Vlaanderen
Klasse.be

Specialist

Hoe je alle kleuters spreekkansen geeft

  • 17 maart 2026
  • 8 minuten lezen

Waarom kijken leraren sommige kleuters meer aan dan andere? Wat zijn uitdagingen en kansen om elk kind in de klas te betrekken? Onderzoeker Thibaut Duthois duidt de mechanismen en deelt tips om spreekkansen voor kleuters beter te verdelen.

Thibaut Duthois (UGent): “Een kloof van 30 miljoen woorden. Die verpletterende vaststelling stuurde het Amerikaanse onderzoeksduo Hart en Risley rond de eeuwwisseling de wereld in. Ze filmden kleuters thuis en turfden de woorden die ze daar horen tijdens hun eerste 3 levensjaren. Afhankelijk van hun sociale achtergrond leverde dat gigantische verschillen op: van 10 tot 40 miljoen woorden. Vervolgonderzoeken klopten af op lagere cijfers. Maar dat de taalongelijkheid groot is, dat blijft altijd overeind.”

“Kleuterleraren voelen dat en doen er alles aan om die woordenschatkloof te dichten. Dat je rijke interacties moet uitlokken? Daar zijn ze echt van doordrongen. En sinds het onderzoek van collega Brecht Peleman stoppen heel wat kleuterleraren meer spreekkansen voor kleuters in zorgmomenten en wachttijden.”

“Ondanks al die steengoede bedoelingen zit er nog altijd een hardnekkig spiegeleffect in elk van ons. Wanneer een kind minder talig is, passen we ons taalgebruik naar beneden aan. Dat stellen Vlaams én internationaal onderzoek vast. Wie met minder taal de school binnenstapt, krijgt daardoor onbewust een schraler taalaanbod. Die kleuters spreken we vaker aan met verkleinwoorden en korte zinnen.”

Taalinteractie is het kapitaal van de kleuterklas

Thibaut Duthois
onderzoeker

Krijgen sommige kleuters minder spreekkansen?

Thibaut Duthois: “Dat wilden we onderzoeken. En vooral: hoe komt dat dan? Taalinteractie – de optelsom van aanbod, spreekruimte en feedback – is immers hét kapitaal van de kleuterklas. Anders dan in lager of secundair onderwijs duiken kleuters niet in leerboeken, online leerpaden of huiswerkblaadjes. Hun grootste leerkansen zitten in de 1-op-1-momenten met hun leraar.”

“In mijn onderzoek kregen 80 kleuterleraren een bril op die oogbewegingen registreert. Zo keek ik mee door hun ogen tijdens 2 activiteiten van elk 10 minuten bij een groepje van 5 kleuters. Wie wordt aangekeken? Tot wie richten ze zich? Welke kleuters krijgen spreekkansen bij het voorlezen en een fruitmoment?”

“Aandacht kan je natuurlijk niet tot op de milliseconde afmeten met een timer. Ieder kind exact 2 minuten geven is niet realistisch. Maar dat sommige kleuters de helft van de tijd aandacht kregen en andere slechts enkele seconden, is confronterend. Wat nog meer zorgen baart, is dat we een link blootlegden tussen wie die kinderen zijn en hoeveel ze betrokken worden. We kunnen met andere woorden voorspellen wie ontsnapt aan de blik van de leraar.”

Thibaut Duthois: “Leraren bekijken bij de start en het einde van een klassituatie onbewust dezelfde taalsterke kinderen: hun referentieleerlingen.”

Welke kenmerken verlagen de spreekkansen voor kleuters?

Thibaut Duthois: “Weinig spreekdurf, lage taalvaardigheid en een andere thuistaal. Verrassend: spreekdurf is de meest dominante factor. Dat kan de 2 andere kenmerken deels compenseren. Want kleuters die hun mond durven openen – zelfs als ze nog niet zo goed spreken – trekken kansen naar zich toe.”

“Iedere leraar zal het herkennen: prikkels sturen je aandacht. Je kijkt naar het kind dat het antwoord roept of een stuk appel in zijn neus steekt. Maar het onderzoek toont ook dat niet-intentionele processen een rol spelen, zoals verwachtingen. Als we de klassituaties analyseren, merken we dat leraren bij de start en het einde vaak onbewust naar dezelfde taalsterkste kinderen kijken: hun referentieleerlingen. Die komen vaak met goede antwoorden en krijgen daarom extra spreekimpulsen.”

“Het gevolg: een vicieuze cirkel van kinderen die veel spreken en klasgenoten die weinig het woord krijgen. Dat fenomeen – je onbewust richten tot sterk presterende leerlingen – werd eerder al vastgesteld in lager en secundair onderwijs.”

Die sterke leerlingen bewijzen niet dat de klas mee is. Waarom kijken we dan naar hen?

Thibaut Duthois: “Onder die keuze zitten pedagogische overtuigingen. Ten eerste geloven we dat stille of minder taalsterke kleuters veel opsteken van een interactie tussen de leraar en een klasgenoot met een grote woordenschat. Maar eigenlijk overschatten we die leerimpact. Als een kind een gesprek afluistert, krijgt het wel taalaanbod maar nog geen spreekruimte of feedback.”

“We lijken bovendien een beetje bang van stiltes. Leraren zeggen in het onderzoek: ‘Dit kind redt me van stiltes, houdt vaart en helpt me richting leerdoelen.’ Daarmee proberen leraren trouw advies van onderzoekers te volgen, zoals ‘goede interacties gaan 5 keer over-en-weer’. Bij die meest taalsterke kinderen lukt dat vrij vlot. Die koplopers geven leraren een goed gevoel. Logisch! Maar als je op die waardevolle regels rond interactie geen uitzondering durft te maken, sla je minder taalsterke kinderen haast vanzelf over.”

Veiligheid is nodig, maar het mag niet betekenen dat je taalzwakkere of stille kinderen overslaat

Thibaut Duthois
onderzoeker

“Ten tweede hechten leraren belang aan veiligheid. Helemaal terecht! Maar bescherm je een kind door het niet aan bod te laten komen in de kring? Wij denken dat veiligheid niet betekent dat je taalzwakkere of stille kinderen met rust laat. Niemand mag om 16 uur naar huis met slechts een paar seconden dialoog met de leraar.”

“Tot slot sturen verwachtingen onze keuzes. Bepaalde kinderen krijgen alleen ja-/nee-vragen, de open vervolgvraag gaat naar een sterkere klasgenoot. Soms zit daar een sociaal-culturele bias onder. In een van de voorleesverhalen uit het onderzoek vraagt hoofdpersonage Jordy zich af of hij geld moet planten of tekenen. ‘Bij zo’n gevoelig thema duid ik Mo beter niet aan’, vertelde een leraar. ‘Want die heeft het thuis niet breed.”

Hoe krijgen die kleuters wel meer spreekkansen?

Thibaut Duthois: “Door onbewuste beslissingen om te buigen naar bewuste. Ik besef dat dit alleen maar met mondjesmaat kan. Je moet als leraar honderden beslissingen per dag nemen, vaak in je eentje in een grote klas. Maar als we die beslissingen altijd overlaten aan niet-intentionele denkprocessen, weten we naar wie de aandacht zal gaan. Een kleuter die vaak slimme dingen zegt, in de zomer veel meemaakt en met iets nieuws komt in de kring, die krijgt dan nog meer aandacht en vragen.”

“Wat ook superbelangrijk is: kleuterleraren zitten boordevol goede bedoelingen. Wanneer ze bewuste processen inzetten, kiezen ze het vaakst voor de talig kwetsbare leerlingen in de klas. Een juf uit ons onderzoek gaf Samuel tijdens het fruitmoment plots veel aandacht. Daarmee doorbrak ze onze verwachtingen want tijdens het voorlezen richtte ze zich niet tot hem.”

“Hoe dat kwam? Zijn mama had aan de schoolpoort verteld dat haar zoon altijd met zijn onaangeroerde appel naar huis komt. Samuel vaak aankijken werd daardoor een intentioneel proces. Eet hij zijn appel, of speelt hij ermee? Datzelfde gebeurt bij stille kinderen tijdens het voorlezen. Als je vooraf beslist: vandaag wil ik Zara horen, dan geef je haar vaker het woord.”

Onderzoeker Thibaut Duthois over spreekkansen bij kleuters
Thibaut Duthois: “Geef de klas aan de zorgleraar en ga zelf preteachen met een paar kleuters.” 

Beter verdeelde taalinteracties in de kleuterklas: 6 tips

1. Varieer met groepjes

“Die rijke gesprekken met de hele groep waar sterke leerlingen wat vaker het woord nemen? Blijf ze aanbieden. Hou er wel rekening mee dat sommige kleuters het gesprek naar zich toetrekken. Een verhaal over een gebroken teen? Een taalsterk kind schuift er gladjes zijn valpartij tussen. Leraren gaan met dat kind lang door op die dankbare voorzet uit zijn eigen leefwereld.”

“Andere kleuters brengen hun ervaringen niet spontaan. Vraag er toch naar. Of neem ze in een groepje apart waar ze niet moeten schouderduwen met mondige tafelspringers voor spreekruimte. Heterogene of homogene groepjes zijn allebei waardevol als je ze doelbewust inzet.”

2. Ruil met de zorgleraar

“Terwijl de zorgleraar enkele kinderen remedieert of pre-teacht, neem jij de klas. Herkenbaar? Maar wacht: waarom draaien we de rollen niet om? Dan kan je je klasmanagement een uurtje lossen, krijg je tijd met kinderen die minder initiatief nemen én verzamel je voer voor interacties met hen in de klas. Dat laatste voordeel heeft een zorgleraar niet.”

3. Inventariseer klasweetjes

“Haal midden september je klaslijst boven en noteer bij elke kleuter wat je intussen weet. Sommige kinderen vertellen vanaf de eerste dag alles aan je: de lievelingskost van de hond, de koosnaampjes van hun ouders, de kleuren van de slaapkamermuren. Dankbaar om je tijdens het voorlezen specifiek te richten naar die kleuter. Zo geef je die een taalpodium. Maar wat met de kinderen die zwijgen? Heb je voldoende aanknopingspunten om hen vaak in interacties binnen te loodsen?”

“Nog een tip: hou een paar dagen bij of je een kleuter veel, weinig of niet hoorde. Of open je klasdeur voor een collega om die analyse te maken. Welk kind bood je grote leermomenten door individueel mee te spelen? Wie ontsnapte ongewild aan je aandacht en trok telkens in z’n eentje naar de autohoek? Ga na of je patronen vindt en koppel er acties aan.”

4. Regisseer de gesprekken

“Start je de dag met een kring? Organiseer in die routine een beurtrol. Bijvoorbeeld: elke keer beschrijft een ander kind het weer. Kost het Ines 10 minuten en een hoop gerichte vragen om te vertellen dat het bewolkt is? Accepteer dat, zelfs al voel je de druk van je daglijn en lesdoelen. Want als jij tijdens het kringmoment je tijd durft te nemen, maakt Ines sneller progressie.”

5. Ruik overal taalkansen

“Sommige kinderen help je door ze een antwoord eerst te laten aanwijzen. Maar als je daar stopt, leg je verwachtingen te laag. Via die doe- of aanwijsvraag, ga je naar een ja-neevraag. Daarna klim je verder naar een 1-woordvraag en naar open vragen. Visuele ondersteuning kan daarbij een hulp zijn. Moeilijke, open vragen reserveren voor de sterkste kleuters en doe- of gesloten vragen voor andere kleuters? Dat hoeft helemaal niet.”

“Een juf uit het onderzoek richtte zich tot Niels, die een nest vond op de speelplaats. Ze nam dat nest mee naar haar klas. Een gouden kans, want Niels spreekt niet vaak. En enkel Niels kan praten over hoe hij dat nest vond, een exclusief taalpodium voor hem!”

“Eerst wees Niels het antwoord op haar vragen aan, daarna spon ze de conversatie verder uit en antwoordde Niels steeds uitgebreider. Taalsterke kleuters die wilden tussenkomen, hield ze af. ‘Wacht even. Ik vraag het eerst aan Niels.’ De verwachtingen gingen niet naar omlaag, maar de ondersteuning omhoog.”

6. Loop jezelf niet voorbij

“Om de ongelijkheid in spreekkansen bij kleuters weg te werken, moeten leraren onbewuste processen detecteren en tijd krijgen om die te kantelen tot bewuste. Maar dat lukt niet in drukke klassen, geven leraren aan. Bovendien hengelen kleuters ook tijdens elk vrij moment naar je hand en aandacht. Al die prikkels tijdens de schooldag happen bandbreedte weg.”

“De maatschappij verwacht veel van kleuterleraren, die werken in uitdagende contexten. Willen we meer kansen creëren voor talig kwetsbare kleuters? Dan moeten we kleuterleraren extra tijd en ademruimte geven om te reflecteren over hun klasaanpak.”


Het onderzoek van Thibaut Duthois maakt deel uit van TACOS. Dat is een project van UGent, KU Leuven, Odisee Hogeschool en Arteveldehogeschool rond de competenties van kleuterleraren om taalstimulerende interacties te organiseren.

Bart De Wilde

Voeg dit artikel toe aan je bewaarde artikels

Log in om te bewaren


Laat een reactie achter