Gepubliceerd op
Duiding

13 kritische vragen over het M-decreet

Door het M‑decreet gaan meer leerlingen met een beperking naar het gewoon onderwijs. Dat roept vragen op bij leraren, scholen en ouders. Theo Mardulier beantwoordt ze. Hij is adviseur bij het Departement Onderwijs en Vorming en mede-architect van het decreet.

M-decreet

  1. Welke ondersteuning krijg ik als leraar in gewoon onderwijs om een leerling met specifieke noden op te vangen? Wat als mijn draagkracht overschreden wordt?

    Theo Mardulier: “Je moet als leraar geen specialist worden in alle mogelijke leerstoornissen of beperkingen. Je moet wel de nodige basiscompetenties bezitten om op een goede manier les te kunnen geven aan alle leerlingen: de noden van leerlingen inschatten, doelstellingen bepalen, differentiëren, bijsturen, remediëren. Het gaat in essentie over het meesterschap versterken op het vlak van didactiek, pedagogiek en handelingsgericht samenwerken met anderen.”

    “Met het M-decreet wordt ingezet op verschillende vormen van ondersteuning. De pedagogische begeleidingsdiensten kregen extra competentiebegeleiders om schoolteams te ondersteunen bij de uitvoering van het M-decreet. De prioritaire nascholing staat in het schooljaar 2017-2018 nog in het teken van de implementatie van het M-decreet. In het schooljaar 2018-2019 en 2019-2020 wordt ingezet op de professionalisering van de ondersteuners.”

    “Op 1 september 2017 verving een nieuwe manier van ondersteuning de GON, ION en de waarborgregeling (vormen van ondersteuning die tot dan naast elkaar bestonden). Ondersteuning blijft in het nieuwe ondersteuningsmodel vanuit het buitengewoon onderwijs komen. Scholen zetten zelf ook in op ondersteuning met zorgcoördinatoren, leerlingenbegeleiders en SES uren. Hiermee geven ze vorm aan de basiszorg en verhoogde zorg.”

    “De grootste verandering voor het gewoon onderwijs is het recht op redelijke aanpassingen. Het lerarenteam moet veel gerichter nadenken over remediëring, differentiatie, het inzetten van hulpmiddelen en het meer op maat maken van het curriculum. Je zal dus wel meer moeten overleggen met leerlingen met een beperking en hun ouders, en intensiever samenwerken met het CLB en de andere ondersteuners. Een leerling met een grote zorgbehoefte begeleiden is niet de taak van een individuele leraar maar van het volledige schoolteam. Dat vraagt soms een mentaliteitswijziging.”

  2. Raken kinderen met een beperking in een gewone school niet gefrustreerd, doordat ze niet met de rest meekunnen of geen aansluiting vinden?

    Theo Mardulier: “Er zijn positieve en negatieve ervaringen. Frustraties komen inderdaad ook voor. Leraren, ouders, begeleiders moeten daar heel alert voor blijven. Maar de aanwezigheid van kinderen met een beperking in een klasgroep kan ook net zorgen voor meer samenhang, leerlingen leren zorg dragen voor elkaar, wat ook een belangrijke competentie is. Daar kunnen leraren het verschil maken: kinderen elkaar leren respecteren in al hun diversiteit en talent, ook kinderen die een beperking hebben. Ook in het buitengewoon onderwijs komen positieve en negatieve ervaringen voor. Jongeren schamen zich er soms voor dat ze naar een bepaalde school gaan.”

  3. Waarom moeten kinderen eerst een jaar ‘proberen’ in het gewoon onderwijs voor het CLB een verslag geeft?

    Theo Mardulier: “Het M-decreet verhindert niet dat kinderen met grote zorgnoden bij de start van onderwijs rechtstreeks in het buitengewoon kleuteronderwijs terecht kunnen. Maar heel wat leerlingen komen tijdens hun schoolloopbaan in het buitengewoon onderwijs terecht. Dat gebeurde in het verleden te vaak op louter medische gronden, omdat er een diagnose was van een of andere problematiek. Er is consensus dat het onderwijs dat medische model moet verlaten en zich meer moet richten op onderwijsbehoeften. Dan is het nodig om het onderwijstraject dat een leerling heeft afgelegd en het feit dat de school niet meer in staat is om de redelijke aanpassingen te bieden mee te nemen in de analyse.”

    “Het doel van het M-decreet is stappen zetten naar meer inclusie. ’Een jaar proberen’ houdt in dat de verandering van het kind moet komen. De essentie van inclusie is dat de school zelf verandert en het onderwijs zich aanpast aan de leerling. In die zin gaat het eerder over de school die een jaar moet proberen om het kind kwaliteitsvol en aangepast onderwijs te bieden. Leraren worstelen met het haalbaar maken van het curriculum, met zoeken naar een gepast aanbod. Ze groeien er ook in.”

  4.  
    Foto van Theo Mardulier

  5. Zullen er nog jobs verdwijnen in het buitengewoon onderwijs?

    Theo Mardulier: “Door het M-decreet gaat een kleiner aantal leerlingen naar het buitengewoon onderwijs. Daarom krijgen sommige leraren van het buitengewoon onderwijs een andere taakinvulling. Maar hun jobs staan niet op de helling. Zij blijven verbonden aan hun school voor buitengewoon onderwijs maar zullen ondersteuning bieden aan leraren en leerlingen in scholen van het gewoon onderwijs in de buurt. Hun expertise is nodig. Scholen buitengewoon onderwijs krijgen een toekomstperspectief als expertisecentra. Het nieuwe ondersteuningsmodel dat op 1 september 2017 van start ging biedt scholen voor buitengewoon onderwijs en hun personeelsleden daar kansen voor.”

  6. Is dit decreet niet gewoon een besparingsoperatie?

    Theo Mardulier: “Nee. In het decreet is een waarborgregeling opgenomen. Alle middelen die bij de invoering van het decreet naar de 65.000 leerlingen met een beperking gingen in het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs, blijven behouden.”

    “Als er door het M decreet minder leerlingen naar het buitengewoon onderwijs gaan, dan worden de vrijgekomen middelen aangewend om leraren in het gewoon onderwijs te ondersteunen. In het schooljaar 2015-2016 en 2016-2017 werden de middelen van de waarborgregeling apart van de GON en ION-ondersteuning ingezet. Sinds 1 september 2017 zijn die middelen allemaal samengevoegd en is het budget voor ondersteuning in het gewoon onderwijs toegenomen van 63 miljoen euro (GON/ION-ondersteuning) naar 103 miljoen euro (ondersteuningsmodel).”

  7. Kinderen met een beperking krijgen meer ondersteuning in een buitengewone school. Zijn ze daar niet beter af?

    Theo Mardulier: “De ondersteuning voor kinderen met specifieke noden valt niet weg, ze verplaatst naar een andere locatie. Want door de waarborgregeling, die geïntegreerd werd in het nieuwe ondersteuningsmodel, verschuiven middelen en expertise van het buitengewoon naar het gewoon onderwijs, naar rato van de daling van het aantal leerlingen in het buitengewoon onderwijs. Die middelen moeten aansluiten bij de structurele financiering van gewone scholen en de middelen voor zorg en leerlingenbegeleiding die daar ook al worden ingezet. Leerlinggerichte ondersteuning blijft van belang, maar de middelen moeten ook gerichter ingezet worden om leraren en teams te versterken. Inclusie heeft maar kans op slagen als het meesterschap van leraren kan versterkt worden via professionalisering, ondersteuning en begeleiding.”

  8. Leidt inclusief onderwijs tot een verlaging van het lesniveau voor de gewone leerlingen?

    Theo Mardulier: “Nee. Ook nu al zijn er in elke klas grote verschillen in talenten en mogelijkheden. Leraren moeten nu ook al differentiëren. Dat is dus niet nieuw en hoort een basisvaardigheid te zijn van elke leraar. De ervaring is trouwens dat maatregelen voor leerlingen met specifieke noden ook goed zijn voor alle leerlingen.”

    Voorbeeld: In een secundaire school kreeg meer dan de helft van de leerlingen meer tijd voor een examen, waardoor de middagpauze onder druk stond. Het team evalueerde de maatregel en kwam tot de conclusie dat door alle examens korter te maken, kinderen met een leerstoornis automatisch meer tijd kregen en de middagpauze niet gestoord werd. Toen bleek ook dat kinderen zonder leerstoornis baat hadden bij het nalezen van hun examen.


  9. Maatregelen voor leerlingen met specifieke noden zijn goed voor àlle leerlingen

    Theo Mardulier
  10. Krijgen leerlingen met een beperking die een individueel leertraject volgen een A‑attest?

    Theo Mardulier: “Nee. Als de leerdoelstellingen aan de leerling zijn aangepast en hij dus een individueel aangepast curriculum volgt, krijgt hij op het einde van het jaar een attest van verworven bekwaamheden. Hij vordert dan gewoon mee met zijn klasgroep. Dat was vroeger al zo voor leerlingen met een attest type 2 in het ION project voor inclusief onderwijs. Het M decreet breidt dit uit naar de andere types.”

    “Een kind met een beperking dat, mits er redelijke aanpassingen gebeuren, toch het gewone curriculum kan volgen, krijgt wel gewone attesten. Als dat kind compensatiemaatregelen krijgt die het in de les mag gebruiken, dan mag het die ook tijdens toetsen en evaluaties gebruiken. Ook dan blijft het aanspraak maken op gewone attesten.”

  11. Wanneer mag een school zeggen dat iets een onredelijke aanpassing is?

    Theo Mardulier: “De criteria daarvoor staan in het protocol over redelijke aanpassingen dat de Belgische overheden hebben afgesloten. De impact op de school moet te dragen zijn, zowel organisatorisch als financieel. Als er een grote aanpassing moet gebeuren die slechts eenmalig bruikbaar is, zal ze sneller onredelijk zijn.”

    “De bedoeling is vooral dat scholen voor een leerling op zoek gaan naar aanpassingen die redelijk zijn en niet meteen op zoek gaan naar redenen om onredelijkheid aan te tonen.”

    “Een school moet ook voor elke leerling opnieuw de afweging maken. Het is niet omdat een aanpassing op een bepaald ogenblik onredelijk was, dat voor een leerling met een gelijkaardige beperking automatisch ook de afweging mag gemaakt worden.”

    Lees meer in de brochure ‘Met een handicap naar de school van je keuze’.

  12. Zijn er financiële middelen om de schoolgebouwen aan te passen aan leerlingen met een beperking?

    Theo Mardulier: “Voor het M decreet zijn er geen specifieke of bijkomende middelen vrijgemaakt om schoolgebouwen aan te passen aan leerlingen met een beperking. Inclusie vraagt niet altijd om aanpassingen aan gebouwen. AGIOn, het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs, subsidieert aanpassingen wel via de procedures voor verbouwingen en nieuwbouw.”

    Samen met de vzw Enter stelde AGIOn de inspiratiebundel ‘Integrale toegankelijkheid van schoolgebouwen’ op. Die informeert, inspireert en ondersteunt ontwerpers en bouwheren bij het doen van redelijke aanpassingen aan schoolgebouwen voor verschillende doelgroepen.”

  13. Kunnen ouders nog zelf kiezen of hun kind met een beperking naar het gewoon of buitengewoon onderwijs gaat?

    Theo Mardulier: “De ouders zijn een belangrijke partner in die keuze. Er moet overleg zijn tussen school, CLB en ouders. Maar om een kind in te schrijven in een school voor buitengewoon onderwijs is een verslag van het CLB een voorwaarde. Dat verslag wordt afgeleverd als de aanpassingen die de school moet doen om de leerling te blijven meenemen in het gemeenschappelijk curriculum onredelijk zijn.”

    “Met het attest kunnen ouders 2 richtingen uit. Ze kunnen hun kind inschrijven in een buitengewone school van het betreffende type. Anderzijds kunnen ze ook aan de school voor gewoon onderwijs vragen om hun kind studievoortgang te laten maken op basis van een individueel curriculum.”

    “Voor zo’n individueel curriculum bespreken de school, de ouders, het CLB en de klassenraad welke aanpassingen nodig zijn en of die redelijk zijn. Het kan dan om andere aanpassingen gaan, omdat nu niet meer gewerkt wordt binnen een gemeenschappelijk curriculum maar net op maat van het kind.”

    “Is de gewone school van oordeel dat de aanpassingen niet redelijk zijn, dan kan ze de inschrijving weigeren of de inschrijving vanaf het volgende schooljaar beëindigen. Het kind kan dan naar een buitengewone school gaan of de overstap maken naar een andere school voor gewoon onderwijs.”


  14. Bepaalde groepen van leerlingen zijn oververtegenwoordigd in het buitengewoon onderwijs, of belanden er te snel.

    Theo Mardulier
  15. Waarom moet een kind met een beperking inclusief onderwijs krijgen?

    Theo Mardulier: “Alle Belgische overheden hebben in 2009 het VN verdrag inzake de rechten van personen met een handicap geratificeerd en moeten dat nu uitvoeren. Dat bepaalt dat mensen met een handicap – 10 procent van de bevolking – ook recht hebben op een goed leven en op een volwaardige deelname aan de maatschappij, dus ook aan het onderwijs.”

    “Het M decreet is een eerste belangrijke stap in de vertaling van het VN verdrag. Het wil meer kinderen met een beperking een plaats in het gewoon onderwijs bieden. Ze krijgen het recht op redelijke aanpassingen om in een gewone school gewoon onderwijs te kunnen volgen.”

    “Bovendien neemt het aantal leerlingen dat niet meer mee kan in het gewoon onderwijs toe. In Vlaanderen zitten ongeveer 47.000 leerlingen in het buitengewoon onderwijs. De laatste 10 jaar was dat aantal gegroeid met meer dan 12 procent. Met het M-decreet zien we dalingen in het aantal leerlingen dat naar een aparte school voor buitengewoon onderwijs wordt georiënteerd. Het effect is vooral zichtbaar op niveau van het basisonderwijs. Voor het secundair onderwijs zijn de dalingen beperkter.”

    “Bepaalde groepen van leerlingen zijn oververtegenwoordigd of belanden er te snel: leerlingen uit gezinnen met een lage sociale status, leerlingen met taalproblemen, zwakbegaafde leerlingen of leerlingen met leerstoornissen als dyslexie, dyscalculie, met gedragsproblemen …”

  16. Is er genoeg draagvlak voor inclusief onderwijs?

    Theo Mardulier: “Inclusie in het onderwijs is al sinds het advies van de Vlaamse Onderwijsraad in 1998 onderwerp van debat. De standpunten van de belangengroepen blijven verschillen, maar deze gaan vandaag niet meer zozeer over het principe, dan wel over de praktische toepassing en de snelheid daarvan.”

    “Mensen met een handicap en hun belangenorganisaties hadden liever gezien dat het M decreet nog verder had gegaan en dat het recht op gewoon onderwijs nog explicieter was verankerd. Onderwijsverstrekkers en personeelsorganisaties vragen de nodige tijd en middelen voor de uitvoering. Het M decreet tracht een goed evenwicht te vinden tussen beide. De invoering gaat geleidelijk en zal bijgestuurd worden naargelang de situatie op het werkveld.”

    “Dat is beter dan pas stappen te zetten als er 100% overeenstemming is, want dan vrees ik dat er niets zal gebeuren. Professor Eva Brems zei ooit tijdens een conferentie over inclusief onderwijs dat wanneer holebi’s en kleurlingen hadden moeten wachten totdat de hele maatschappij hun rechten wilde geven, dat wellicht nog steeds niet was gebeurd. Voor personen met een beperking is dat niet anders.”

Klasse Magazine = cadeau aan jezelf *

  • 4 kwaliteitsnummers met inspiratie van leraren en experts.
  • Fraai ondersteunend materiaal (kalender, poster, ...)
  • Je Lerarenkaart 2020 valt gewoon in je brievenbus.
*Betaal vóór 30 oktober en krijg je Lerarenkaart 2020 thuisbezorgd.