Hoe werk je aan rijke taal in de kleuterklas?

Log in om te bewaren.

Hoe maak je als leraar het verschil voor kwetsbare kinderen in je klas? Taaldocent Marlies Algoet en prof. Piet Van Avermaet zoeken het uit in de klas van juf Jelke. Hoe werkt zij aan een rijke taalomgeving in haar kleuterklas? En wat doet dat met de kinderen? Marlies en Piet kijken en coachen.

Waarom zijn kwaliteitsvolle interacties in de klas zo essentieel?

Marlies Algoet: “Kinderen komen niet tot goede taalontwikkeling als ze geen kwaliteitsvolle gesprekken aangaan. De klas is daarvoor ideaal. Via die interacties leren ze bovendien relaties aangaan (socio-emotionele ontwikkeling) en ze prikkelen en stimuleren ook om na te denken en de wereld te ontdekken (cognitieve aspect).”

Piet Van Avermaet: “Wie dus inzet op kwaliteitsvolle interacties in de klas, vergroot de kansen van kinderen, ook hun taalleerkansen. Denk aan hoe kleuteronderwijzers verwoorden wat ze doen in de klas. Of hoe ze een kind toespreken: afstandelijk of op een verbaal motiverende en uitdagende manier. Creëer dus een krachtig taalklimaat.”

Wat is een krachtig taalklimaat?

Marlies Algoet: “Er zijn 3 belangrijke taalgroeimiddelen in de klas: een kleuter kan een taal pas leren als er veel taalaanbod is, als er veel spreekkansen zijn, en als hij veel feedback krijgt. Het betekent dus vooral heel véél taal in de klas. Maar niet om het even welke taal. Er zijn leraren die de hele dag praten en zeggen ‘doe dit, doe dat’, ‘stop daarmee’, ‘dat mag niet’ … Dat is instructie- en managementtaal, controlerende taal.”

Piet Van Avermaet: “Taalleren is meer dan expliciet woordjes, kleuren, regeltjes leren. Heel veel taal leer je impliciet: door ‘doing and being’ door ‘doing and talking’, waarbij je de kleuters actief betrekt. Op basis van dat krachtige taalaanbod gaat een kind onbewust hypothesen maken. Als een kleuter 10 meervouden hoort, zou hij de hypothese kunnen vormen dat alle meervouden stam + ‘en’ zijn, zoals ‘mier-en’. Hij overgeneraliseert en dat is oké.”

“Op basis van die hypotheses gaat hij dan proberen en oefenen. Als hij op dat spreken krachtige feedback krijgt, wordt die feedback weer nieuw taalaanbod. Het kind gaat zijn hypothese bijstellen en opnieuw proberen: ‘Ah, er zijn toch woorden waar je op een andere manier een meervoud van maakt’. Een taalleerproces is dus een bijproduct van krachtige momenten waar veel interactie mogelijk is.”

Hoe creëren we een uitdagend taalaanbod, een talig klimaat in de klas?

Marlies Algoet: “Het klasklimaat moet een veilige, krachtige leeromgeving zijn: aansluiten bij de leefwereld van de kinderen, aanzetten tot interactie met jou en de klasgenootjes. Zo’n krachtige leeromgeving is ook talig: een klas met boekjes, een telefoon, ingesproken versjes om mee te zeggen, een klas waar linken gelegd worden tussen wat (toevallig) gebeurt en de activiteiten in de klas. Als kinderen naar de boekjeshoek gaan, vraagt de juf daar ook naar: ‘Ik zag dat je de knuffels aan het voorlezen was. Wat deed je dat goed, zeg. Welk boek was je aan het voorlezen? Wat vonden de knuffels ervan?”

We laten soms kansen liggen?

Marlies Algoet: “Dat klopt. Neem nu de zorgmomenten in de kleuterklas: jasje aantrekken, naar het toilet gaan, koekje eten, middagmaal. We spenderen daar bijna anderhalf uur per dag aan. En vaak gebruiken kleuteronderwijzers dan vooral managementtaal. Veel spreekkansen voor kinderen zijn er vaak niet, laat staan dat er dan feedback van de leraar is. Toch kan je die momenten taalrijk maken door te verwoorden wat je doet. Bijvoorbeeld bij een kind dat zijn jas niet dichtgeritst krijgt: ‘Kijk, ik steek dit kleine pinnetje in dat metalen stukje en nu trek ik de trekker van je rits omhoog’. Dat is leren in context. Een zorgmoment wordt zo een leermoment.”

Taaldocent Marlies Algoet en prof. Piet Van Avermaet

“Een kringgesprek moet soms ook chaotisch kunnen zijn” – Prof. Piet Van Avermaet, vakgroep Taalkunde UGent

We laten ook kansen liggen tijdens de ‘echte’ leermomenten?

Piet Van Avermaet: “Neem nu het onthaalmoment. Ook daar is vaak veel ‘wachttijd’ en is de juf vaak aan het woord. Ze stelt weinig open vragen, er is vaak weinig ruimte voor echte interactie. Daardoor wordt dat moment een routine. Als kinderen weten wat er gaat gebeuren, dreigt de taal te verdwijnen. Een kringgesprek moet ook soms een ‘chaotisch’ moment kunnen zijn. En als een klaspop een routine wordt en kinderen al op voorhand weten wat de vraag zal zijn en wat zal komen, gooi je die beter buiten.”

“Je kan tijdens zo’n onthaalmoment veel taalkansen creëren of je taalaanbod verrijken. Als jij je aanwezigheidsboekje neemt en in de kring gaat zitten, verwoord dat dan: ‘Ik neem mijn boekje. Dan kan ik opschrijven wie er is. En zo weet de juf van het secretariaat wie er in de klas zit.’ Of je pakt het anders aan. Op maandag houdt juf Jelke een spreekmoment in de klas waar kinderen in duo vertellen over hun weekend. Daarna komen ze terug in de kring. Dat lokt meer taal uit dan 1 verteller en 10 luisteraars.”

Marlies Algoet: “In plaats van 1 kind de 5 verschillen in 2 tekeningen te laten zoeken, geef je beter 2 kinderen elk 1 tekening met een tussenschot tussen hen beiden. Zo moeten ze verbaal de verschillen op het spoor komen. Werk in kleine groepjes en zorg voor zinvolle en zinrijke activiteiten in de hoeken. Of vervang een groot kringgesprek door kleine babbelmomentjes met de juf.”

Rijke taalfeedback geven is cruciaal. Hoe doe je dat?

Marlies Algoet: “Aan mijn studenten vertel ik vaak volgende anekdote. Een kind komt naar de juf en zegt: ‘Juf, ik heef vannacht bij papa geslaapt’. De juf antwoordt: ‘Nee, Nona, ik HEB vannacht bij papa GESLAPEN’. Ze verbetert wat het kind zegt. Nona antwoordt: ‘Ik heef u niet gezien’. Die expliciete correctie, zoals hier het vervoegen van werkwoorden, werkt niet. De juf had kunnen zeggen: ‘Ah, heb jij bij papa GESLAPEN?’ Was er iets gebeurd misschien? Vertel eens’. Je lokt nieuwe taal uit. En misschien zal Nona nog regelmatig ‘geslaapt’ zeggen maar misschien toch ook al eens ‘geslapen’.”

Piet Van Avermaet: Parafraseren, herhalen en uitdagen is superbelangrijk. We doen dat ook bij heel kleine kinderen die in 1-woordzinnen spreken. Mama’s en papa’s en heel de sociale omgeving antwoorden dan niet in 1 woord, maar in volledige zinnen.”


Een kromme zin zet je niet recht door te antwoorden met een kromme zin

Prof. Piet Van Avermaet - vakgroep Taalkunde UGent

Toch geven we taalzwakke of anderstalige kleuters minder kansen?

Piet Van Avermaet: “Taalzwak? Die kinderen zijn even taalrijk als andere. Ze spreken andere talen dan Nederlands en leren stapsgewijs het Nederlands. Waarom labelen we ze als taalzwak? Daardoor gaan we vaak anders om met deze kinderen. Een kind dat volop het Nederlands aan het leren is, antwoordt in zijn leerproces in een 1-woord-zin of maakt veel grammaticale fouten. We zijn dan geneigd om met eenvoudig taalgebruik te antwoorden. Anders snapt dat kind het toch niet, denken we dan.”

“Dat is een foute aanname. Een gouden regel is: een kromme zin zet je niet recht door te antwoorden met een kromme zin, want dan gaan kinderen de hypothese vormen: ‘Ah, dat is juist’. Maak dus volledige, correcte zinnen. Het is heel logisch dat kinderen fouten maken. Waar het om gaat is dat je fouten maken moet bekijken als iets positiefs: dat kind probeert onbewust een hypothese uit.”

Marlies Algoet: “Leraren moeten niet gedemotiveerd geraken als het niet meteen lukt. Sommige dingen duren nu eenmaal heel lang. Zoals mijn kinderen, ondanks mijn feedback, nog steeds ‘geslaan’ zeggen i.p.v. ‘geslagen’. Dat komt wel, maar niet vanzelf. Iemand die weinig leerkansen krijgt, die geen feedback hoort, maakt die ontwikkeling niet door. Je moet als leraar kunnen aanvaarden dat je gigantisch veel investeert in die kinderen. De rente, de interest krijg je pas later.”

 

 

Bij anderstaligen of kinderen in armoede vervallen we vaak in deficitdenken.

Piet Van Avermaet: “Dat gebeurt heel onbewust. Kinderen uit kansarme omgevingen krijgen vaak meer gesloten vragen, kinderen uit kansrijke omgeving meer open vragen. We doen dat uit zorg. Als ik een vraag wil stellen en ik denk dat jij vlot zal kunnen antwoorden, dan is de kans groter dat ik je een open vraag zal stellen. Als ik denk dat je niet zal kunnen antwoorden dan zal ik je minder snel een open vraag stellen. Ik wil zo vermijden dat jij gezichtsverlies zou lijden.”

“Gevolg is dat kansrijke kinderen meer kansen krijgen om met taal te experimenteren en door de open vragen meer gestimuleerd worden tot interactief denken. Kansrijke kinderen krijgen vaak ook meer beurten. De leraar moet zich daarvan bewust zijn en een veilige omgeving creëren waar alle leerlingen de kans krijgt om op open vragen te antwoorden.”

“Via video-onderzoek merken we ook dat kansrijke kinderen heel vaak de interactie in de klas initiëren terwijl kinderen die nog volop Nederlands aan het leren zijn soms schroom hebben om dat te doen. Een kansrijk kind zal makkelijker bij de juf komen en zeggen: ‘Kijk wat ik getekend heb’. Bij een kansarm kind is de kans reëel dat hij dat niet durft.”

“Kinderen van wie we weten: die zijn taalvaardig, die spreken graag en veel, daar gaan we meer en vaker mee spreken. Ze worden meer gestimuleerd en groeien meer. Kinderen die dat van zichzelf moeilijker doen, krijgen dus minder kansen. De kloof wordt groter, we reproduceren zo ongelijkheid. Als leraar moet jij die interacties zoveel mogelijk initiëren. Videocoaching, kijken naar je eigen gedrag als leraar, kan je tot dat bewustzijn brengen.”


Veel leraren zijn er diep van overtuigd dat de thuistaal toelaten op school ten koste gaat van het Nederlands. Niet dus

Prof. Piet Van Avermaet - vakgroep Taalkunde UGent

Taal kan een hefboom zijn naar meer gelijke kansen voor kwetsbare kinderen?

Piet Van Avermaet: “De taal die kinderen moeten leren is de ‘language of schooling’. Dat is onderwijstaal, de abstracte taal die we gebruiken om kennis te deconstrueren. In onze klassen wordt een repertoire van het Nederlands gebruikt om complexe, abstracte zaken te leren. In veel thuissituaties is dat een andere taal. Dat is geen achterstand die je in de klas moet bijspijkeren, maar een mismatch. Nogmaals, daarom spreken we beter niet van ‘taalzwakke’ kinderen.”

“Maar in sommige gezinnen is die ‘language of schooling’ niet of minder aanwezig. Daarom is wat in de kleuterschool gebeurt zo belangrijk. Als je met je kinderen thuis allerlei activiteiten doet, zoals samen soep maken, dan worden alle handelingen voortdurend verwoord: ‘Een beetje zout bij, een beetje meer, oei is het nu niet te veel, zullen we eens proeven, vind je het lekker?’ Dat is leren in context. De woorden, de zinnen worden dan opgeslagen samen met de beelden en de handelingen.”

“Maar het is veel makkelijker om als middenklassegezin mentale en feitelijke ruimte vrij te maken om dat soort dingen met je kinderen thuis te doen. Als je elke dag moet nadenken of er wel boterhammen op tafel zullen komen, dan heb je die ruimte niet altijd. Daar zit de compenserende en emancipatorische taak van onderwijs.”

Marlies Algoet: “En we gaan meteen voor denktaal. Bijvoorbeeld: ‘We maken samen een ruimteschip voor een personage uit een boek dat moet ontsnappen van de maan’. De juf benoemt natuurlijk alle onderdelen, maar – belangrijker – ze verwoordt ook alles wat zij en de kleuters doen. Ze zegt niet zelf wat de volgende stappen zijn, maar vraagt dat aan de kleuters. Ze daagt de kleuters uit door hen problemen voor te schotelen: ‘O nee, de kleefband is op. Hoe moeten we nu de deur van ons ruimteschip vastkleven?’ Die taal doet denken en is nuttig. En de kleuters leren problemen oplossen.”

Hoe kunnen we daarin thuistaal beter benutten?

Piet Van Avermaet: “Veel leraren zitten met een diepgewortelde overtuiging dat de thuistaal toelaten op school ten koste gaat van het leren van Nederlands. Keiharde onderzoeksdata tonen aan dat dat niet zo is. De uitdaging zit in het overstijgen van die schijnbare tegenstelling. Dat begint met leuke meertalige activiteiten in de klas. Die bevorderen het welbevinden en de identiteitsontwikkeling van een kind.”

“Maar we moeten een stap verder durven gaan. Hoe kunnen we in de klas momenten benutten waarbij meertaligheid als hefboom wordt ingezet om Nederlands te leren, maar ook voor het leren tout court? Dat zit in zeer simpele zaken. Je ziet dat een kind een spelletje niet snapt en je vraagt: ‘Leg jij dat spelletje eens uit aan Emrin en je mag het in het Turks doen.’ Maar hoe weet je dat hij dat goed heeft uitgelegd? Vraag dan: ‘Vertel mij eens, hoe heb je dat uitgelegd?’ Dat is een sterk leermoment. En als het kind dat niet goed heeft uitgelegd, kan je aanvullen of bijsturen. Zo heb je de thuistaal gebruikt om het leerproces te versterken.”

 


Marlies Algoet doceert aan de lerarenopleiding Odisee Brussel en schreef het boek Maximaal Megataal. Prof. Piet Van Avermaet is directeur van het Steunpunt Diversiteit & Leren, vakgroep taalkunde en doceert ‘multiculturalisme studies’, ‘meertaligheid in onderwijs’ en ‘taalbeleid’ aan de Universiteit Gent.

 

logo Kleine kinderen grote kansen

Het project ‘Kleine Kinderen Grote Kansen’ wil kinderarmoede en sociale ongelijkheid in Vlaanderen helpen aanpakken. In dat kader zetten alle lerarenopleidingen kleuteronderwijs in op kwaliteitsvolle interacties in de klas. Hoe creëer je een krachtige leeromgeving die de ontwikkeling van taal, denken en relaties in de klas stimuleert? Meer info op www.grotekansen.be

Het beste van Klasse in je mailbox?

  • Al 51.000 leraren zijn abonnee
  • 1 keer per week en helemaal gratis
  • Verhalen van collega’s, concrete praktijktips, exclusieve wedstrijden ...