Vlaanderen
Klasse.be

Zo doen zij het

Zo werkt juf Karima in het lager aan een rijke taalomgeving

  • 11 mei 2022
  • 4 minuten lezen

In het eerste leerjaar van Juf Karima spreekt geen enkele leerling thuis Nederlands. Zelf leerde ze Nederlands ook als tweede taal. Ze weet dus als geen ander wat de kinderen in haar klas beleven. “Nederlands aanleren in de lagere school was best lastig. Ik wilde me voortdurend bewijzen en deed vaak alsof ik de juf begreep.” Daarom zet ze samen met co-teacher Veerle vandaag in op een rijke taalomgeving.

Lees verder onder de video

Bekijk in de video hoe juf Karima aan rijke taal werkt in haar klas

Een warm klasklimaat stimuleert spreekdurf

Karima Bahri (Paviljoen Schaarbeek): “Je uitdrukken in een nieuwe taal is lastig en vraagt moed. Daarom werk ik heel bewust aan een warm klasklimaat. Dat begint ’s ochtends bij het eerste oogcontact en eindigt pas bij het uitzwaaien. Voor de les begint, maak ik contact met elke leerling: ik heb je gezien en ik ben blij dat je er weer bij bent. Wanneer kinderen zich veilig voelen, verhoogt hun spreekdurf.

“Dat is iets wat ik als kind in de basisschool miste. Ik durfde niet te vertellen aan de juf dat ik haar niet begreep. Telkens wanneer een kind me nu vraagt: “Juf, wat betekent dit woord,” ben ik trots dat ze dat stukje onzekerheid durven laten zien.”


Spreek zelf in rijke en complexe zinnen

Karima Bahri: “Kinderen in mijn klas zijn voortdurend bezig met linken te leggen tussen het Nederlands en hun thuistaal. Daarom let ik erop dat ik mijn handelingen zo veel mogelijk begeleid met taal. “Ik zie dat je wijst naar de schurk”, “ik geef jou het voorzitterskaartje” of “ik kom naast je zitten.” Zo leren ze taal in een context: ze zien wat er gebeurt en horen tegelijk hoe je dat kan verwoorden.”

“Wanneer je een nieuwe taal aanleert, is het belangrijk om veel rijke taal te horen. Daarom versimpel ik mijn taalgebruik niet. Van nature wil je dat de kinderen alles wat je zegt meteen begrijpen. Maar spreek je alleen in korte zinnen, pikken ze ook alleen dat simpele taalgebruik op. Daarom spreek ik steeds in volzinnen en probeer ik mijn niveau niet te verlagen. Begrijpen ze het niet? Dan gaan we samen op zoek naar de betekenis.”

Mijn leerlingen hebben niets aan simpele taal, ze zijn niet taalzwak

Karima Bahri
Leraar Paviljoen Schaarbeek

Daag kinderen uit tot spreken

Karima Bahri: “Kinderen moeten taal ook kunnen inoefenen. Daarom is het belangrijk om gesprekken en interactie zo veel mogelijk te stimuleren. Durven ze al in de grote groep iets te vertellen? Of voelen ze zich veiliger in een kleiner groepje? Ik bouw voortdurend kleine babbelmomentjes in. Dat zijn belangrijke leermomenten.”

“Wanneer je tijdens zo’n gesprek vooral ja-neevragen stelt, maak je het kinderen makkelijk om te antwoorden, maar je daagt hen niet uit tot spreken. Daarom stel ik voortdurend open vragen en pik ik in op wat de kinderen zelf aanbrengen. “Vertel daar eens wat meer over?” Zo krijgen ze de kans om hun verhaal te verbreden en te experimenteren met taal.”


Geef taalfeedback en parafraseer

Karima Bahri: “Geef je veel spreekkansen, dan vergroot je de kans dat je kromme zinsconstructies te horen krijgt. Dat is heel positief, want kinderen voelen zich op dat moment veilig genoeg om zich te uiten in het Nederlands. Dat wil ik uiteraard aanmoedigen, maar tegelijk wil ik ook feedback geven op hun taalgebruik en hun zinnen corrigeren. Maar wanneer je kinderen expliciet op hun fout wijst, loop je het risico dat ze dichtklappen.”

Zegt iemand: “Wij hebben een nieuwe auto gekoopt,” kaats ik terug: “Hebben jullie een nieuwe auto gekocht? Wauw, vertel daar eens wat meer over.” Ik zet voortdurend in op herhalen en uitdagen. Zo horen ze niet alleen de juiste formulering, maar krijgen ze ook de bevestiging dat ik hen heb begrepen én moedig ik hen aan om meer te vertellen.”


Durf stiltes laten vallen

Karima Bahri: “De kinderen in mijn klas zijn niet taalzwak. In hun thuistaal kunnen ze zich vaak perfect uitdrukken. In het Nederlands loopt dat nog iets stroever en moeten ze wat vaker zoeken naar hun woorden. Die denktijd ga ik zeker niet blokkeren door bijvoorbeeld een ander kind het woord te geven of door hun zinnen zelf in te vullen. Daar help je hen niet mee, integendeel. Een kind heeft recht op een goede gesprekspartner. Dan bevestig je dat je luistert en geef je elkaar de tijd wanneer het nodig is.”

logo kleine kinderen grote kansen

Deze tekst kwam tot stand binnen het project ‘Kleine Kinderen Grote Kansen’, waarbij alle lerarenopleidingen kleuteronderwijs en lager onderwijs betrokken zijn. Het project wil kinderarmoede en sociale ongelijkheid in de klas in Vlaanderen doorbreken, en voor alle kinderen grote kansen realiseren.Meer info op www.grotekansen.be

Robin De Vries

Voeg dit artikel toe aan je bewaarde artikels

Log in om te bewaren


Laat een reactie achter