Zo doen zij het
Frans in de lagere school: van spreekdurf tot leren leren
Dat haar vak afschrikt, ambitie mist of moeizaam loopt, weerlegt leraar Els Dejaegher van basisschool Heilig Hart in Heverlee met effectieve didactiek, herkenbare contexten en enthousiasme.
© Laïs Van Gestel

‘Ici, on parle français!’ Na de speeltijd moedigt de tekstballon op de klasdeur alle 20 leerlingen aan over te schakelen naar het Frans. “Dat geldt net zo goed voor mij!” vertelt Els. “Ik let erop om zelf zoveel mogelijk Frans te spreken. Zeker als we woordenschat of mondelinge interactie oefenen, als het lukt ook tijdens een grammaticales.”
Dat leraren zich daar vaak onzeker over voelen, herkent ze. “Ik ging zelf opnieuw Frans studeren in avondonderwijs en verdiepte me in vroeg vreemdetalenonderwijs. Ook mijn collega’s grepen professionaliseringskansen om zich in de Franse les taalvaardiger en zelfzeker te voelen. Spreekdurf is dus net zo goed óns aandachtspunt.”
Of ze dat intimiderend vindt met Franstalige leerlingen in de klas? “Integendeel, ik aanvaard dat ik geen moedertaalspreker ben. Het idee dat je het Frans eerst perfect moet beheersen, zet alleen maar een rem op je les. Als ik een woord niet ken of een foutje maak, vraag ik Ruby en Manel om hulp of verbetering. Ik blijf ook van hen leren.”
C’est parti!
“Vous pouvez vous lever!” Alle leerlingen veren recht. “Mijn instructies kennen ze al uit de Franse taalinitiatie in de eerste en tweede graad”, duidt Els. “Daar dompel ik hen met prentenboeken, liedjes en spelletjes onder in die nieuwe, vreemde taal.”
En dat impliciet leren levert op. Van ‘Asseyez-vous!’ tot ‘Répétez!’: deze vijfdejaars weten precies wat Els verwacht. “Ik lijstte mijn instructietaal ook op en deelde die met het hele team. Je hoort dit dus in elke klas.”
Els’ instructies brengen de leerlingen in beweging: gekruiste armen bij een ontkenning, gewoon naast het lichaam bij een mededeling en in V-vorm voor een vraag. Compris? Els vuurt een reeks zinnen op hen af. “Je vais au supermarché. Combien coûtent les pommes? Je n’ai plus besoin de café.” Armen zwaaien heen-en-weer. “Met zo’n herhalingsoefening zie ik in één oogopslag wie twijfelt of wat nog moeilijk blijkt.”
“Un autre jeu!” Terwijl Els vraag- en antwoordkaartjes verdeelt, legt ze de oefening uit in het Frans. Daarop zoeken de leerlingen welke 2 kaartjes bij elkaar passen. “Il y a des filles dans la classe?” vraagt Ben. Shanjana schudt het hoofd en loopt al door. Dat wordt niets met ‘Non, elle ne prend pas de croissants’ op haar kaartje.
“Voor hen lijken het taalspelletjes, maar niets zo effectief om voorkennis te activeren. Wisbordjes, matchoefeningen of een woordenschatquiz: de werkvorm varieert, maar aanknopen bij eerder geleerde leerstof opent steevast mijn les.”
Intussen wachten vooraan 10 duo’s met de juiste vraag-antwoordcombinatie. “Lisez-bien vos cartes!” Els laat geen kans onbenut om de Franse uitspraak te verfijnen. ‘Filles’ klinkt niet als het Nederlandse ‘files’, bij ‘prend’ slik je die laatste medeklinkers in. En bij ‘Non, je n’ai pas d’orange’? “Ah, hier verbinden we de klanken. Nous faisons la liaison!”
Als ik mijn leerlingen enthousiast wil krijgen voor de Franse taal, dan moet die gaan leven
Els Dejaegher
Leraar Frans
Leren controleren
Actieve oefeningen koppelt Els aan de theorie. “Vanaf het vijfde leerjaar wordt Frans écht bestudeerd. Woordenschat landt in betekenisvolle dialogen. Grammatica leren we inductief: uit de zinnen op de kaartjes leiden we nu de grammaticaregel af. En die moet helder, concreet en visueel ondersteund zijn.”
Je ne veux plus de pain. Nous ne mangeons pas de poires. Il n’y a pas d’oeufs dans le caddie. “Dus: de onbepaalde lidwoorden ‘un’, ‘une’ en ‘des’ uit de vraag vervang je in een ontkennende zin door ‘de’”, herhaalt Els. “Eventueel met een apostrof.” “Bij botsende klinkers!” weet Lena nog.
“Maar de regel geldt niet bij zinnen met het werkwoord ‘être’”, waarschuwt Els. Die uitzondering vult haar bordschema aan. “En wat met ‘il y a’?” Alireza laat zich niet beetnemen: “Die ‘a’ is een vorm van avoir.”
Simon, Poyraz en Thibaut vatten de regels nog eens samen in hun eigen woorden, daarna bombardeert Els de klas met vraagzinnen. “We nemen onze checklist erbij!” Het overzichtsschema blijft zichtbaar op het smartboard, onderaan verschijnen 5 aanvinkvakjes.
“‘Tu vas boire une limonade?’: wie formuleert hierop een negatief antwoord?” Marit probeert, de klas controleert. “Gebruikt ze de ontkenning, D’Angelo? Verandert ze ‘tu’ in ‘je’, Maria? Is het een zin met être, Linne? Wordt ‘une’ hier ‘de’, Paloma? Of blijft le, la of l’ hier onveranderd?”
Bij elke poging vinkt Els de controlelijst klassikaal af. “Schema’s, hulpkaarten of checklists bieden ondersteuning bij nieuwe of complexe leerstof. Deze grammaticaregel op het bord en het werkblad, de onregelmatige werkwoorden op grote posters aan de muur: met die handige geheugensteuntjes gaan de leerlingen ook zelfstandig aan de slag. En wanneer dat steeds beter lukt, bouw ik die ondersteuning geleidelijk weer af.” Lucas spiekt nog snel even, want hoort ‘sont’ écht bij ‘être’?
Taalmarkt
Dat leerlingen Frans kunnen ‘zien’, vindt Els belangrijk. “Ik heb als ‘juf van Frans’ geen vaklokaal, maar je kan in elke klas een Franse zone creëren. Hier staan Franstalige prenten-, lees- en beeldwoordenboeken gewoon mee in de klasbibliotheek. Leuke schrijfopdrachten vormen een vlaggenlijn door het lokaal. Op het prikbord hangen slimme onthoudposters, op het klasmeubilair – van l’armoire tot la poubelle – Franse woordkaartjes.”
“Als ik mijn leerlingen enthousiast wil krijgen voor de Franse taal, dan moet die gaan leven. In de les lukt dat met personages, thema’s en oefeningen die aansluiten bij de leefwereld van deze 11‑jarigen.”
Maar Els durft ook uitbreken. “Waarom niet eens knutselen in het Frans? Of een wetenschapsles over ‘le loup’? Op vrijdag zap ik soms naar Les Niouzz, het Franstalige kinderjournaal van RTBF.”
Binnenkort trekt ze met haar klas ook naar de markt in Waver. “Altijd een spannende dag. Mijn leerlingen interviewen er de marktkramers en klanten. Ze gaan op speurtocht. En ze doen zelf boodschappen aan de kraampjes, in het Frans.” Wie achteraf geen banaan in z’n fruitbrochette wil, leert dus maar beter de woordenschatlijst én de ontkenning.
© Laïs Van Gestel

Frans leren leren
Die ontkenning lukt intussen steeds beter. Shisir let erop dat hij het werkwoord steeds tussen ‘ne’ en ‘pas’ schrijft. Kasper sleept de onderdelen van de ontkennende zinnen in de juiste volgorde. En Maria oefent eerst luidop, voor ze haar antwoord inspreekt en opneemt. “Wij leren elke dag Frans. Daarom varieer ik mijn oefeningen, zowel fysiek, op papier als digitaal. En zo komen steeds alle vaardigheden aan bod.”
Els zweert ook bij gespreid leren. “Ik verdeel nieuwe leerstof over de schoolweek en geef mijn leerlingen meerdere dagen tijd om te oefenen en studeren voor de eerste toets. Gatenteksten, flitskaarten, interactieve presentaties of oefentoetsen belanden dus regelmatig bij hun huiswerk. Want een dialoog of woordenlijst snel één keer lezen? Daarmee redden ze het niet.”
Vanaf de derde graad vergt Frans meer inspanning, ook thuis. “Ik bied wel uiteenlopend materiaal aan om de leerstof te herhalen, maar een duurzame leerstrategie is cruciaal. In de klas bespreken we elkaars studeermethodes, zeker als een toetsresultaat tegenvalt. Frans en leren leren lopen hier naadloos in elkaar over.”
Taalhaast
Zijn haar leerlingen op die manier klaar voor 3 of 4 uur Frans per week in het secundair onderwijs? “Van de vakleraren Frans uit onze middelbare school weet ik dat onze leerlingen goed kunnen volgen in hun lessen. Maar eerlijk, ik ben daar niet zo mee bezig. Ik moet deze kinderen introduceren in de Franse taal en er vooral voor zorgen dat ze daar ook na dit schooljaar plezier en uitdaging in blijven vinden.”
“Ik bereid hen uiteraard voor op het zesde leerjaar, waar mijn collega’s nog meer inzetten op vertalen, memoriseren en correct schrijven”, nuanceert Els. “En natuurlijk streven we ernaar dat al onze leerlingen aan het einde van de derde graad vlot de nieuwe minimumdoelen voor Frans halen.”
“Maar gun hun jonge breinen ook tijd! Pas vanaf 10-12 jaar zijn kinderen in staat om een taal beschouwend te leren en te onderzoeken. Daar moet ik in dit vijfde leerjaar dus nog niet te veel op vooruitlopen.”
Log in om te bewaren






Laat een reactie achter