Specialist Dit artikel behoort tot de reeks Differentiëren Gepubliceerd op

8 mythes over differentiëren

12 reacties

Log in om te bewaren.

Delen

“Een klas vol identieke leerlingen bestaat niet. Elke leerling is anders”, zegt Katrien Struyven (VUB). “Differentiëren is niet altijd makkelijk, maar het kan in alle klassen. En de Vlaamse leraar doet dat al.” Struyven ontkracht 8 mythes over differentiëren.

close up van Prof. dr. Katrien Struyven

Prof. dr. Katrien Struyven is onderwijskundig pedagoog en als universitair docent verbonden aan de Vakgroep Educatiewetenschappen (Vrije Universiteit Brussel).

“Differentiëren? Ik kan dat niet!” – 8 mythes

  1. Differentiëren moet alleen voor de sterkste en zwakste leerlingen

    “Je biedt elke leerling de beste kansen aan om te leren. Je differentieert dus voor álle leerlingen. Spreek trouwens niet over sterke of zwakke leerlingen, of over het niveau van je leerlingen. Kijk naar hun ‘leerstatus’.

    Waar een leerling staat in zijn leerproces is per definitie een momentopname. Die leerstatus kan veranderen. Afhankelijk van de leraar of de leerinhouden vindt een leerling wiskunde het ene jaar erg boeiend, en het andere jaar moeilijk.”

  2. Af en toe differentiëren is meer dan genoeg

    “Als je goed wil lesgeven, kan je niet anders dan differentiëren. Speel in op de interesses van je leerlingen, weet waar ze mee bezig zijn, dan zijn ze meer gemotiveerd om te leren.

    Elke leerling leert op zijn eigen, unieke manier. Als ze het moeilijk hebben in de lessen, kijk dan of je methodiek wel past bij de manier waarop zij goed, graag, efficiënt leren. En pas aan waar nodig.”

  3. Alleen slimme leerlingen maken veel vooruitgang

    “Elke leerling kan groeien en zich ontwikkelen. Een leerling boekt vooral leersuccessen omdat hij zich wil inspannen en engageren. Intelligentie is minder doorslaggevend.

    Het enige wat je als leraar 100 procent zeker weet als je iets hebt uitgelegd is: ik heb het gezegd. Maar je weet niet of je leerlingen het begrepen hebben. Toets dus continu af of je leerlingen mee zijn, wat ze met de kennis doen, welke ideeën of misvattingen ze meenemen.”

  4. Wie differentieert, moet iedere leerling individueel begeleiden

    “Binnenklasdifferentiatie zet in op ‘routes op maat’ van leerlingen. Dat betekent niet dat je leerlingen individueel lesgeeft, je blijft werken met een klasgroep.

    Het wil wel zeggen dat je extra hulp of ondersteunende materialen aanbiedt. Dat je varieert in taken en didactische werkvormen. En dat je leerlingen inspraak en keuzevrijheid krijgen over die taken. Maar iedereen in de klas werkt wel aan dezelfde doelstelling: start together, finish together.”

  5. Als je differentieert, werken je leerlingen steeds in groep

    “Verdeel je klas niet steeds in dezelfde groepen. En zeker niet altijd vanuit leerstatus, anders worden de verschillen te zichtbaar en stigmatiserend: ‘Die oefening is voor de slimmeriken’, hoor je dan.

    Zet de leerlingen ook samen volgens interesse of leerprofiel. Want als je je klas indeelt in bijvoorbeeld 3 niveaugroepen, met andere thema’s en oefeningen, zal je snel merken dat je niet 1 grote klas, maar 3 miniklasjes hebt gecreëerd. Groepeer dus flexibel en wissel vaak af tussen individueel, zelfstandig werk, duo, trio.”

  6. Maatwerk is een synoniem voor extra werk

    “Maatwerk is vooral: creatief nadenken over je lessen. Als je differentieert, dan evalueer je in de eerste plaats voortdurend het leerproces van je leerlingen. Dat is evalueren om te leren.

    Opdrachten, toetsen, observaties dienen om informatie over het leerproces van je leerlingen te verzamelen. Met je feedback daarop werk je automatisch op maat. Gepersonaliseerde tips, suggesties en vragen die het werk beter helpen maken: feedback werkt als motor voor het leren.”

  7. Leerlingen krijgen verschillende toetsen. Dat is toch oneerlijk?

    “Ook bij evaluatie kan je differentiëren. In de les lichamelijke opvoeding zijn er toch ook verschillende criteria voor jongens en meisjes? Je kan evalueren of iedereen de basisdoelstellingen beheerst, maar ook of je leerlingen extra doelstellingen bereikt hebben. Zo ontdek je waar leerlingen sterk in zijn.

    Een eerlijke evaluatie betekent niet noodzakelijk dat iedereen dezelfde toets krijgt. Wel dat je iedereen dezelfde kansen geeft. Het is zelfs eerlijk om 2 opties aan te bieden: schriftelijk of mondeling, voor wie moeite heeft met lezen en schrijven, of het graag uitlegt.”

  8. Het leerplan is veel te zwaar om te differentiëren

    “Geen tijd om te differentiëren? Neem je handboek en schrap. Kijk naar wat je echt nodig hebt en naar wat bijkomstig is. Kijk naar wat je leerlingen echt moeten zien, omdat ze er het volgende jaar op verder bouwen. Sommige doelstellingen kan je ook via meerdere inhouden of vakken bereiken.

    Beslis dus wat je basisdoelstellingen zijn. Wat wil je dat ze hun leven lang meenemen? En hou steeds de zorg voor de leerling in het oog. Want als je leerlingen afhaken, moet je zoeken naar andere manieren om het leerproces bij die leerlingen op gang te krijgen en te houden.”