school.

Samen lesgeven

“Die samenwerking miste ik in het gewoon onderwijs. Daar had ik ook mentoren die me goed begeleidden. Maar met specifieke vragen over het vak of de lesinhoud kon ik niet bij hen terecht. ‘Dat lukt niet’, kreeg ik te horen toen ik een nieuwe lesaanpak voorstelde. Terwijl ze het niet eens hadden geprobeerd! Ik begrijp dat vernieuwende ideeën soms op een njet stoten. ‘We doen het hier al 20 jaar zo, en het werkt prima’. En dat klopt ook. Maar oudere collega’s kunnen evengoed van jongere collega’s leren.”

Op mijn huidige school wisselen we lesmateriaal uit. Observeren we elkaars lessen. En als het fout loopt, zeggen we dat en overleggen we hoe het beter kan. We geven ook samen les in de complexe klassen. Vorig jaar stond ik bij een leraar met veel ervaring. Daar steek je veel van op. Toch jammer dat sommige leraren dat als een bedreiging zien. ‘Mijn klasje, mijn lesje, blijf eraf en laat me met rust’, dat taboe is in onze school al lang verleden tijd.”
 

Wat zeggen de experts?

Beïnvloedt de schoolcultuur startende leraren?

Isabel Rots, studiedienst COV: “Je geeft geen les in een klas, wel in een school. Een schoolcultuur waar leraren niet samenwerken, roddelen, kliekjes vormen, werkt ontmoedigend. Daar sta je dan als starter, met je vernieuwende inzichten uit de lerarenopleiding. Beginnende leraren moeten daarmee leren omgaan. Daarom is aanvangsbegeleiding zo belangrijk. Het is niet makkelijk om tegen de stroom in te gaan.

Als je geen steun krijgt van je collega’s, val je vaak terug op wat je zelf goed vond in de klas als leerling. Maar dan stap je 15, 20 jaar terug in de tijd. Of nog erger: je conformeert je aan een dominante schoolcultuur die haaks staat op je eigen opvatting en op je vorming. Dat smoort innovatie in de kiem.”

Moeten leraren vaker bij elkaar op klasbezoek gaan?

Geert Kelchtermans, professor Onderwijsbeleid en -vernieuwing en lerarenopleiding KU Leuven: “Leraren willen liever goed liggen bij collega’s en conflicten vermijden. Dan is het logisch dat de klasdeur dichtblijft. De jonge kleuteronderwijzer die weet dat haar ervaren collega’s een ervaringsgerichte aanpak niet zien zitten, doet haar ding in de klas. Buiten zorgt ze er wel voor dat de kinderen in de rij lopen en stil zijn.

Vaak is de startende leraar ook een bron van existentiële zelftwijfel bij oudere collega’s. Die denken ineens: het kan helemaal anders, die snotneus doet dat gewoon. Leerlingen en ouders zijn razend enthousiast, je ziet de oogjes van de directeur blinken omdat hij de nieuweling heeft binnengehaald. Maar jij, met je 20 jaar ervaring, voelt niet de neiging om met die nieuwe te socializen. Tenzij je denkt: schitterend, wat een frisse wind door de school, daar kan ik iets van leren.”

Hoe kunnen we meer expertise delen?

Isabel Rots: “Scholen moeten professionele leergemeenschappen worden, waar leraren expertise kunnen en willen delen, vanuit hun eigen noden. Gooi de deuren van de klassen open, ga kijken hoe je collega een probleem aanpakt, doe aan team-teaching.”

Geert Kelchtermans: Praat ook over positieve ervaringen. Leraren komen daar niet mee naar buiten, want ‘dan krijg je al vlug een dikke nek’. Het ergste wat een starter kan overkomen? Op de volgende lerarenvergadering verplicht worden door de directeur om je nieuwe project uit de doeken te doen, omdat hij er zo enthousiast over is. Gegarandeerd schieten je collega’s je af. Of erger: ze zeggen niets. Dodelijk, ook voor de interne professionalisering op school.”

Martin Valcke, professor Onderwijskunde UGent: “Je moet investeren in jonge mensen, zodat ze zich verder blijven ontwikkelen. Kan een leraar 40 jaar voor de klas staan zonder zich bij te scholen? Het lerarenberoep heeft blijkbaar een diploma zonder vervaldatum. Moeten we ook elke leraar – zeker beginnende leraren – vragen om 100 procent les te geven? Waarom kan hij voor 20 procent van zijn tijd niet verder werken aan zijn eigen opleiding en vorming?

Ook voor startende leraren zou dat een hoop druk van de ketel halen. En maak structureel tijd vrij voor teamoverleg. Dat betekent dat je verwacht dat leraren meer op school zijn. En dat je plekken voorziet waar ze kunnen werken, voorbereiden, vergaderen, overleggen. Zo betrek je ook je jonge leraren bij je team. Want als je niet het gevoel hebt erbij te horen, trek je weg.”