Verhaal Dit artikel behoort tot de reeks Waarom ik schooldirecteur ben Gepubliceerd op

Van leraar naar directeur … en terug

Reageer

Log in om te bewaren.

Delen

13 jaar was ze directeur van basisschool KLIM in Gent. Nu is Els Dekocker (57) co-teacher in het vierde leerjaar van diezelfde school. Is weer naar de klas voor haar een stap terug? “Integendeel, ik groei!”
 

De onderwijsloopbaan van Els start in de toenmalige ‘meisjesschool’. Ze staat er achtereenvolgens in het vijfde, het zesde, het tweede en het eerste. In 2003 wordt ze directeur van de naburige ‘jongensschool’ (niet veel later smelten beide scholen samen tot KLIM, nvdr). Na het onverwachte vertrek van haar voorganger-directeur, waren er niet meteen kandidaten om hem op te volgen. Ook Els was dat niet.

“Ik was altijd al geboeid door het grotere plaatje, las veel, volgde nascholingen … Maar dat was uit persoonlijke interesse, directeur worden was niet mijn ambitie. Iemand grapte in het Gents tegen me: ‘Toch nie mee al die venten in het team!’”.
 

Maar toen ze het je vroegen, zei je wel ‘ja’?

Els: “Omdat ik het fijn vind om af en toe iets te doen in mijn ‘zone van naaste ontwikkeling’, om het met een educatieve term te zeggen. Mijn aanvankelijke houding van ‘Ik zie wel’ veranderde gauw naar goesting om ideeën uit te voeren. Van de 2 scholen 1 maken bijvoorbeeld, samen met collega-directeur Lieven van de ‘meisjesschool’. Op die manier kon ik het pedagogische luik – zorg is mijn dada – voor mijn rekening nemen en kon hij meer de administratie behartigen. Bovendien stond ik er op die manier niet alleen voor en konden we elkaar aanvullen.”
 

Hoe snel wist je: dit doe ik niet tot aan mijn pensioen?

Els: “Onmiddellijk tijdens mijn sollicitatiegesprek met het schoolbestuur al. Toen heb ik meteen mijn visie gegeven op wat het voor mij betekende om directeur te zijn: een jaar of 10 het team trekken, en dan er weer in stappen, zodat iemand anders kan opstaan, die dezelfde doelen voor ogen houdt, maar andere accenten legt. De directeursstoel als mandaatfunctie dus. Dat vind ik een gezond principe. Net zoals ook een leraar om de zoveel jaar zou moeten kunnen veranderen van klas.”

directeur Els Decocker met leerlingen

Els Dekocker ruilde haar directeursbureau weer in voor de klas: “De leerlingen waren altijd in mijn ooghoeken blijven glinsteren.”

Wat voor directeur was je?

Els: “Zeker niet het autoritaire type, maar ik had wel hoge verwachtingen van mijn team, dat gelukkig van bij het begin open stond voor vernieuwing. Daardoor heb ik bijvoorbeeld een grote zorg-stempel kunnen drukken op de school. Ik ben ook iemand die vertrouwen geeft. Dat krijg je terug. Zo verkreeg ik dat leraren de deur van hun klas open gooiden.”

“Verder was ik het soort directeur dat zich vereenzelvigt met zijn school. Waardoor ik af en toe wel eens gekwetst raakte. Bijvoorbeeld bij moeilijke oudergesprekken. Ach, gaandeweg leer je wel dat je af en toe je harnas moet aantrekken als je passievol bent zoals ik.”
 

Wanneer voelde je dat het moment was gekomen om weer te gaan lesgeven?

Els: “De leerlingen waren altijd blijven glinsteren in mijn ooghoeken. Maar zeker toen ik, met de nieuwe leerplannen en de groei van onze school, weer een ‘vernieuwingswind’ voelde waaien, wist ik: als ik dit ook nog zelf opstart, ga ik het niet meer kunnen lossen. Daarvoor ben ik te betrokken. Ik wilde die wind liever voelen in de klas.

Daarnaast had ik steeds meer de drang om de theorieën waar ik mensen voor warm maakte, zelf uit te voeren, bijvoorbeeld co-teaching. Toen ook de uitstapleeftijd verhoogde, had ik plots enkele jaren meer voor de boeg en was het zeker ‘de moeite’ om de switch naar de klas te maken.”
 

Het was geen impulsieve beslissing na een moeilijk moment?

Els: “Ik ben niet gestopt als directeur vanuit het gevoel dat het ‘op’ was. Integendeel, ik ben enthousiast gebleven tot de laatste dag. Tussen het moment dat ik daar over begon na te denken en de effectieve stap, zit wel een dik jaar. Ik wilde zeker weten of het inderdaad geen ‘bevlieging’ was. Ik praatte er eerst thuis over, waar ze achter mijn keuze stonden. Ook de pedagogische begeleiding gaf me het nodige duwtje, omdat ze voelde dat het vanuit een enorme honger was. Al blijft het natuurlijk ‘je kindje’ loslaten.”
 

Hoe waren de reacties op school toen je het nieuws aankondigde?

Els: “Emotioneel. Ik heb het eerst aan mijn collega-directeur Lieven verteld. Hij gaf me een prachtig inzicht via een kaartje: ‘Weggaan kan ook een geschenk zijn’, stond erop. We hebben een team van meer dan 50 mensen, iedereen heeft zijn plaats in die machine. Maar zet 1 iemand op een andere plek, en veel posities veranderen. Dat geeft ook kansen aan anderen om op te staan en te groeien. Dat vond ik belangrijk. Zonder Lieven als ‘rustige vastheid’ had ik me wel nooit de vrijheid gepermitteerd om te stoppen. Dan had ik me te verantwoordelijk gevoeld voor het schip.”
 

Kreeg je ook kritiek op je beslissing?

Els: “Vrienden en familie weten dat ik dit uit passie doe, maar mensen die mij niet goed kennen, zien het soms als een degradatie. Terwijl het gewoon een andere plaats in het verhaal is. Je hoort zo vaak zeggen: ‘de leraar maakt het verschil’, dan moet je daar toch veel bewondering voor hebben? In de klas, dáár gebeurt het, niet in het bureau van de directeur.”

“Financieel is er een aanzienlijk verschil, ja, ook voor mijn pensioen. Ik heb dat niet laten meespelen in mijn beslissing. We moeten eigenlijk naar een systeem waarin mensen zo veel mogelijk kunnen bewegen en groeien, zonder dat dit meteen zware repercussies heeft.”

portret Els Decocker

Els Dekocker: “Ik voel me eigenlijk 10 keer meer leraar dan directeur.”

Waren er valkuilen aan je terugkeer?

Els: “Ik wou uitdrukkelijk lesgeven in mijn eigen school. Ik wist dat dat niet simpel zou worden, maar het schoolbestuur stemde toe. Ik nam me voor om low profile te blijven. Dat is geen opoffering: ik geniet van mijn positie als observator. Ik moest die ruimte ook laten aan mijn opvolger, zodat hij die kon vullen. Ik wou niet zijn schoonmoeder zijn. Al kan hij wel bij me terecht, want ik herken dingen: hoe lastig het bijvoorbeeld kan zijn om op donderdagavond op een personeelsvergadering het team nog mee te krijgen.”

“Ik zeg wel eens iets positiefs tegen hem, maar ik behoed mij ervoor om beoordelend of betweterig over te komen, ook naar collega’s toe. Ik ben hier immers heus niet de enige met een visie.”
 

Was je na 13 jaar niet vervreemd van de klaspraktijk?

Els: “Ik keerde niet terug naar het soort onderwijs dat ik destijds verlaten had. Maar ik had wel alle vernieuwingen, weliswaar op beleidsniveau, op de voet gevolgd en getrokken. Ik wist ook dat ik nog kon lesgeven – ik deed geregeld een vervanging – al had ik schrik dat ik me niet meer zou kunnen inleven in de leefwereld van de leerlingen.”

“Maar afgezien van de eersteschooldagkriebels, viel de praktijkschok wel mee. Enkel dat co-teachen, daarvan vroeg ik me in het begin af: ga ik dat kunnen? Het vergt in elk geval veel meer werk en overleg. Daarom pleit ik voor een systeem met meer kindvrije lestijden. Maar dan ben ik weer beleidsmatig aan het denken (lacht).”
 

Zie je parallellen tussen het soort leraar dat je bent en het soort directeur dat je was?

Els: “Ik wil met elk kind een persoonlijke, positieve band: ‘ik heb werkpunten, maar de juf heeft die ook’. Zo stond ik ook als directeur in mijn team, als directeur met werkpunten. Als een voorlever ook, een teamspeler, iemand die vertrouwen geeft, iemand die de school als organisatie wil laten groeien. Maar volwassenen aansturen is toch wat anders dan een groep leerlingen.”

“Ik voel me eigenlijk 10 keer meer leraar dan directeur. Ik heb zo veel deugd van de feedback van de kinderen, die ik beschouw als volwaardige mensen. We leven intens samen in een grote groep, de hele dag door. Als directeur is dat niet zo met je team.”
 

Zijn er dingen die je mist uit je ‘directeursleven’?

Els: “Voldoende intellectuele uitdaging, daar heb ik nog altijd behoefte aan. Ik lees dus veel – ook over dingen die verder van mijn onderwijsbed staan. Dat deed ik als directeur ’s avonds thuis ook al. Maar er komt automatisch minder info naar je toe, je moet meer zelf op zoek. Anderzijds was ik vroeger dag en nacht directeur, een workaholic. Als leraar heb ik een iets rustiger leven, ik kan me nu permitteren af en toe ‘een kelk aan mij voorbij te laten gaan’, ik hoef niet meer alle problemen op te lossen, en moet alleen denken aan mijn eigen draagkracht.”

Dit artikel heeft als onderwerp Dit artikel is interessant voor een