Actueel Gepubliceerd op

Directe instructie of zelfontdekkend leren?

15 reacties

Log in om te bewaren.

Delen
Juf Hilde

‘Ouderwets onderwijs blijkt het beste’, kopte de krant De Morgen boven een stuk over de voordelen van ‘directe instructie’. “Bij directe instructie leer je als leraar de basisvaardigheden expliciet en systematisch aan. Zo ervaren al je leerlingen succes door actief te oefenen”, duidt Wim Van den Broeck, professor ontwikkelings- en onderwijspsychologie aan de VUB.
 

Maar wat is er nu ouderwets of vernieuwend aan directe instructie en aan de tegenhanger zelf-ontdekkend of constructivistisch leren? Eigenlijk zijn ze beide zowel oud als nieuw.

Directe instructie sluit inderdaad aan bij het klassieke klassikale leren, zoals dat al eeuwen over de hele wereld met succes wordt toegepast. Zo was dit model de motor achter de massale democratiseringsgolf in het onderwijs tussen de jaren 1960 en 1990.

Als we nu echter spreken over het model van directe instructie, dan gaat het over de recentere variant waarbij we maximaal rekening houden met de wetenschappelijke inzichten over de menselijke cognitie, het leren en het geheugen.

In dit model is er veel aandacht voor een gedetailleerde uitwerking van elke les, zodat elke leerling daar maximaal kan van leren (zie het boek Expliciete Directe Instructie, boordevol praktische informatie).

De door te lopen fasen zijn: eerst legt de leraar het expliciet uit (en doet het voor), daarna oefenen de leerlingen gezamenlijk, en dan oefent de leerling zelfstandig.


De door te lopen fasen zijn: eerst legt de leraar het expliciet uit en doet het voor, daarna oefenen de leerlingen gezamenlijk, en dan oefent de leerling zelfstandig

Wim Van den Broeck - professor ontwikkelings- en onderwijspsychologie aan de VUB

Hierbij is er veel aandacht voor oefenen en automatiseren, zodat alle leerlingen de stof gaan beheersen. Dit model sluit aan bij het centrale idee van onderwijs als cultuuroverdracht (kennis, vaardigheden en houdingen).

Het model van zelf-ontdekkend, onderzoekend of constructivistisch leren, dat voorstanders graag voorstellen als vernieuwend, is in feite ook al oud.

Al van in de tijd van Rousseau (18de eeuw) kwam er een tegenbeweging op gang, als een slinger in de geschiedenis telkens weerkerend, die de nadruk legde op de zelfwerkzaamheid en spontaneïteit van het kind.

Hier wordt de leraar vooral gezien als een coach, een facilitator, die het zelf-ontdekkende leren van de leerling in goede banen probeert te leiden. Dit model ziet onderwijs voornamelijk als zelfontplooiing waarbij we moeten inspelen op de individuele leerbehoeften van de leerling.

In de praktijk combineren de meeste leraren elementen uit beide benaderingen (en dat is verre van verkeerd). Nu en dan aansluiten bij de leefwereld van het kind, de link leggen met reële maatschappelijke onderwerpen, creativiteit stimuleren, leerlingen leren samenwerken zijn allemaal waardevolle dingen in goed onderwijs.

Zolang we maar niet in de val trappen, zoals in het constructivisme, om schools leren te verwarren met natuurlijke vormen van leren (zoals leren praten). Schools leren is per definitie niet natuurlijk: er wordt geen kind geboren met de behoefte te leren lezen of rekenen.

Kinderen kunnen dat niet allemaal zelf ontdekken. Schools leren is dus een kwestie van cultuur, niet van natuur. Vandaar dat directe instructie ook echt effectief is, zoals uit alle onderzoek blijkt.

Bovendien verkleint het de verschillen tussen de leerlingen en is het daardoor een cruciale hefboom in het bestrijden van sociale achterstand. Te sterk differentiërend of individualiserend onderwijs, daarentegen, vergroot de verschillen en doet het algemene niveau dalen, omdat het vooral zwakke leerlingen te weinig uitdaagt uit te stijgen boven hun niveau.