Archief

Klasse voor Leraren

180 - december 2007

Klasse voor Leraren

180 - december 2007

pagina 10 t.e.m. pagina 15

Dt-fouten zijn gewoon onvermijdelijk

“Dt-fouten zijn onvermijdelijk”, zegt Prof. Dominiek Sandra (Universiteit Antwerpen), “hoezeer je er ook op let.” Volgens onderzoeker Els Hendrickx (K.U.Leuven) zijn dt-fouten vooral een kwestie van attitude. En volgens onderzoek van de Nederlandse Taalunie maken leerlingen van spelfouten niet zo’n probleem. Hoe zwaar wegen d en dt in de klas?

Zijn spelfouten zo erg dat er in de lessen Nederlands zeker niet minder tijd aan mag worden besteed?

  heel erg redelijk erg neutraal niet zo erg helemaal niet erg geen mening
Leraren 72 % 20 % 2 % 3 % 3 % 0 %
Leerlingen 40 % 32 % 14 % 4 % 3 % 7 %
Burgers 66 % 23 % 5 % 3 % 3 % 0 %

Vraag aan 765 Vlaamse leraren, leerlingen en burgers in het algemeen in Taalpeil 2007, onderzoek van de Nederlandse Taalunie (zie ook de bijlage in deze Klasse).

De Vlaming is best gevoelig voor spelfouten, slechts een kleine minderheid vindt ze niet zo erg of helemaal niet erg. De vraag werd ook gesteld aan Nederlanders en Surinamers, samen met Vlaanderen lid van de Nederlandse Taalunie. Zij volgen grotendeels de mening van de Vlamingen. Opvallend: àlle Surinaamse leraren (100 %) vinden spelfouten heel erg. Van de Nederlandse leraren vindt 85 procent spelfouten heel erg. De Vlaamse leraren (72 %) zijn dus nog het meest gematigd in hun oordeel.

 

Hoe komt het dat leerlingen hun spelling verzorgen tijdens de lessen Nederlands maar ertegen zondigen in andere vakken? Waarom schrijven zelfs leraren en professoren dt-fouten? “Dat ligt aan de werking van ons geheugen”, zegt prof. Dominiek Sandra (Universiteit Antwerpen). Of dat een excuus is?

Dominiek Sandra:
“Wie op 14 jaar nog te pas en te onpas dt-fouten schrijft, heeft een taalkundig probleem.”

Acht jaar geleden kwam u al tot de verrassende conclusie dat zelfs de beste spellers zonder het te beseffen dt-fouten kunnen schrijven. Dat onderzoek hebt u nu verfijnd.
Dominiek Sandra: “En onze conclusies van toen staan als een huis. Dt-fouten zijn haast onvermijdelijk. Dat komt door de manier waarop ons brein werkt. We hebben allemaal een gigantisch woordgeheugen, waarin we voortdurend en onbewust alle woorden opslaan die we onder ogen krijgen, dus ook alle mogelijke werkwoordvormen. Nu komt de ene woordvorm in het Nederlands veel vaker voor dan de andere en precies dat beinvloedt ons woordgeheugen: vormen die we vaker tegenkomen, zitten beter ingeprent en komen automatisch sneller boven. Omdat herhaald vaker voorkomt in onze taal dan herhaalt, lopen we meer het risico om hij herhaald te schrijven dan ik heb het herhaalt. Bij vormen met eenzelfde uitspraak zijn we dus geneigd om de frequentste vorm op te schrijven, het is haast een reflex. Door vervolgonderzoek weten we nu ook dat als er een d in de stam zit, die d zich altijd sterk opdringt in de derde persoon. Fouten als hij houd komen dus vaak voor, omdat de d in elke vorm van dit werkwoord voorkomt (houd, houdt). Toch is het risico om een fout te schrijven in de eerste persoon nog groter als de vorm op dt heel vaak voorkomt. Zo lees je vaker de fout ik wordt dan hij word.”

Is de invloed van ons geheugen dan zo sterk?
Dominiek Sandra: “Absoluut. We hebben bijkomende experimenten gedaan met werkwoorden in de gebiedende wijs, zoals in Word nu eens volwassen! In zulke zinnen komt geen onderwerp voor. Hierdoor kan je bij de keuze voor t, d of dt nog gemakkelijker misleid worden door het vaak voorkomen van de ene of de andere vorm. Ook hier komt de fout Wordt nu eens volwassen! (in plaats van Word nu eens volwassen!) dus geregeld voor. De invloed van het woordgeheugen is daarmee bevestigd”

Waarom schrijven leerlingen dan dikwijls fouten als hij wastte of hij trachte? Geen van beide vormen zitten toch dik in ons geheugen, want het zijn fouten.
Dominiek Sandra: “Met die vraag zaten we ook in onze maag. Tot we ontdekten dat ons woordgeheugen niet enkel gevoelig is voor de frequentie van woorden maar ook voor de frequentie van groepjes van letters. We redeneerden als volgt: bij verleden tijden waarvan de uitspraak eindigt op ste of chte zou er een competitie kunnen ontstaan tussen twee lettergroepjes: ste en stte (vergelijk waste en tastte) of chte en chtte (vergelijk lachte en wachtte). Die competitie zou sterker moeten zijn na de s-klank dan na de ch-klank: het lettergroepje ste komt in de verleden tijd immers vaak voor terwijl chte slechts in een handvol werkwoorden voorkomt. Bij de spelling van vormen met een dubbele t in de verleden tijd zou die competitie meer fouten als taste moeten veroorzaken dan fouten als trachte. Onze voorspelling werd bevestigd. Fouten zoals hij haktte zul je om dezelfde reden weinig tegenkomen: lettergroepjes als ekttef komen in onze taal helemaal niet voor en zitten dus niet te dringen in ons woordgeheugen. Kortom, ons geheugen houdt nauwkeurig bij hoe vaak we een werkwoord spellen en hoe we dat doen, en het oefent een dubbele invloed uit: een op woordniveau en een op het niveau van lettergroepjes.”

Een leraar mailt ons: ‘De leerling die in mijn klas de minste spelfouten maakt, woonde twee jaar geleden nog in Kosovo en sprak toen geen woord Nederlands. Ze maakt nochtans geen enkele dt-fout.’
Dominiek Sandra: “Dat is erg interessant. Haar geheugen bevat natuurlijk nog niet zoveel woordvormen als dat van de doorsnee Vlaming, waardoor zij er minder door beinvloed wordt. Ik vermoed dat zij de Nederlandse spellingregels bovendien goed beheerst en ook voortdurend bewust oproept en toepast. Allicht is dit ook de reden waarom wij Engelse of Franse woorden soms beter spellen dan een Engelsman of een Fransman. Ons geheugen bevat minder Franse en Engelse stoorzenders.”

We hoeven dus enkel de spellingregels goed te kennen en toe te passen om ons geheugen te slim af te zijn.
Dominiek Sandra: “Was het maar waar. Ons geheugen roept sneller vaak voorkomende werkwoordvormen op dan de spellingregels die we moeten toepassen. Daardoor gaan we twijfelen en fouten maken. Bijvoorbeeld in langere, complexe zinnen of als we vermoeid of niet geconcentreerd zijn. Of zelfs als we geen zin hebben bewust op onze spelling te letten. In een aantal gevallen hebben spellers daardoor geluk: omdat ze vooral die werkwoordvormen schrijven die het vaakst voorkomen, is de kans groot dat ze juist zijn. Als je dat als leraar weet, besef je waarom je leerlingen de ene keer geen dt-fout maken en de andere keer weer wel.”

Maar leerlingen die de spellingregels goed kennen, zullen automatisch toch minder spelfouten schrijven.
Dominiek Sandra: “Het gaat niet enkel om spellingregels kunnen verwoorden, het gaat ook om een goed grammaticaal bewustzijn. In het voorbeeld Word nu eens volwassen! moet je je ervan bewust zijn dat het werkwoord in de gebiedende wijs staat en dat je dus de stam van het werkwoord moet nemen om de juiste vorm te schrijven. Of je moet bewust de analogie kunnen maken met een zin als Kom eens hier! Bovendien is telkens regels oproepen en toepassen in een spontane schrijfsituatie niet vol te houden. We richten ons dan namelijk vooral op de inhoud. Daarom is het essentieel dat je je schrijfwerk naleest, met je grammaticale bril op. En ik vermoed dat leerlingen dat wel eens vergeten of dat hun grammaticaal bewustzijn niet sterk genoeg is. Onderzoek in Engeland wijst daar ook op: kinderen met een sterk grammaticaal bewustzijn worden de beste spellers. Maar om de grammatica van een taal te beheersen, heb je een groot abstractievermogen nodig en dat hebben kinderen gemiddeld niet ver genoeg ontwikkeld voor hun veertien jaar. Hoe beter je de grammatica van een taal kent en kan toepassen op concrete zinnen, hoe beter je de druk van het woordgeheugen kan compenseren.  Het woordgeheugen hoeft dus niet het laatste woord te hebben.”

Met andere woorden, als leerlingen op hun veertien jaar nog continu dt-fouten schrijven, dan hebben ze hun grammaticaal bewustzijn niet voldoende ontwikkeld?
Dominiek Sandra: “Die kans is heel groot, ja. Wie op die leeftijd nog te pas en te onpas dt-fouten schrijft, heeft een taalkundig probleem.” Waarom schrijft de ene leerling meer dt-fouten dan de andere, zelfs als ze allebei de regels en grammatica kennen? Dominiek Sandra: “Ervaren spellers kijken hun werkwoordvormen nog tijdens het schrijven na of ze doen dat zeker achteraf. Ze reviseren hun werk. Dat moet voor elk van ons een automatisme worden. Een vijftienjarige die veel dt-fouten schrijft, hoewel hij de regels kent en kan toepassen, heeft vermoedelijk nooit goed leren reviseren. Dat verklaart waarom sommige leerlingen wel hun best doen als ze een dictee krijgen, maar de ene spelfout na de andere schrijven tijdens een toets fysica. Reviseren, hun werk nalezen, leren kinderen grotendeels in het lager onderwijs. Ze doen dat niet enkel voor taal maar ook voor rekenen, denk aan de negenproef. Maar ook dat reviseren is een oefening die moet doorlopen tot in het secundair onderwijs. En het is voor ons allemaal een aandachtspunt als we ons willen wapenen tegen de druk van ons woordgeheugen om reflexmatig te spellen. Maar de rol van het woordgeheugen mag geen excuus zijn om spellingregels systematisch te negeren. Een verklaring is geen vrijgeleide.”

Sommigen wijzen erop dat de didactiek faalt of dat onze spelling te moeilijk is.
Dominiek Sandra: “Als dat waar was, dan zou niemand goed kunnen  spellen. Wel zijn kinderen met een aanleg voor grammaticaal bewustzijn in het voordeel, net zoals kinderen met een hoog abstractievermogen wellicht beter meetkunde- of fysicavraagstukken kunnen oplossen. Maar ik geloof ook dat er bij sommige leerlingen een attitudeprobleem is. Je moet weten dat je fouten schrijft en in welke omstandigheden het belangrijk is om die fouten te vermijden.”

 

Leerlingen schrijven geen dt-fouten als ze erop letten en ze letten erop als dat nodig is. “Het is een kwestie van attitude”, stelt Els Hendrickx, wetenschappelijk medewerker aan de K.U.Leuven. Voor haar eindwerk peilde ze dieper naar de houding van 80 leerlingen en 21 leraren tegenover dt-fouten.

Je hoort tegenwoordig wel vaker dat dt-fouten jongeren geen moer meer kunnen schelen. Klopt dat?
Els Hendrickx: “Nee, ze bekijken dat van twee kanten. In een informele context (sms, chat, een kaartje naar huis …) vindt 85 procent het niet belangrijk om op spelling te letten. Maar in formele contexten doet 95 procent zijn best om geen dt.fouten te maken. Ook op school. Er is wel een verschil: tijdens de lessen Nederlands let 88 procent op d en dt, tijdens andere vakken slechts 47 procent. Daarnaast vinden jongeren d en dt niet echt moeilijk. Slechts een kwart vindt de regels lastig en slechts een op acht denkt dat hij ze slecht kan toepassen.”

Vinden jongeren dt-fouten dan niet erg? In de samenleving wordt daar toch stevig op gehamerd.
Els Hendrickx: “In een formele context vinden ze dat een dt-fout een slechte indruk geeft en sommigen zijn er ook wel beschaamd over. Jongeren beseffen dat je beter geen dt-fout schrijft in een sollicitatiebrief. Als er in een reclamefolder een dt-fout opduikt, vindt liefst 69 procent dat die reclame onbetrouwbaar is. Maar een dt-fout associeren met luiheid, domheid of slordigheid doen maar weinig jongeren. Ten slotte vinden meisjes dt.fouten vermijden belangrijker dan jongens. Leerlingen uit het algemeen secundair onderwijs (aso) vinden dat ook, vergeleken met leerlingen uit het technisch secundair onderwijs (tso).”

Vinden ze het erg dat leraren veel punten aftrekken voor een dt-fout?
Els Hendrickx: “Driekwart vindt het rechtvaardig dat de leraar Nederlands daar punten voor aftrekt, zolang daar niet mee overdreven wordt. Van andere leraren aanvaarden jongeren helemaal niet dat ze punten aftrekken voor een dt-fout. Dat hoort volgens hen niet bij de vakinhoud. Overigens blijven jongeren zelf erg streng: 70 procent zou liever een kandidaat aanwerven die geen dt-fout maakt.”

Over naar de leraren. Mogen we veronderstellen dat zij heel gevoelig zijn voor dt-fouten?
Els Hendrickx: “Zeker, maar tso-leraren algemene vakken en enkele aso-leraren Nederlands relativeren in mijn onderzoek toch wel het belang van de dt-fout. Leraren die daar heel streng op zijn, zetten hun houding niet altijd om in de praktijk en dt-fouten worden volgens mijn gegevens niet altijd en nooit echt zwaar bestraft. Natuurlijk zullen leraren alles doen om zelf dt-fouten te vermijden: in formele contexten vindt bijna elke leraar dat belangrijk. Maar in informele contexten zakt dat tot ruim de helft. Leraren vinden het wel allemaal belangrijk dat leerlingen in alle schoolvakken zonder dt-fouten schrijven.”

Hoe reageren de leraren uit uw onderzoek op dt-fouten bij leerlingen?
Els Hendrickx: “De helft bestraft ze, de andere helft niet. Bovendien worden dt-fouten niet zo zwaar bestraft als men overal aanneemt: sommigen trekken minder dan een half punt af, ruim de helft een half punt, een derde een punt. Van de leraren Nederlands bestraft drie kwart dt-fouten altijd. Dat zijn dan alle tso-leraren en de helft van de aso-leraren Nederlands. Alle leraren duiden dt-fouten van hun leerlingen aan, maar merkwaardig in mijn onderzoek is dat geen enkele leraar er zelf in slaagt alle dt-fouten in toetsen en taken aan te duiden.”

Vinden leraren dat leerlingen meer dt-fouten schrijven dan vroeger?
Els Hendrickx: “Ze zijn pessimistisch. Slechts een op drie vindt dat de leerlingen de spellingregel goed beheersen. Vier leraren op vijf met minstens tien jaar ervaring vinden dat leerlingen meer dt-fouten maken dan vroeger. Jammer genoeg bestaat er geen enkel onderzoek dat dit hard maakt, het blijft bij indrukken. Leraren denken vooral dat geen enkele leerling vandaag zijn best doet om op dt-spelling te letten.”

Waaraan ligt het dat leerlingen zoveel dt-fouten schrijven?
Els Hendrickx: “Het is vooral een kwestie van attitude: de context bepaalt of leerlingen werkwoorden correct willen spellen of niet. In een formele context lukt het best. Daar ligt het dus niet louter aan een falende didactiek, de moeilijkheidsgraad van de regels, een algemene normvervaging, onwetendheid of andere invloeden. Jongeren kunnen correct spellen, maar vinden dat niet altijd nodig. Die wisselende attitude rond d en dt vinden we ook terug in de samenleving, jongeren volgen dus gewoon de weg van de volwassenen. Zolang de attitude wisselt en men zich bewust is van fouten, kunnen we niet spreken van taalverloedering.”

Wat valt daaraan te remediëren?
Els Hendrickx: “Aso-meisjes vertonen onterecht faalangst en onzekerheid over d en dt, zij verdienen veel meer positieve feedback. Aso-jongens en tso-leerlingen moeten bewuster worden gemaakt van hun fouten, omdat ze hun spellingniveau te hoog inschatten. Verder moeten leraren Nederlands dt-fouten in schrijfwerk vooral consequent sanctioneren. Bij andere vakken dan Nederlands kan er een cijfer komen voor inhoud en een cijfer voor taal, maar de inhoud moet wel blijven primeren in het totaal. En allicht is er niets tegen een korte dt-opfrissing in het begin van elk schooljaar.”

 

Heeft de spellingchecker correct spellen minder belangrijk gemaakt?

Vlaamse en Nederlandse leraren vinden dat er meer spelling en grammatica in het vak Nederlands moet zitten, maar voor de leerlingen hoeft dat niet. In Taalpeil 2007 legt de Nederlandse Taalunie het vak Nederlands op de dissectietafel. Twee andere opvallers uit het onderzoek:

Moet de spelling van het Nederlands veel meer aandacht krijgen in het onderwijs?

  absoluut misschien wel neutraal eerder niet helemaal niet geen mening
Leraren 51 % 22 % 16 % 8 % 3 % 0 %
Leerlingen 14 % 20 % 47 % 9 % 4 % 6 %
Burgers 50 % 20 % 23 % 3 % 3 % 1 %

Vraag aan 765 Vlaamse leraren, leerlingen en burgers in het algemeen in Taalpeil 2007.

Leerlingen nemen een opvallend neutraal standpunt in over meer of minder aandacht voor spelling in de les. De vraag werd ook voorgelegd aan Nederlanders en Surinamers. Daaruit blijkt vooral veel eensgezindheid. De enige twee opvallers zijn de Vlaamse leerlingen, die veel meer dan Nederlandse en Surinaamse leerlingen een neutraal standpunt innemen, en de Surinaamse leerlingen, van wie 44 procent absoluut vindt dat er meer spellingonderwijs moet zijn.

Is kunnen spellen door de komst van computer en spellingchecker minder belangrijk geworden?

  absoluut misschien wel neutraal eerder niet helemaal niet geen mening
Leraren 6 % 14 % 3 % 20 % 57 % 0 %
Leerlingen 11 % 20 % 22 % 23 % 17 % 7 %
Burgers 13 % 14 % 8 % 24 % 41 % 0 %

Vraag aan 765 Vlaamse leraren, leerlingen en burgers in het algemeen in Taalpeil 2007.

Meer dan volwassenen vinden leerlingen dat de spellingchecker correct kunnen spellen minder belangrijk heeft gemaakt, terwijl vooral de leraren het hier niet mee eens zijn. De vraag werd ook voorgelegd aan Nederlanders en Surinamers. Nederlanders en Vlamingen denken er ongeveer hetzelfde over, maar Surinamers bekijken dit anders: zo is een kwart van de leerlingen ervan overtuigd dat de spellingchecker correct kunnen spellen minder belangrijk maakt. Ook Surinaamse burgers (27 %) denken er zo over. De Vlaamse leerlingen vinden van de drie landen het minst dat de spellingchecker zo’n grote invloed heeft.

Klasse voor Leraren

180 - december 2007

Error, group does not exist! Check your syntax! (ID: 3)

Archief

Dit artikel komt uit het archief van
Klasse. De informatie is misschien niet
meer up-to-date.

Liever actuele info over dit onderwerp?
Surf naar www.klasse.be