Blog Gepubliceerd op

Ode aan de kleine school dicht bij huis

Reageer

Log in om te bewaren.

Delen

Leerling Mona (17) schrijft. En stelt vragen. Dolgraag. Tijdens haar laatste jaar in het secundair mag ze die talenten uitspelen op Klasse.be en in Klasse Magazine. In deze tekst brengt ze een ode aan de kleine school dicht bij huis.

Mona Thijs

Ik die zo’n hang had naar nieuw en groot. Ik bleef toch

Mona Thijs

De bedding van een mensenleven blijft toch gewoonte, klein of groot. Niet lachen om de moppen op de blaadjes van de scheurkalender maar ze toch dagelijks blijven lezen, steevast hetzelfde nummer draaien bij een blij moment.

Na het lager onderwijs bleef ik naar school gaan in mijn geboortedorp. Ik was eraan gewend, de school op twee minuten wandelafstand van de deur en een uitslaapmarge waarin een anti-ochtendmens als ik wel kon gedijen, de oudercontacten waarop er over mij als mezelf werd gepraat, maar ook dezelfde kring kinderen die in elkaar gehaakt op één glijbaan pasten.

In de beslissende zomer voor mijn eerste jaar secundair brak ik mijn hoofd: een grote school en nieuwe mensen versus mijn vertrouwde omgeving. Dat laatste kreeg ik niet aan mezelf verkocht; het idee iedere dag naar en terug van school te fietsen, elke hak in de straatstenen kennend, toekijkend hoe mijn dorp zich steeds weer om dezelfde routine wentelt.

Ik die God nog eens zou wijzen op zijn fout maar 7 in plaats van 8 dagen in een week te scheppen waardoor ik maar de helft van mijn geplande escapades gedaan kreeg. Ik die zo’n hang had naar nieuw en groot, liever sprong dan wachtte. Ik bleef toch. Niet uit gemakzucht, maar uit gewoonte.

Eerst was mijn school dat gebouw dat ik grauw zag opdoemen als ik thuis in de tuin stond, waarbij mij hetzelfde gevoel overviel als het westen moet gehad hebben toen de Spoetnik van de Russen boven hun hoofden cirkelde: ze houden ons in de gaten. Het was de eerste dagen al het frustrerende gemak waarmee ik iedere klas vond en het onvermogen te verdwalen, hoe graag ik dat ook wilde. Het was dat strenge secretariaat met zijn arendsoog dat altijd alles gezien heeft en de kleinste daden van rebellie in de kiem smoort. Het was dat dorpse conformisme waardoor ik mij niet meer kon vertonen in een plooirok zonder dat dat geassocieerd werd met een gordijn. Het heeft voeten in de aarde gehad voor ik begon te zien wat het ondertussen ook voor mij is.


Het is ook hier dat er ruimte is voor eigen inbreng, gekke projecten die enkel op kleine schaal zoals hier mogelijk zijn

Mona Leerling

Als ik in de tuin ontbijt, ligt zij nog steeds in de nabije verte, mijn school, maar ik ben stilaan zo verknocht aan haar aanwezigheid in dat landschap dat zonder haar ontbijten nogal naakt zou zijn. Mijn weg vind ik blindelings, ik voel geen drang meer te verdwalen.

Gewoonte is een matroesjkapop en in de gewoonte dichtbij naar school te gaan, kweekte ik de gewoonte maandelijks te laat te komen, wat even vaak werd afgestraft door het secretariaat. Maar het zijn de mensen op datzelfde secretariaat die breed lachend applaudisseren als ik een kwartet weken haal zonder na half 9 binnen te stormen. Ze kennen mij.

Het is hier dat ik weer voet aan wal zet na drijven tussen de haaien. Dit is wat ik nodig heb terwijl mijn leven als een boemerang tegen alle hoeken van het plafond van de wereld knalt. Dankzij mijn school dichtbij heb ik een kleine zee van tijd voor verre dingen na school, en die nieuwe mensen leerde ik zo ook kennen.

In deze thuishaven zijn er mensen die weten dat ik het meisje ben zonder huisdieren maar met veel denkbeeldige gesprekspartners. Dat ik naast de kerk woon en dat dat altijd zo is geweest, dat ik vaak veel te hard lach maar het ook niet kan helpen. Ze weten dat ik hou van spotlights en presenteren. Het is hier dat iedereen nog steeds iedereen ziet, inclusief plooirokken, maar het is ook hier dat er ruimte is voor eigen inbreng, gekke projecten die enkel op kleine schaal zoals hier mogelijk zijn.

Zo stond ik een tijdje geleden met een vriendin op de burchtheuvel naast mijn huis. De plek waarop instinctief mijn kindervinger zou vallen bij de vraag waar het centrum van mijn heimat ligt. Verkleed als gravin en blinde graaf ontvingen wij kinderen die binnenkort hun secundaire school moeten kiezen. Mijn graaf had zijn zicht verloren door te veel moois te zien, zo ging het verhaal, en de kinderen geloofden ons blindelings. Terwijl hij naar het uitzicht keek vroeg er eentje: “Gravin, is dit allemaal van u?” En ik speelde geen rol toen ik antwoordde: “Ja, allemaal.”