Verhaal Gepubliceerd op

Lesgeven in Brussel: elke dag een nieuwe start

4 reacties

Log in om te bewaren.

Delen

Fenne (24) is een dorpsmeisje met een droom: leraar worden. En als dat om de hoek niet lukt, waarom dan niet in de grote stad? Gemakkelijk is haar klas allerminst, maar Fenne zet door. “In Brussel krijg ik kansen”, vertelt ze. “En die geef ik ook aan mijn leerlingen. Want thuis krijgen ze die niet altijd.”

“Daar stond ik dan. Een dorpsmeisje van 24 voor een 2 bso-klas in hartje Anderlecht, richting Bouw. Alleen maar jongens, geen van allen moedertaalsprekers Nederlands. Het was mijn eerste werkdag en ik moest ze Nederlands geven. Zonder voorkennis, want in de lerarenopleiding had ik biologie & voeding als specialisatie gekozen.”

“Wat een verschil met mijn eigen middelbare schooltijd. Deed ik als tiener iets stouts, dan kreeg ik serieus onder m’n voeten. Mijn leerlingen hangen tot ‘s avonds laat aan het Weststation. Ze weten welke sportschoenen het beste lopen – die van Decathlon, mevrouw, als je moet rennen voor de politie – en hoe ik mijn handtas moet vasthouden op de metro.”

Ooit kwam een leerling trots zijn proces-verbaal tonen. Ik heb dat afgepakt en een grapje gemaakt: weer die schoenen, je gaat toch niet lopen voor mij? Of dat de juiste aanpak is, geen idee. Is er een juiste aanpak voor zo’n situatie?”
 

Leren loslaten, hoe doe je dat?

“De eerste maanden klapte ik elke avond mijn laptop open. Behalve op vrijdag, dan hing ik uitgeteld voor de televisie. Ik reisde 4 uur per dag, mijn auto lag vol snoepgoed. Tijdens het weekend of de vakantie droomde ik over mijn leerlingen.”

“Tot mijn collega’s opmerkten dat ik wel erg veel koeken at. En mijn vrienden zeiden: Fenne, je praat alleen maar over school. We willen ook eens iets anders horen. Oké, dacht ik toen, het gebeurt. Andere mensen zullen ook wel tegenslagen hebben op het werk. Op dat moment besloot ik elke dag met een schone lei te starten.”

Starter Fenne

“Soms hebben leerlingen mij echt gekwetst. Maar dat komt ook doordat ze zich moeilijk kunnen uitdrukken in het Nederlands.”

Stickers zijn ook in het secundair een hit

“Steeds opnieuw beginnen is niet gemakkelijk. Soms hebben leerlingen mij echt gekwetst. Maar dat komt ook doordat ze zich moeilijk kunnen uitdrukken in het Nederlands. Zeggen ze u bent een slechte leraar, dan bedoelen ze dat niet zo letterlijk. Ik kan ook niet boos zijn in het Frans.”

“Wat ze doen, dat telt. Een zelfgemaakt steentje voor me meebrengen, of een Marokkaanse pannenkoek. Zelfs een grapje dat eigenlijk niet door de beugel kan – mevrouw, u bent mijn vrouw – is een teken dat ze me graag zien.

“Mijn leerlingen verdienen extra kansen, want thuis krijgen ze die niet altijd. Dus kies ik voor een positieve aanpak. Naast rode nota’s schrijf ik ook een groen, persoonlijk berichtje in elke agenda. Of ik plak een sticker. Ouders begrijpen niet altijd wat er staat, maar de kleurcode snappen ze wel.”

“Ook voor mezelf ben ik beter gaan zorgen. Ik ging naar een diëtist en begon te sporten. Voor school werk ik alleen nog op zondag, de rest van de week ontspan ik of zie ik vrienden. De leerlingen weten dat ze hun toets pas na het weekend terugkrijgen, al vragen ze er nog wel eens naar.”
 

Rappers en katten als ijsbrekers

Een band opbouwen met je leerlingen vergt tijd. Met één jongen is het nog altijd zoeken. Hij zou een toets voor me maken over Jul, zijn favoriete rapper. Maar nadat ik een avond Wikipedia had bestudeerd, was er geen toets. Dat was wel een domper.”

“Met de meisjes uit het eerste jaar is het gemakkelijker. Ze zijn heel direct: mevrouw, ik heb m’n maandstonden, heeft u iets bij? Zelf had ik dat nooit durven vragen aan een leraar. Doordat ze zo open zijn, stel ik zelf ook gemakkelijker vragen. Over de hoofddoek, bijvoorbeeld.”

“Toen ik op sociale media vriendschapsverzoeken van leerlingen kreeg, besloot ik mijn Instagram open te stellen. Ik let op wat ik post: geen foto’s van feestjes en alcohol, maar wel van mijn katten en het trampolinespringen op vrijdagavond. Zo zien mijn leerlingen dat ik ook een leven buiten school heb. Dat ik niet altijd streng kijk, maar ook kan lachen.”
 

Twijfels over de toekomst

“Als ze me volgend schooljaar vragen om MAVO of exacte vakken te geven, zou ik niet twijfelen. Maar Nederlands vind ik een moeilijk vak. Hoe beoordeel je of een zin correct is? Als je hem begrijpt, of als hij volledig juist is? Ik ben onvoldoende vertrouwd met de didactiek.”

“Mijn tweedejaars hebben ervoor gekozen met hun handen te werken. Ze weten dat ze er op basis van leeftijd wel door geraken. En dus steken ze geen moeite in theoretische vakken. Zinsontleding, da’s toch aso, mevrouw? Bij wiskunde leg ik gemakkelijker linken naar de praktijk: rechte lijnen, hoeken.”

“Maar lessen afdraaien in het aso, wil ik ook niet. Hier kan ik inpikken op discussies, bijvoorbeeld over Miss België en die drol. Of klimaatkwesties. In ‘Reizen Waes’ zagen we hoe een winkeltje dreigde te verdwijnen. De volgende les kwamen de leerlingen naar me toe: zou dat winkeltje er nog staan, mevrouw? Dan weet je dat ze ermee bezig zijn.”

“4 uur reizen per dag is zwaar, maar in Brussel krijg ik kansen. Ik heb geen lerarenopleiding gedaan om een kantoorjob te doen of interims aan elkaar te rijgen. Bovendien, ga ik een dorpsschool nog wel interessant vinden? Waar ze altijd braaf luisteren? Hier gebeurt elke dag wel iets. Mezelf herpakken, dat is net de uitdaging.”

Dit artikel heeft als onderwerp Dit artikel is interessant voor een