Gepubliceerd op
Specialist

“Evaluatie is een van de moeilijkste taken van een leraar”

“Ik heb tonnen respect voor leraren. Er komt veel op hen af en ze werken keihard. Maar ze vergeten te meten wat het effect is van al die inspanningen. Het moet efficiënter”, zegt Lieven Viaene, hoofd van de inspectie.

Lieven Viaene, hoofd van de inspectie

Evaluatie is een terugkerend pijnpunt in de Onderwijsspiegel, het jaarverslag van de inspectie. Hoe komt dat?

Lieven Viaene: “Als het over evaluatie gaat, denk ik vaak terug aan mijn tijd als wiskundeleraar. Ik stelde mijn examen op, verbeterde en gaf punten in. Nadien verdween alles in een grote doos. Niemand stelde nog een vraag over mijn examen. Ik bepaalde op de klassenraad wie een herexamen kreeg, wie een C-attest. Omdat wiskunde een belangrijk vak was, volgden collega’s mij. Toen al flitste door mijn hoofd: ‘Straf dat ik dat zomaar kan. Ik hoop maar dat mijn examen goed was.”
 
“Het toont hoe fragiel ons evaluatiesysteem is. Het is een van de moeilijkste taken van leraren. Didactiek is al geen eenvoudige zaak, evaluatie is daarvan het sluitstuk.”
 

Is de kwaliteit van de evaluatie te veel afhankelijk van individuele leraren?

Lieven Viaene: “Vaak wel. Een leraar taal is weg van een schrijver. Hij steekt er veel lestijd in, inspireert zijn leerlingen en baseert er een groot stuk van zijn evaluatie op. Dat kan fantastisch zijn, maar je moet ook naar de impact kijken. Hoe beïnvloedt dat de deliberatie of het vervolgonderwijs? Het is een risico als 1 persoon de hele evaluatie bepaalt. Kwaliteit begint met leraren die hun evaluaties delen en vooral afspraken maken. Daar is nog veel werk.”
 

Moeten alle leerlingen dan exact dezelfde evaluaties krijgen?

Lieven Viaene: “Dat hoeft zeker niet. Scholen kunnen leraren gerust een stuk autonomie geven. Collega’s moeten wel goed van elkaar weten wat ze waarom evalueren. Goede afspraken zijn belangrijk. Als de school kan aantonen dat die werken, is dat voor ons prima.”
 
“Evaluatie dient in de eerste plaats om leerlingen te laten leren. Het geeft je de kans om je onderwijspraktijk af te stemmen op de beginsituatie, de noden en de specifieke context van de leerlingen. Dankzij formatieve evaluatie kan je krachtige feedback geven. Hoe ze dat aanpakken, met punten, woordelijk of een combinatie, daar zijn scholen vrij in. Maar we merken dat het niveau van de feedback vaak ondermaats is, zeker in het secundair onderwijs.”
 


Evaluatie dient in de eerste plaats om leerlingen te laten leren.

Wat is er mis mee?

Lieven Viaene: “De feedback is vaak onvoldoende ontwikkelingsgericht. Leerlingen moeten ermee aan de slag kunnen. Of ze is niet genoeg afgestemd op de doelen en hoe leerlingen die kunnen halen. In het bso gaat de feedback bijvoorbeeld vaak over inzet en motivatie. Voor Frans krijgen leerlingen opvallend meer feedback over kennis dan over de vaardigheden.”
 

Op welke andere vlakken schiet evaluatie tekort?

Lieven Viaene: “Evalueren dient ook om te oriënteren. Als de evaluatiepraktijk niet goed zit, kan de klassenraad geen gefundeerde beslissingen nemen. Dan stromen leerlingen niet door naar de ideale studierichtingen binnen of buiten de school.”
 
“Je moet daarom betrouwbaar, valide en transparant evalueren. Dat begint bij meten wat je moet meten. Maar leerplannen en eindtermen zijn niet altijd het lievelingsmateriaal van leraren. We stellen vaak vast dat scholen voor bepaalde doelstellingen geen informatie verzamelen of dat ze zaken testen die helemaal niet gevraagd worden van leerlingen.”
 
“Of topics komen wel aan bod, maar niet op het juiste beheersingsniveau. Kennis wordt bijvoorbeeld puur op een reproductieve manier geëvalueerd. Dat mag, maar je moet ook aantonen dat leerlingen die kennis op een goede manier verwerken. Omgekeerd zijn er leraren die een te hoog beheersingsniveau verwachten.”
 

Mogen leraren alleen evalueren wat beschreven staat in eindtermen en leerplannen?

Lieven Viaene: “Dat is een groot misverstand. De school mag de lat hoog leggen. Als ze de leerlingen helpt om die te nemen en hen zo hoger laat springen, perfect. Maar soms is het beheersingsniveau zo hoog dat leerlingen de lat niet kunnen halen en uitstromen. Als blijkt dat zij wel in staat zijn om het niveau te halen dat de overheid oplegt, spreken we de school daarop aan.”
 

Is het niet moeilijk om op basis van de eindtermen en leerplannen in te schatten wat je precies op welke manier moet evalueren?

Lieven Viaene: “In het verleden was de interpretatieruimte soms wel groot. De nieuwe eindtermen en leerplannen zijn een stuk concreter en bieden meer houvast. Maar tussen het leerplan en de leraar zit vaak een handboek. Uit onderzoek blijkt dat sommige handboeken niet alle doelen realiseren. Onderdelen komen niet aan bod, ze vatten de essentie niet of leraren laten de moeilijkere toepassingen weg en werken te weinig leerplangericht.”
 

Is het geen taak voor de inspectie om daar controle op uit te oefenen?

Lieven Viaene: “Dat is een moeilijke kwestie. Directeurs vragen ons soms waarom we geen stempel zetten op handboeken: ‘Goedgekeurd door de inspectie’. Maar hoe doe je dat, los van de werking van de school? Hoe gebruiken leraren zo’n handboek? We willen geen keurslijf opleggen. Maar leraren mogen er niet zomaar van uitgaan dat een handboek goed materiaal biedt.”

Lieven Viaene, hoofd van de inspectie

“We zien soms toestanden waarbij leraren bij elke examenvraag moeten aangeven welke doelstelling getest wordt. Dat vragen wij absoluut niet.”

Transparantie blijkt ook een pijnpunt bij het evalueren. Hoe toon je dat je alle doelstellingen bereikt?

Lieven Viaene: “Ik gruwel van het idee dat wij een afvinkinspectie zouden zijn. We zien soms toestanden waarbij leraren bij elke examenvraag moeten aangeven welke doelstelling getest wordt. Dat vragen wij absoluut niet. Onze inspecteurs gaan na of leraren bewust met hun doelen omgaan door met hen te praten. Ze kijken in notities van leerlingen en in evaluaties. Als we hiaten opmerken, vragen we daarnaar.”
 
“Maar transparantie is in de eerste plaats voor de leerlingen belangrijk. We horen vaak dat die niet weten waar een score van 64% vandaan komt. Expliciteer daarom je lesdoelen. Als die transparant zijn, beantwoordt de evaluatie daar normaal ook aan.”
 

Gaat transparantie niet verloren door alles in een grote pot met punten te gooien?

Lieven Viaene: “Punten of geen punten is voor ons niet de kern van de discussie. Het debat daarover maakt misschien wel duidelijk dat er iets hapert aan het systeem. Je kan de grootste stommiteiten doen door je blind te staren op wat eenvoudig meetbaar is.”

“Punten hebben het voordeel dat ze eenvoudig inschalen waar een leerling staat. Zijn ze noodzakelijk? Dat denk ik niet. Wij werken bij een doorlichting ook niet met punten, maar met een 4-puntenschaal per criterium: beneden de verwachting – benadert de verwachting – volgens de verwachting – overstijgt de verwachting. Mensen die daar gemiddelden of scores van maken zijn verkeerd bezig.”
 

Zegt die 64% niet vooral dat iemand eigenlijk veel doelstellingen niet gehaald heeft?

Lieven Viaene: “Als je met 64% kan slagen zonder cruciale doelstellingen te halen, is er iets mis. Maar je hoeft daarom cijfers niet overboord te gooien. Als je een grens trekt van 50% om te slagen, moet dat wel betekenen dat de basisdoelstellingen gehaald zijn en de leerling voldoende gewapend is voor het volgende jaar.”
 
“Maar cijfers mogen geen fetisj zijn. De klassenraad moet over een geheel van betrouwbare gegevens beschikken om een goede beslissing te nemen.”
 


Een van de belangrijkste vragen die een school zich moet stellen is of ze leerwinst boekt.

Hoe investeer je als leraar in de kwaliteit van je evaluatie?

Lieven Viaene: “De klasdeuren moeten veel meer open. Afspraken maken binnen de school is goed, binnen de scholengemeenschap is beter. Vakgroepen die al jaren samenwerken worden soms organisatieblind. Externe ogen leggen zwaktes bloot.”

“De evolutie naar lerende netwerken van leraren is fantastisch. Het geeft moed. Collega’s zien bij elkaar dat goed evalueren mogelijk is met de juiste methodieken en instrumenten. Je hoeft het warme water niet altijd zelf uit te vinden.”
 
“Daarnaast zou elke leraar en elk team een soort onderzoekscultuur moeten hebben. Wat willen we bereiken, wat doen we daarvoor en wat is het effect? Door de veelheid aan opdrachten voor scholen vergeten ze dat na te gaan. Dat is in Vlaanderen een pijnpunt. Leraren werken keihard en zijn constant bezig, maar ze meten niet wat die inspanningen opleveren.”
 

Kan het schoolbeleid daarbij helpen?

Lieven Viaene: “Dat is essentieel. Een van de belangrijkste vragen die een school zich moet stellen is of ze leerwinst boekt. Als je van taalgericht onderwijs een speerpunt maakt, moet je in de eerste plaats weten of je leerlingen taalvaardiger worden. Maar dat is een stuk moeilijker te evalueren dan de activiteiten zelf.”
 
“Scholen evalueren nieuwe activiteiten of didactische praktijken vanuit de vraag of alles vlot verloopt en of de jongeren gemotiveerd zijn. Maar veel belangrijker is wat leerlingen eruit leren. Dat evalueren we veel te weinig. Slechts een derde van de scholen brengt de eigen kwaliteitsontwikkeling systematisch in kaart.”
 
“Op het einde van het zesde leerjaar moeten scholen gevalideerde toetsen afnemen. De resultaten gaan alleen naar de school. Toch doen veel scholen er niets mee. Het leidt niet tot aanpassingen aan de onderwijspraktijk. Je kan daar nochtans veel uit leren over waar werkpunten liggen.”
 

Moeten scholen meer van die gestandaardiseerde testen afnemen?

Lieven Viaene: “Die gevalideerde toetsen in de basisschool zijn zeker een stap vooruit. Voor het secundair is het aanbod beperkt, maar de paralleltoetsen worden sterk onderbenut. Daarmee meet je op een valide en betrouwbare manier hoe goed je leerlingen de eindtermen of ontwikkelingsdoelen halen. Als je die regelmatig afneemt, kom je evoluties op het spoor binnen je populatie en kan je vergelijken met de resultaten van de peilingsproeven voor Vlaanderen.”
 
“Of scholen werken met gevalideerde toetsen of kwalitatieve testen die ze zelf maken, doet er niet zoveel toe. Belangrijk is dat er vergelijkingsmateriaal is over de jaren heen, dat scholen in kaart brengen in welke mate ze hun doelen halen en of er acties nodig zijn.”
 

Kunnen scholen ook andere data verzamelen?

Lieven Viaene: “Er is heel veel mogelijk. We geven scholen bij een doorlichting een schoolrapport mee waarbij we data trekken uit de databank van het departement. Zo kan je je school benchmarken tegenover andere scholen. Hoe zit het met je attestering, zittenblijven, de doorstroom binnen de school, het succes in het vervolgonderwijs…? Je krijgt objectieve gegevens. Een goede analyse levert bijzonder waardevolle informatie op.”
 
“Een lagere school kan contact opnemen met de vervolgscholen secundair. Als blijkt dat hun leerlingen op al die scholen problemen hebben met Frans, dan moet ze zich vragen stellen. Net zo kan een secundaire school contact zoeken met het hoger onderwijs.”
 
“Je kan ook kwalitatieve data verzamelen door leerlingen te bevragen. Hoe ervaren zij het onderwijs? Wat is te moeilijk? Waar missen ze ondersteuning? Waar vervelen ze zich? Als je leerlingen ernstig neemt, schatten ze die zaken heel goed in. Uiteindelijk willen ze allemaal bijleren. Er heerst nog altijd schroom bij leraren om zich te laten evalueren door leerlingen. Maar wie het doet, vindt het meestal fantastisch.”
 
“Ook ouders kunnen je veel leren. We voeren daarom gesprekken met leerlingen én ouders. We vertrouwen de school dat ze de juiste mensen naar voren schuift en niet per se de mooipraters. Luister naar iedereen en je krijgt waardevolle info.”
 


Wij zijn veel meer dan een slagboom.
We zijn een hefboom

Is dat de nieuwe filosofie van de Inspectie 2.0?

Lieven Viaene: “Wij zijn veel meer dan een slagboom. We zijn een hefboom. Puur vaststellen en rapporteren is te beperkt. We gaan voor ‘kwaliteit in dialoog’. Daarom luisteren we naar het verhaal van de school door te praten met de leraren, vakgroepen, directeur, leerlingen en ouders.”
 
“We brengen niet louter sterke en zwakke punten van de school in kaart. We inspireren ook vanuit onze expertise. Inspecteurs komen in alle scholen, van alle netten, van de meest sterke tot de meest zwakke. Onze mensen hebben de bagage om scholen perspectief te bieden.”
 

Je spreekt met veel vertrouwen over de nieuwe manier van doorlichten. Zal evaluatie bij de volgende Onderwijsspiegels stilaan verdwijnen als pijnpunt?

Lieven Viaene: “We brengen in elk geval alles veel verfijnder in kaart dan voorheen. Daardoor kunnen scholen gericht heel wat knelpunten bijwerken en versterken wat goed is. Een betere evaluatie is een hulpmiddel om efficiënter te werken. Leraren moeten echt niet nog harder werken, maar het kan wel efficiënter.”

Het beste van Klasse in je mailbox?

  • Al 51.000 leraren zijn abonnee
  • 1 keer per week en helemaal gratis
  • Verhalen van collega’s, concrete praktijktips, exclusieve wedstrijden ...