Archief

Klasse voor Leraren

97 - september 1999

Klasse voor Leraren

97 - september 1999

pagina 49 t.e.m. pagina 52

Kansarmoede

Arm is dom?

Bijna één op vijf Belgische gezinnen (18 procent) is bestaansonzeker. Ze houden net het hoofd boven water. Er moet niet veel gebeuren of ze glijden weg in armoede. Meer dan één op vijftig Belgen moet rondkomen met het wettelijk bestaansminimum (763 euro per maand voor een alleenstaande moeder met kinderen). Ongeveer één kind op dertig wordt in een (kans)arm gezin geboren. Ze zitten in de klas, gewoon naast de andere leerlingen.

Onderwijs kan ervoor zorgen dat mensen uit de armoede geraken. Toch wordt één op vier (kans)arme kinderen al vlug doorverwezen naar het buitengewoon onderwijs. 85 procent van alle leerlingen in het beroepssecundair onderwijs komt uit een lager sociaal-economisch milieu. Velen hadden in het algemeen secundair of het technisch onderwijs kunnen zitten. Ze krijgen het etiket dom mee omdat ze arm zijn. Ze krijgen minder kansen, omdat de school zich niet afstemt op het arme gezin. In plaats van een hefboom wordt de school een slagboom die de ongelijkheid bevestigt.

Lea, leerkracht:
«Ze zeggen dat ik naïef ben»

«Vroeger werd de achtergrond van de leerlingen op school geheim gehouden. Iedereen moest gelijke kansen krijgen. Nu bespreekt de klassenraad bij het begin van het schooljaar elk kind van de klas. Je weet nu tenminste als er een (kans)arm kind in de klas zit.

Rika doet soms echt storend. Dat kan ik begrijpen. Stel je maar eens voor dat je vader elke dag dronken thuis komt, dat je ouders de rekening voor de verwarming niet kunnen betalen of je vader je kat heeft gedood omdat ze te veel eet. Sommige collega’s vinden dat ik naïef ben en me door Rika en haar ouders laat vangen. Maar armoede maakt deel uit van de maatschappij. Je moet dat niet onder de mat vegen. Rika en de andere leerlingen van de klas zijn daar niet mee geholpen. Ik zorg ervoor dat Rika zich goed voelt in de klas, dat ze weet dat ik er ben voor haar. De contacten met haar ouders verlopen moeizaam. Moeder heeft zelf slechte ervaringen met de school. Ze wil niet naar het oudercontact komen. Maar ze staat er wel op dat ik Rika’s rapport bij haar thuis persoonlijk kom bespreken. Ik wil wel helpen, maar hoe ver moet ik daar in gaan?»

het probleem

Wat is het probleem? Veel gezichten (die niemand ziet)

SCHOOL VECHT MET MAATSCHAPPIJ

(Kans)armoede is een maatschappelijk probleem én een fundamenteel onrecht. Enerzijds overstijgt het je capaciteiten als leerkracht (je kan er niks aan doen), anderzijds is onderwijs de hefboom om (kans)armoede te bestrijden. Maar de school is vaak erg gericht op ónze maatschappij en werkt zo onbewust mee aan de sociale uitsluiting van (kans)armen.

MEER DAN WEINIG GELD

Een gezin is (kans)arm als het problemen heeft op ten minste drie van de volgende terreinen:

inkomen, opleiding, ontwikkeling van de kinderen, arbeidssituatie van de ouders, huisvesting, gezondheid. (Kans)armoede heeft vele gezichten. Enkele voorbeelden:

  • Generatiearmen: armoede wordt doorgegeven van vader op zoon.
  • Langdurig werklozen: soms door omstandigheden, soms door lage scholingsgraad.
  • Ziekte of handicap kan ervoor zorgen dat ouders uit het arbeidscircuit verdwijnen en totaal afhankelijk worden.
  • Alleenstaande ouders: vooral vrouwen komen als gevolg van een sterfgeval of echtscheiding in armoede terecht.
  • Verkeerd budgetbeheer: zorgt ervoor dat men in de rode cijfers komt.

Vaak zijn er vele samenhangende problemen die elkaar versterken. Elke (kans)arme heeft zijn eigen verhaal, geschiedenis en levensloop.

Wie is het probleem? De leerling of de leerkracht?

DE LEERLING: het etiket is gratis

Leerkrachten bekijken kinderen uit (kans)arme milieus vlug als slachtoffer, als kinderen met problemen en tekorten (agressief, corrupt, lui). «We moeten hen leren begrijpen en ze moeten zich bij ons kunnen thuisvoelen.» Juist, natuurlijk. Toch moet ons respect fundamenteler zijn: vertrekken vanuit wat (kans)arme kinderen wél kunnen, waar ze wél goed in zijn (logica, onderhandelen, leergierig in het leven). (Kans)arme kinderen verschillen ook niet van andere kinderen (ze houden ook van videospelletjes, populaire muziek, het commerciële circuit). Alleen de omstandigheden verschillen.

  • Arm zijn houdt risico’s in:
    • geldgebrek (onbetaalde schoolrekeningen, ouderwetse of ongewassen kledij, gebrekkige medische verzorging, gebrekkige voeding en hygiëne, slechte huisvesting)
    • een andere cultuur (andere omgangsvormen thuis, andere leefstijl, andere opvoedingsgewoonten, weinig schoolondersteunend gezinsklimaat, andere taal)
    • stigmatisering: ze krijgen een etiket (dat zorgt voor negatieve verwachtingen van de leerkracht en een verstoorde relatie met de klasgenoten)
    • dialoog ouders-school (verloopt gebrekkig in twee richtingen)
  • Er kunnen aanwijzingen zijn dat leerlingen negatieve gevolgen dragen van een lager sociaal milieu:
    • Ze missen de gewone ondersteuning van thuis: komen vaak ongewassen, slecht gekleed of zonder schoolgerief naar school. Afspraken over turnkledij, schoolwerk worden soms niet nageleefd. Ze komen vaak niet, te laat of onregelmatig naar school.
    • Ze hebben een eigen taal: dialect, weinig genuanceerd, soms brutaal en direct. Lichaamstaal neemt een belangrijke plaats in. Ze hebben een andere woordenschat en beheersen de meer abstracte schooltaal nauwelijks. Ook is de inhoud van de taal thuis en op school verschillend.
    • Ze vertonen gedragsproblemen: ze merken dat ze niet zijn zoals andere kinderen. Ze zijn teruggetrokken of agressief, bouwen moeilijk een vertrouwensrelatie uit met de leerkracht, zijn impulsiever, vlugger ontmoedigd en ze verwachten minder van hun eigen prestaties.
    • Ze hebben vaak een minder goede leerhouding: ze zijn minder zelfstandig, concentreren zich moeilijk, hebben last met plannen of vooruitzien..

DE LEERKRACHT: onbegrip of ocharme

  • Ze krijgen een etiket: leerkrachten laten zich misleiden door een beeld dat ze hebben van (kans)arme leerlingen. («Ze zijn lui, geven geld uit aan wat ze niet nodig hebben»). Dat beïnvloedt de verwachtingen van de leerkrachten (een zwak resultaat is dan al voldoende, een vraag herhalen toch zinloos enz.). Ook de relatie met de klasgroep kan problematisch zijn (pesten, geen uitnodiging voor verjaardagsfeestjes).
  • – Medelijden zet de leerkracht aan om de (kans)arme leerling meer aan te halen, te beschermen tegen pesterijen Daardoor gaan (kans)arme ouders en leerlingen zichzelf zielig voelen.
  • – Een gevoel van machteloosheid («Wat helpt het allemaal, ik kan er niks aan veranderen») en onzekerheid («Wat moet ik doen om goed te doen?») blokkeert de leerkracht.
  • – De leerkracht voelt zich leeggezogen omdat hij op school geen klankbord vindt om zijn ervaringen uit te wisselen («Ze zeggen dat ik naïef ben»).

de aanpak

Kruip eens in hun vel. Hoe ervaren (kans)arme leerlingen en ouders hun situatie? Wie dat reconstrueert, kan begrijpen waarom een (kans)arme leerling of ouder precies datgene zegt, doet of vraagt wat je als school of leerkracht zo irriteert. Dit begrip is nodig om tot een meer efficiënte aanpak van (kans)armoede op school te komen. Daarnaast zouden leerkrachten ook meer zicht kunnen krijgen op hun eigen ervaringsstroom: word ik gedreven door medelijden, twijfels, wantrouwen? Geef ik iedereen gelijke kansen, niet alleen in woorden maar ook in daden?

Op schoolniveau: kap de drempel weg

  1. Sta open voor (kans)arme kinderen en hun ouders. We denken dat we weten wat ze nodig hebben. Is dat ook zo? Informeer je als school, leerkracht. Wat is (kans)armoede? Hoe beleven de kinderen, de ouders, de leerkrachten dat? Wat zijn risicofactoren en pijnpunten? Vaak zijn er deskundige centra en hulpverleners in de buurt om daarbij te helpen.
  2. Breng de school dichter bij thuis en breng thuis in de school: de kloof tussen (kans)arme gezinnen en de school is mee de oorzaak van onderwijsachterstand. Heel wat leerkrachten kennen de buurt waarin ze les geven niet, waardoor ze zich ook afsluiten voor wat in die buurt gebeurt. Contacten tussen arme gezinnen en school optimaliseren heeft een positief effect:
    • op de ouders, hun verwachtingen tegenover de school, tegenover hun kind, op de doelen die ze stellen i.v.m. de opvoeding van de kinderen;
    • op de kinderen, de manier waarop ze functioneren in de klas, hun betrokkenheid, hun welbevinden en van daaruit hun ontwikkeling en loopbaanperspectieven;
    • de leerkrachten en de directie, hun verwachtingen tegenover die leerlingen en hun ouders.
  3. Werk aan een gedragscode voor de communicatie met ouders. Een vlot contact met ouders kan waardevolle informatie opleveren voor de leerkracht.
    Zet zelf de eerste stap:
    • praat met respect, zorg dat ze voelen dat ze welkom zijn (informele schoolpoortgesprekken, schoolfeesten, huisbezoeken)
    • zorg voor duidelijke boodschappen (licht schriftelijke boodschappen desnoods mondeling toe aan de schoolpoort)
    • win vertrouwen, spreek de ouders niet alleen aan als er problemen zijn, ook als het goed gaat («Evelien voelt zich echt goed op school, ze heeft vele vrienden»)
    • schakel het huiswerkbeleid in als vorm van communicatie (waar is de leerkracht op school mee bezig?)
    • Schakel de ouderwerking in: zorg voor een lage drempel (nodig ze persoonlijk uit, zorg dat ze hun eigen taal kunnen gebruiken, behandel en benader ze zoals je zelf wil aangesproken worden) laat ze het financieel beleid van de school evalueren (licht de schoolrekening toe, leg uit wat er met toelagen gebeurt)
  4. Werk aan een gedragscode voor het financiële.
    Onderwijs moet gratis zijn zolang het kind leerplichtig is. Maar toch zijn er altijd kosten (boekentas, kledij, schoolgerief, naschoolse opvang, schoolreis, verjaardagscadeautjes, schoolfeest). Vaak een probleem voor mensen met geldgebrek. Er volgen negatieve reacties, gezinnen geraken geïsoleerd, leerlingen worden gepest en vernederd.
    • Stel je in hun plaats. Leerkrachten en directie reageren soms wrevelig en intolerant over financiële zaken omdat ze niet weten wat rekeningen in een gezin teweeg brengen. Onthoud dat de leerlingen zelf daar niets aan kunnen doen.
    • Communiceer met respect. Een rode nota in de agenda, een boze telefoon of de sociale dienst inschakelen als (kans)arme leerlingen niet in orde zijn, werkt vaak averechts. Een persoonlijk gesprek kan een signaal zijn dat de school hun probleem ernstig neemt.
    • Een financieel beleid op school. Omgaan met financiële problemen op school is niet enkel een zaak van de directie of de individuele leerkracht, maar veronderstelt afspraken met het volledige schoolteam:
      • spreek af om altijd tact en discretie te bewaren, wijd niet in volle klas uit over betaalproblemen van een leerling
      • bewaak welke financiële inspanningen de school van ouders vraagt
      • haal optionele zaken (verplicht tijdschrift bv.) uit het basispakket
      • wees vindingrijk om kosten te drukken
      • zorg voor een centraal beheer bij het ophalen van geld
      • organiseer gespreide betaling voor grote bedragen
      • zorg voor afspraken rond tractaties bij verjaardagen, geschenken voor leerkrachten
      • bepaal wanneer directie of andere diensten worden ingeschakeld bij niet-betalen
      • geef ouders met moeilijkheden tijdig en tactvol een signaal
      • duw de leerkracht nooit in de rol van deurwaarder
    • Commissie zorgvuldig bestuur. Basisscholen en ouders kunnen er terecht voor vragen en klachten over de kosteloosheid van het onderwijs.
  5. Werk samen
    Onderwijs met gelijke kansen rust niet op de schouders van een individuele leerkracht. Een geïsoleerde inspanning hou je niet vol en zorgt niet voor een beleid met continuïteit.
    • (Kans)armoede is een zaak van de hele school: neemt de school de bekommernis voor de (kans)armen expliciet op in het pedagogisch project? Wie zijn ze? Wat zijn hun behoeften? Hoe kunnen we daarop inspelen (huiswerkbeleid, communicatie, financieel beleid)? Wie dat in team aanpakt, komt tot een gestructureerde werking. Daar vaart de hele school wel bij, ook op andere domeinen. Een interne coördinator kan de motor van zo’n proces zijn, maar alléén kan hij dat niet aan.
    • De school staat niet alleen. Als schoolteam heb je ook beperkingen. Vaak is de problematiek zo complex dat je steun nodig hebt: schoolbegeleiding, OCMW, CLB, buurtwerk, basiseducatie, Comité voor Bijzondere Jeugdzorg, Schoolopbouwwerk
    • Het onderwijsbeleid werkt mee. Het departement Onderwijs ondersteunt projecten op school: onthaalonderwijs, gelijke onderwijskansen, zorgcoördinator.

Op klasniveau: thuis voelen

Reduceer een kind uit een (kans)arm milieu niet tot een kind met (kans)armoede. Belangrijk is wat élke leerling in de klas doet, zegt, vraagt, beleeft, ervaart. Ook de (kans)arme. En wat je daar als leerkracht mee doet.

Hoe een leerling zich gedraagt in de klas en op school kan te maken hebben met zijn sociale achtergrond (familiegewoonten, goedkope kleren, geen ontbijt), maar ook met het feit dat hij leerling is (de beste willen zijn, elkaar berispen) of gewoon jong is (sensatieverhalen, stoerdoenerij, interesse voor het commerciële circuit).

Als leerlingen van (kans)arme ouders zich in de klas thuisvoelen, als ze aan hun trekken komen en merken dat de school oog en oor heeft voor hun leefomstandigheden, bevordert de school hun betrokkenheid en welbevinden. Dat hebben ze nodig om te leren. Dat geldt voor álle leerlingen. Alleen is de last voor sommige (kans)arme leerlingen groter om dat te realiseren.

Welbevinden: ze durven zichzelf zijn, voelen zich thuis, genieten van het leven, stralen vitaliteit uit, voelen innerlijke rust en voelen zich emotioneel veilig

Betrokken leerlingen zijn gedreven en geconcentreerd bezig, ze exploreren intens en enthousiast, ze genieten van wat ze doen. Ze gaan op een persoonlijke manier om met uitdagingen, bewegen zich aan de grens van hun mogelijkheden.

  1. Breng hun thuis in de school:
    • Aansluiten bij het cultuurpatroon van thuis is niet altijd mogelijk en wenselijk. Je kan er wel begrip voor opbrengen. Leer leerlingen verschillen zien en aanvaarden (multiculturele opvoeding). Culturen verschillen niet alleen door taal en etniciteit, maar ook door leefomstandigheden. Armen hebben een andere cultuur dan niet-armen. («Hoe gebeurt dat bij jullie thuis?»)
    • Om zo’n ‘multiculturele’ opvoeding te realiseren moeten leerkrachten weten hoe het er thuis aan toe gaat. Doe op school niet alsof er geen werklozen zijn, geen éénoudergezinnen en geen armen bestaan. Dat werkt erg vervreemdend voor een kind. Het krijgt de boodschap dat wat bij hem thuis gebeurt eigenlijk niet bestaat (bv. biedt een leesboek aan waarin de leerling zich kan terugvinden, laat leerlingen gebruiksvoorwerpen van thuis meebrengen en erover vertellen).
    • Kinderen hebben er behoefte aan (ook) op school fier te kunnen zijn op hun ouders. Ook (kans)arme kinderen.
  2. Bewaak de sociale positie van (kans)arme leerlingen in de klasgroep: de school is de plaats bij uitstek om contacten te leggen met leeftijdgenoten. Die relaties zijn voor kinderen van zeer groot belang. De sociale positie die kinderen in de klasgroep van de lagere school innemen, blijkt van grote invloed te zijn op hun latere sociale en emotionele ontwikkeling. Eenmaal in de positie van de verworpenen, blijken kinderen daar nog maar heel moeizaam uit los te kunnen komen.
  3. Houding van de leerkracht: meer dan andere kinderen hebben (kans)arme leerlingen op school behoefte aan:
    • genegenheid en tederheid;
    • succeservaringen die hen overtuigen dat ze wat kunnen;
    • veiligheid en structuur. Een voorwaarde om zich te kunnen ontplooien;
    • begrip en respect. Sommige leerlingen gedragen zich agressief, ongenaakbaar, uitdagend of ongeïnteresseerd op school. Bekijk ze niet als ‘moeilijke leerlingen’, maar als leerlingen die het moeilijk hebben.

 

De gemiddelde leerling bestaat niet. Elke leerling heeft zijn eigen aanleg, leerritme en gezinsmilieu. Een school die vertrekt vanuit wat een leerling écht nodig heeft, draagt ook zorg voor (kans)arme leerlingen.

Je kan meer over (kans)armoede lezen in:

Het Klassedossier op www.klasse.be/dossier/gelijkekansen

Omgaan met kansarmoede in de basisschool – Ferre Laevers e.a. – Cego – tel. 016 32 57 90 – www.cego.be

Partners in het onderwijs – Beweging van mensen met laag inkomen en kinderen – tel. O9 24 12 15 – www.armenaanhetwoord.be

De bibliotheek bij het SISO-nummer 304 (trefwoord kansarmoede)

Bij de volgende organisaties: SOS Schulden op school – tel 053 77 94 03 – sos@welzijn.net – http://sos.welzijn.net

Beweging van Mensen met Laag inkomen en kinderen – tel. 09 224 12 15 – info@armenaanhetwoordwww.armenaanhetwoord.be

www.armoede.be

Voor meer informatie kan je terecht bij de begeleidingsdienst van de school of het CLB dat aan de school is verbonden

De Commissie Zorgvuldig Bestuur – Koning Albert II-laan 15 (lokaal 5B12) – zorgvuldigbestuur.onderwijs@vlaanderen.bewww.ond.vlaanderen.be/zorgvuldigbestuur/

Klasse voor Leraren

97 - september 1999

Error, group does not exist! Check your syntax! (ID: 3)

Archief

Dit artikel komt uit het archief van
Klasse. De informatie is misschien niet
meer up-to-date.

Liever actuele info over dit onderwerp?
Surf naar www.klasse.be