Gepubliceerd op
Specialist

“Zoek het probleem achter het etiket”

ADHD, dyslexie, dyscalculie, ASS … Het wordt in de klas bijna zoeken naar een kind zonder label. “Nochtans is zo’n etiket niet altijd zinvol,” zegt professor psychoanalyse Stijn Vanheule (UGent).
 

Prof. Stijn Vanheule: “Het is positief dat we leerproblemen sneller opsporen en dat die kinderen met extra zorg in het gewone onderwijs kunnen blijven. Maar we plakken té snel labels op kinderen bij wie dat niet echt nodig is.”

“We hebben een duidelijk beeld van de ideale leerling. Die is rustig, aandachtig en werkt mee. Past een leerling niet in dat plaatje en stoort hij de lessen, dan krijgt hij snel het label ADHD. Maar de inhoud van die diagnose is niet meer dan het tegenovergestelde van het ideaalbeeld.”
 
 
(Schuif over de afbeelding hieronder. Ze toont hoe je problemen kan omdenken in handelingsgericht denken.)

 

Er is in psychiatrische kringen wel wat kritiek op diagnoses als ADHD of hoogsensitiviteit. Is die terecht?

Prof. Vanheule: “Het bedrieglijke aan die diagnoses is dat ze de problemen individualiseren. Natuurlijk speelt het karakter of de persoonlijkheid van een kind een rol. Maar culturele factoren, zoals de klascontext van vandaag of de verwachtingen naar leerlingen zijn minstens even belangrijk. Als je alle aandacht verschuift naar het kind, lijkt het alsof dat geen rol speelt.”

“Voor ADHD geldt hetzelfde als voor de meeste psychiatrische symptomen. Leken zien die vaak als een oorzaak. ‘Het kind heeft een hersenprobleem en dat veroorzaakt concentratieproblemen.’ Maar die verklaring is niet wetenschappelijk onderbouwd. Psychiatrische diagnoses zijn niet meer dan gedragsbeschrijvingen. In de beschrijving van ADHD zit een bepaald patroon, meer is het niet.”
 

Wat is dan nog de relevantie van die labels?

Prof. Vanheule: “Het probleem is natuurlijk niet fictief. Alles vertrekt vanuit een crisis. Ouders, leraren of het kind zelf ervaren dat het niet lukt op school. Labels benoemen dat probleem dan heel rudimentair.”

“Maar een naam is geen oplossing. Als je door die benoeming gelooft dat de oorzaak gevonden is, geeft dat een geruststellend gevoel van controle. ‘Oef, we hebben het niet verkeerd aangepakt, het kind heeft een stoornis.’ Het probleem is dat het proces vaak stopt bij dat etiket. Alsof hoogsensitiviteit, hoogbegaafdheid of ADHD een verklaring zijn. Die labels zijn niet meer dan met een professionele saus overgoten problemen. Als we daar blijven haperen, hebben ze totaal geen zin.”

“Je helpt het kind er niet mee. Je zadelt het op met het idee dat het probleem bij zichzelf ligt, bij zijn identiteit. Vergeet niet dat een stoornis een medische diagnose is. Je maakt het verschil tussen ‘ziek’ en ‘niet ziek’. Je zegt dan eigenlijk aan dat kind: ‘Er is iets mis met jou.‘ Dat is kortzichtig omdat het vooral iets zegt over een mismatch tussen een kind en zijn omgeving.”
 

Leraren en ouders moeten toch weten wat het probleem is en wat ze eraan kunnen doen?

Prof. Vanheule: “Daar zeg je het zelf. Het gaat over leerproblemen. Het is veel zinvoller om van problemen te spreken in plaats van stoornissen. Alleen in extreme gevallen gaat het over een stoornis, zoals bij zware dyslexie of ASS. De oorzaken van leerproblemen liggen overal: in de omgeving, in de leerstijl, in de aanpak van de leraar …

Spreek liever over concrete problemen: ‘het kind kan de maaltafels niet’, ‘het kan zich niet concentreren’ of ‘het kan minder goed knippen’. Zo laat je ruimte voor verbetering. Je daagt ook jezelf uit om een nieuwe aanpak te proberen, om iets aan dat probleem te doen.


Leerlingen gedragen zich naar het label dat je ze opplakt

Stijn Vanheule - psychoanalyticus UGent

Wanneer je te snel zegt dat een kind een stoornis heeft, denk je te weinig na over mogelijkheden om zaken zélf anders aan te pakken. Misschien heeft het kind meer bewegingsruimte nodig, kan het niet goed om met de lesstijl van de leraar of kan het niet studeren in een lawaaierige omgeving.”
 

Wat zijn de gevolgen als je te snel een etiket plakt op een kind?

Prof. Vanheule: “Je maakt van een kind met een concreet probleem eigenlijk ‘een probleemkind’. Dat kind voelt: ‘Ik ben anders dan de rest.’”

“Op jonge leeftijd is dat meestal nog niet zo’n probleem, maar ik hoor regelmatig jongvolwassenen die worstelen met het etiket dat ze als kind hebben gekregen. Soms zijn hun leerproblemen zo miniem dat ze er intussen geen hinder meer van ondervinden. Terwijl ze nog steeds denken dat ze minderwaardig zijn en anders dan de rest.”

“Een ander nadeel is dat kinderen zich vaker gedragen naar hun probleem. ‘Het kind ‘is’ zo, daar valt dus niets meer aan te doen’, lijkt het wel. Het gevaar daarvan is dat je dat etiket nog eens versterkt, terwijl je het net wil bestrijden.”

“Een inflatie aan diagnoses kan gevolgen hebben voor de meest kwetsbare jongeren. De meest mondige groep maakt er op de handigste manier gebruik van. Mensen met zware psychologische problemen of uit een problematisch milieu missen net die mondigheid. De middelen zijn beperkt en zij dreigen dus uit de boot te vallen. Het is dan ook nefast om terugbetaling van hulp te baseren op labels.”

“Het meest frappant vind ik dat kinderen op jonge leeftijd al medicatie krijgen, terwijl er geen longitudinaal onderzoek is naar de gevolgen. We weten niet wat langdurig gebruik van Rilatine met het brein van een kind doet.
 

Hoe help je kinderen met leerproblemen dan wel?

Prof. Vanheule: “Leerproblemen moeten een uitnodiging zijn om in detail te onderzoeken wat precies misloopt. Als een kind zich niet kan concentreren of overgevoelig lijkt, vertelt dat soms iets over de omstandigheden waarin kinderen moeten opgroeien. Denk aan armoede, verwaarlozing, seksueel misbruik of geweld. In vele gevallen spelen zo geen extreme omstandigheden, maar kan het kind niet aarden in de doorsnee klas die we aanbieden. De grootste groep jongeren kan je al flink vooruit helpen door op zoek te gaan naar een pedagogische aanpak die is afgestemd op de persoon.”

“Voor een aantal extreme gevallen is de diagnose van een stoornis wél zinvol, laat dat duidelijk zijn. Sommige kinderen hebben zo’n zware dyslexie dat ze zonder leessoftware zelfs geen simpele tekst gelezen krijgen. Maar voor je naar de arts stapt voor een diagnose, moet je eerst enkele stappen doorlopen.”

  • Stap 01:
    Zie je bij een kind een probleem, zoek dan hulp. Ga samen zitten: leraar, ouders, CLB en zorgmedewerker of leerlingbegeleider.
  • Stap 02:
    Vraag je samen af: ‘Wat is de concrete probleemsituatie?’. Stel vragen als: ‘Wat loopt goed?’, ‘Wat loopt minder goed?’, ‘Waar zitten echte problemen?’ en ‘Wat zouden we eventueel met extra zorg kunnen verbeteren?’. Spreek zo weinig mogelijk in stoornis-termen.
  • Stap 03:
    Zoek samen naar oplossingen voor die concrete problemen. Hou zeker ook rekening met het kind zelf, zijn leerstijl, karakter, de leeromgeving … Niet alle kinderen met hetzelfde probleem pak je op dezelfde manier aan.
  • Stap 04:
    Probeer ook steeds om voorbij de problemen te kijken. Benadruk wat wel goed gaat, stimuleer het kind en moedig het aan. Zo sterk je het zelfvertrouwen van het kind. Laat niet alles rond dat leerprobleem draaien. Een kind is meer dan zijn leerprobleem.”

 
Stijn Vanheule is klinisch psycholoog en psychoanalyticus, verbonden aan de UGent. Hij is ook auteur van het boek ‘Psychodiagnostiek anders bekeken: kritieken op de dsm‘.

Pik je Lerarenkaart op vóór 8 juli!*

  • Voor je klas en jezelf
  • Meer dan 1000 voordelen
  • Een zomer vol inspiratie
Waar ligt mijn Lerarenkaart?

*Opgelet: dit is je laatste kans om je Lerarenkaart 2019 af te halen