Klastips Dit artikel behoort tot de reeks Wereldburgerschap Gepubliceerd op

Wereldburgerschap in je klas: durf van mening te verschillen

Reageer

Log in om te bewaren.

Delen

Fair trade? “Dat is voor groene jongens!” En lessen over vluchtelingen? “Zijn er dan nog niet genoeg naar hier gekomen misschien?” Als je thema’s rond wereldburgerschapseducatie (WBE) aankaart bij je leerlingen en collega’s op school bots je soms op weerstanden. Hoe ga je daarmee om?

“Wereldburgerschapseducatie (WBE) is niet waardenvrij. Waarden uiten zich in standpunten. En die brengen emoties mee”, zegt Bieze Van Wassenhoven (Kleur Bekennen). “Daarom kunnen je leerlingen weerstand vertonen als je het met hen wil hebben over bv. duurzame ontwikkeling. Belangrijk is dat je die weerstand decodeert. De boodschap van die leerling bevat geen kritiek op jou persoonlijk. Maar net omdat hij reageert, toont hij dat hij betrokken is.”

  1. Leg jullie gemeenschappelijke doel bloot

  2. “Ga je daarom niet verdedigen, want dan escaleert het. Weerbarstige leerlingen proberen te overtuigen met nog meer feiten, cijfers, dat werkt niet. Je moet ontmijnen. Ruimte en tijd geven om hun standpunt uit te leggen. Dan wordt de kans groot dat ze ook ruimte geven. Zorg ervoor dat je leerlingen mogen zijn wie ze willen zijn. Ook dat is WBE: elkaars mening respecteren in een sfeer van gelijkwaardigheid en respect.”

    Bieze Van Wassenhoven

    Bieze Van Wassenhoven: “Wees geen moraalridder die de waarheid in pacht heeft, maar laat je leerlingen verwonderd zijn over de mooie én de klotedingen in het leven”

    “Vaak merk je dan: ideologisch verschillen jullie, maar jullie doelstellingen zijn gelijk. Al vind je de plasticsoep in de oceanen geen probleem, je wil wel een properder wereld voor je kinderen later. Wees dus geen moraalridder die de waarheid in pacht heeft. Maar breng dat gemeenschappelijke doel in beeld. Laat je leerlingen integendeel verwonderd zijn over de mooie én de klotedingen in het leven. Leer ze die wereld begrijpen, daar hun plaats in vinden en zich zo engageren in die wereld.”

  3. Stel een Flair-test op

  4. “Leg de lat niet te hoog. Begin met een laagdrempelige methodiek, zoals de Flair-test. Die bevat eenvoudige vragen met keuzemogelijkheden. Zoals: waar koop je je kleren: bij de fairtrade-Nepalees? Bij Primark? In de kringloopwinkel? Elk keuzeantwoord heeft een kleur. Dat kan je mooi aanschouwelijk maken met legoblokjes. Geel, groen, blauw, rood. Waarbij geel dan staat voor de duurzame oplossing, maar dat weten je leerlingen nog niet.”

    “Het voordeel is: je spreekt geen oordeel uit over de keuzes van je leerlingen. Maar als ze torens bouwen met hun antwoordkleuren, dan merken ze dat iedereen verschilt. Dat brengt het gesprek op gang. ‘Amai, je bent precies nogal voor biovoeding.’ En zo raken je leerlingen betrokken.”

    “Ze beseffen geleidelijk aan wat duurzaam gedrag precies is. Je kan dan ook een profiel van je klas maken. Samen met je leerlingen kijken of jullie duurzaam gedrag vertonen of niet. Bespreken wat je kan doen om de gele toren hoger te krijgen. En of jullie dat willen. Zo begin je speels, maar zullen je leerlingen geleidelijk aan nuanceren. Je krijgt ook een realistisch beeld. Een belangrijke boodschap: niemand is perfect. En dat moet ook niet. Zo kan je zelf als leraar makkelijker zeggen: ‘Oké, mijn hemd is niet duurzaam. Maar ik kom wel met de fiets naar school.’”

  5. Toon de veelheid aan meningen

  6. “Of geef je leerlingen een beperkt budget om aankopen voor het avondeten te doen. Duurzame producten zijn vaak iets duurder, industriële goedkoper. Zo leren je leerlingen dat je niet altijd alles duurzaam kan kopen. Soms moet je sparen om je kinderen naar school te kunnen sturen. Dat is ook duurzaam gedrag. Ze beseffen ook dat je nooit de perfecte wereldburger kan zijn. En je krijgt nuance over het WBE-thema zonder dat je je eigen standpunten naar voren hebt gebracht. Zonder dat je moraliseert. Maar gewoon vertrekkend vanuit het dagelijkse leven.

    “Ook een carrousel-oefening werkt prima om nuance in de discussie te brengen. Leg een stelling rond WBE in het midden. En laat je leerlingen zich opstellen in een buitenkring en een binnenkring. Je leerlingen wisselen hun standpunten uit over die stelling. En de leerlingen in de buitenste kring schuiven dan door naar de volgende. Zo vertellen je leerlingen telkens hun eigen verhaal, maar spiegelen ze het aan de andere. En zo krijg je nuance. Conclusie: ‘In onze klas leven nogal wat opinies.’ Het voordeel is dat in zo’n oefening de machtsfactor van de leraar wegvalt, net als de druk van de klasgroep. En escaleert de discussie niet.”


    Vertel je verhaal vanuit het diepste van je overtuiging

    Bieze Van Wassenhoven - Kleur Bekennen

    “Een andere goeie methodiek is het stellingenspel met 2 assen. Op de horizontale as duiden leerlingen aan of ze (in meer of mindere mate) akkoord gaan. Verticaal moeten ze dan aanduiden of ze al dan niet actie willen ondernemen. Neem je dan een stelling als ‘Grenzen van Europa open voor vluchtelingen’, dan krijg je soms verrassende resultaten. Leerlingen antwoorden dan: ‘Niet akkoord’. Maar vraag je ze of ze iets willen doen voor de vluchtelingen, klinkt het: ‘Als ze hier toch zijn, moeten we ze helpen.’ Zo maak je zichtbaar dat het probleem heel complex is. Creëer je begrip. En vraag je naar argumenten, zonder dat je een oordeel velt.”

  7. Leer met hoofd, hart en handen

  8. “Je vertrekt bij wereldburgerschapseducatie dus vanuit het hart. Want je zorgt ervoor dat je leerlingen betrokken zijn voor en zich verbonden voelen met het thema. Je stelt met je klas vast dat er een probleem is, en dat er een draagvlak is om daarover na te denken.”

    Zo begin je aan het werk met het hoofd. Dan maak je de analyse. Waarom is er een probleem? Wat zijn de gevolgen? Waar willen we naartoe? Welke strategieën gaan we daarvoor gebruiken? Wat kan je persoonlijk doen? Als klas, als school, als buurt? Wat kan de politiek doen? De internationale gemeenschap? En zo kom je bij de handen: hoe willen je leerlingen zich engageren, hoe zullen ze werken aan solidariteit, welke projecten zijn daarvoor nodig op school?”

  9. Verlies je niet in je enthousiasme

  10. “Let ook op met straffe feiten. Die overtuigen niet altijd. Denk aan de nieuwe klimaatfilm van Al Gore: instortende ijsbergen, uitgemergelde mensen. Dat choqueert. Bij de ene pakt dat, maar anderen haken af. Te hard, te prekerig, en dan ontstaat er weerstand. Wat een verschil met dat kleine filmpje van bioboer Tom Troonbeeckx. Boer Tom wil helemaal niets opleggen. Tom vertelt gewoon. Dat mensen zelf hun groenten op het veld komen oogsten. Omdat ze dat graag doen. Omdat het vers is. En Tom geeft gewoon de antwoorden die iedereen wil geven. En zonder te moraliseren komt hij tot de essentie.”

    “Begin je les dus niet met: ‘Er zijn nogal wat problemen in de wereld. En daarom geef ik vandaag deze les.’ Probeer niet koste wat kost te overtuigen. Soms kan je in je enthousiasme je leerlingen vernietigen. Terwijl de kunst van discussie net is van mening te verschillen zonder dat je de ander vernietigt. En dat kan je door authentiek te zijn. Vertel je verhaal vanuit het diepste van je overtuiging. Dan hoef je niet meer te overtuigen, want je bent gewoon jezelf als leraar.”