Gepubliceerd op
Schooltips

Differentiëren: doe het 7 keer beter

Veel scholen maken van differentiatie een speerpunt. Maar doen ze het altijd even goed? Klasse schotelt expert Wouter Smets (Karel de Grote Hogeschool in Antwerpen) 7 concrete aanpakken van scholen voor. Hoe evalueert hij die?

Wouter Smets (Karel de Grote Hogeschool in Antwerpen) evalueert 7 concrete aanpakken van differentiëren.

     

  1. Een klas wordt voor een volledig jaar ingedeeld in niveaugroepen.

  2. Wouter Smets: “Een leerling een volledig schooljaar in een niveaugroep plaatsen, beïnvloedt hoe jij naar het kind kijkt én hoe het zichzelf ziet. Alleen je topleerlingen gaan extra in zichzelf geloven en beter presteren als je ze samen plaatst. Voor alle andere leerlingen riskeer je het tegengestelde.”

    “Leerlingen accepteren niet altijd de groepsindeling. Soms vinden ze dat ze te hoog ingeschat zijn, soms te laag. Leerlingen groeien ook. Zorg ervoor dat ze tijdens het schooljaar kunnen overstappen tussen leergroepen. En besef dat de competenties die je voor een vak vraagt variëren tijdens het schooljaar. Een toets wiskunde in oktober kan over machten gaan, maar in februari verwacht je heel andere kennis en vaardigheden bij veeltermen of metend rekenen. Het is gevaarlijk om een leerling te laten geloven dat hij niet goed is in wiskunde, terwijl hij slechts bepaalde facetten minder goed beheerst.”

    “Laat daarom je leerling ook zichzelf inschatten: ‘Heb ik vandaag een miniklas nodig met veel instructie of kan ik zelfstandig aan het werk?’ Zeker als je als leraar secundair meer dan 100 leerlingen hebt. Je kan ze niet allemaal perfect kennen, maar wel helpen om zichzelf beter te kennen.”


  3. Een sterke leerling krijgt uitbreidingsoefeningen, maar werkt nog niet goed zelfstandig.

  4. Wouter Smets: “Leraren differentiëren vooral op leerstatus. Minder op zelfredzaamheid of motivatie. Ten onrechte: maak eens groepjes leerlingen die zich goed en minder goed kunnen organiseren. Of laat leerlingen die goed voorbereid zijn zelfstandig werken en verzamel de andere in een miniklas.”

    Cluster zelfs af en toe op attitude. Dan krijg je een interessante dynamiek. ‘Wie de vorige les aan het spelen was, werkt vandaag niet alleen of in groep’. Geen echte straf, maar je maakt duidelijk dat iedereen zich hard moet inzetten, in elke les. Extra voordeel: groeien in een attitude lukt vaak sneller dan in een leerstatus. Die progressie moet je wel altijd meerekenen en tussentijds evalueren. Zo verhoog je de slaagkansen van elke vorm van differentiatie. Alleen dan kan je snel genoeg ingrijpen en leerlingen opnieuw indelen.”


  5. Een ex-OKAN-leerling zit voor individuele taaltaken bijna voltijds buiten de klas.

  6. Wouter Smets: “Als je een leerling wil socialiseren en via gesprekken met moedertaalsprekers een nieuwe taal laten verwerven, dan zijn zelfstandige taken niet de beste strategie. Hem af toe buiten de klas een andere taaltaak voorschotelen, omdat het taalniveau te hoog ligt en hij anders tijdens die les afhaakt, kan natuurlijk wel zinvol zijn. Check daarom altijd je belangrijkste leerdoel. Spreekvaardigheid opkrikken? Dat lukt niet als je je voortdurend in stilte boven werkbladen moet buigen.”


  7. Sterke leerlingen gaan uit de klas, maken oefeningen en krijgen een verbetersleutel.

  8. Wouter Smets: “Verbetersleutels zijn pas goede instrumenten als leerlingen de juiste metacognitieve vaardigheden hebben. Ik observeerde leraren wiskunde die verbetersleutels gebruikten. Achteraf stelden ze: ‘Als we de oefeningen niet klassikaal overlopen, blijft de helft van de fouten staan.’ Zeker leerlingen die onvoldoende nauwkeurig en zelfkritisch zijn, hebben meer feedbackmomenten nodig. Veel feedback tussendoor en achteraf versterkt sowieso het leerproces bij alle leerlingen. Zet daarom de leerlingen uit de miniklas even zelfstandig aan het werk in je lokaal en geef de leerlingen die uitbreidingsoefeningen kregen, ook wat aandacht.”


  9. Een sterke leerling krijgt uitdaging buiten de klas. Maar verliest zijn motivatie. ‘Waarom moet ik altijd meer oefeningen maken?’

  10. Wouter Smets: “Maak duidelijk dat ook sterke leerlingen hun tanden moeten leren stukbijten op oefeningen. En leren accepteren dat ze soms falen. Daarvoor moeten ze niet per se de klas uit. Het is niet omdat kinderen hoogbegaafd zijn dat ze graag individueel werken. Geef ze uitgebreid uitleg en moeilijkere instructie in de klas, daar houden ze van.”

    “Valideer altijd hun inspanningen. Anders zeggen leerlingen na een tijdje foert tegen extra oefeningen: de leraar doet er toch niets mee. De uitbreidingsoefeningen meetellen in de eindafrekening is niet altijd makkelijk: hun 8 op 10 is niet identiek aan de 8 van een klasgenoot die alleen de minimumdoelen of leerplandoelen moest halen. Wat je kan doen: honoreer in je rapportcommentaren de extra inspanningen. ‘Mila, je gaat los over de eindterm. Je kan dubbel zoveel als wat ik op jouw leeftijd verwacht’. L.O.-leraren zijn daar keien in. Van een leerling die na de uren competitief turnt vragen ze aan de rekstok meer dan van zijn klasgenoten.”


  11. Een leerling verdwijnt vaak uit de klas voor uitbreiding of remediëring. Hij mist de klasgroep.

  12. Wouter Smets: “Differentiëren doe je voor de meeste leerlingen beter in je klas. Belangrijkste reden om sommige leerlingen toch buiten te zetten: te veel prikkels. Als je een lange instructie geeft aan een middengroep, kunnen de andere leerlingen rustiger werken in de gang, een ander lokaal of leercentrum. Koptelefoons lossen dat ook op. Voordeel van differentiatie binnen de klas: je speelt korter op de bal. Je ziet meteen wie aan het werk is en wie speelt. De studiemeester ziet dat in een overvolle refter niet.”

    “Je kan ook differentiëren door tutors aan te duiden. Dan maken alle leerlingen eerst dezelfde oefeningen, maar trekken je sterke leerlingen hun klasgenoten in gang. Daarna zet je ze aan het werk met moeilijkere opdrachten. Door te differentiëren binnen je klaslokaal normaliseer je verschillen. Je maakt duidelijk dat het geen drama is dat de ene leerling meer kan, of de oefening sneller of met meer hulpmiddelen oplost dan zijn klasgenoten.”


  13. Leerstof die ik vroeger klassikaal aan de hele groep gaf, gebruik ik nu om te differentiëren naar de sterke leerlingen.

  14. Wouter Smets: “Goed idee. Toen ik in het vierde secundair lesgaf en over Rubens begon, zuchtte de helft van de klas: djeezes, oude schilderkunst!’ Dus twijfelde ik: moet ik niet voor toegankelijker barokkunst kiezen, via gebouwen? Rubens stond niet in het leerplan, dus schrapte ik hem uit mijn cursus. Later schreef ik hem er toch opnieuw in. Als uitbreiding voor leerlingen die wél voor hem open stonden. Rubens werd plots een toples. Differentiëren is dus niet de lat lager leggen voor zwakkere leerlingen.”

    “Sommige leraren zitten in een rouwproces: lessen van 20 twintig jaar geleden gaan er op de klassieke manier niet meer in. Maar als je ze presenteert als differentiatie naar boven, lukt het wel. Je kan ook marchanderen, zo veel mogelijk leerlingen meekrijgen: ‘Kamiel, volgens mij is Rubens wel iets voor jou.’”

     

In 4 weken naar beter klasmanagement?

Schrijf je in voor de gratis online tipreeks en krijg in je mailbox:

  • inspirerende praktijken van collega's
  • strategieën om te proberen bij jouw leerlingen
  • kant-en-klare tools