‘Ieder kind Taalheld’ is een pakket maatregelen van de Vlaamse overheid om de kennis van het Nederlands van alle leerlingen te versterken. ‘Ieder kind Taalheld’ vertrekt van de nieuwe minimumdoelen voor het basisonderwijs, met als doel maximale onderwijskansen voor elk kind.
Zo doen zij het
Taalvaardige leerlingen? “Zet taal centraal in elke les”’
Verglijden je leerlingen in chattaal? Lezen ze geen boeken? LAB Sint-Amands schakelde naar een evidence-informed schoolbreed talenbeleid. Op het menu: taalknabbels, HIIT en een leesuur. Hoe ze alle leraren, ouders én leerlingen meekrijgen?
© Tine Schoemaker

Greet De Smedt: “Als taalleraren stelden we bij onze leerlingen niet zozeer taalarmoede, maar eerder ‘taalverloedering’ vast: hun woordenschat wordt beperkter en ze slagen er moeilijker in om hun gedachten of processen te verwoorden. Hun spreektaal verglijdt naar ‘chattaal’ – een fenomeen dat de school overstijgt. Data bevestigden ons aanvoelen: in de resultaten van onze taaltoetsen zagen we bijvoorbeeld grote verschillen in leesniveau.”
Kris Thomassen: “We brachten voor ons schoolbreed talenbeleid ook in kaart wat onze leerlingen in hun vrije tijd lezen. Daaruit bleek dat zelfs in de derde graad leerlingen bleven steken op het niveau van ‘verhaaltjes’, en niet de stap zetten naar abstracter literair werk. Daarnaast stelden collega’s uit andere vakken vast dat leerlingen moeite hadden om de juiste informatie te halen uit langere teksten.”
Greet: “Daaruit ontstond een gevoel van urgentie: hier moeten we iets aan doen. Misschien zat het probleem deels in de materialen die we zelf maken? Immers: als leerlingen iets niet kunnen, komt dat ook omdat niemand het ze heeft aangeleerd. We kozen voor een schoolbreed talenbeleid, inclusief vreemde talen, en dienden ons project ‘Taalcompetente leerlingen’ in bij Leerpunt.”
Taalknabbels als tussendoortje
Greet: “We gingen eerst na welke expertise we zelf in huis hadden vanuit de jarenlange ervaring, de opgedane kennis en het enthousiasme van collega’s; die wilden we inzetten én delen. Daarnaast lieten we ons begeleiden door het Centrum voor Taal en Onderwijs (CTO) en doken we in literatuur. We richtten een kernteam op met taalankers en leraren uit elke graad. Zij professionaliseren zich en werken het schoolbreed talenbeleid met bijbehorende acties uit. Stapsgewijs weliswaar, want zo’n ommekeer heeft tijd nodig.”
Kris: “We bevroegen ook de vakleraren. Sommigen overschatten hoezeer ze met taal bezig waren in hun les; bij anderen was het net omgekeerd. Daarna gingen we over op ‘shocktherapie’. We verzamelden leermaterialen uit verschillende jaren en lieten leraren in groepjes inschalen voor welke graad de lessen bestemd waren. Dat was best confronterend: collega’s bleken teksten te gebruiken die niet op het juiste leesniveau zaten. Maar we hadden goed nieuws: de mogelijke ingrepen zijn klein, en leveren veel op.”
“Wij noemen ze ‘taalknabbels’. Activerende werkvormen waarmee je leerlingen ondersteunt om de informatie uit een tekst te verwerken. Je geeft daarmee ruimte aan taal in je les. Om die knabbels uit te werken, baseerden we ons op de principes van taalgericht vakonderwijs: context, interactie en taalsteun. Een voorbeeld: in plaats van zelf een definitie te geven, en dus louter te doceren, geef je aan de leerlingen sleutelwoorden en laat je ze daarmee zelf het begrip omschrijven. Leraar en leerlingen komen zo samen tot de definitie.”
“Een ander voorbeeld: parafraseren. Als je iets hebt uitgelegd in de les, vraag je de leerlingen om daar even over na te denken en het in hun eigen woorden te herhalen. Of nog: laat ze een tekst niet individueel verwerken, maar in duo terugkoppelen over wat ze gelezen hebben. Of stel, in plaats van detailvragen, hogere denkordevragen over de tekst, zoals: wat zou deze tekst als oplossing geven voor het probleem? De rode draad is telkens: leerlingen werken actief met tekstmateriaal, in plaats van er nog maar eens een schema van te maken.”
© Tine Schoemaker

Kris: Kris: “We verwerkten die werkvormen in een visuele voorstelling, en die hebben veel succes. Al benadrukken we ook dat je er niet te kwistig mee mag omspringen, want leerlingen worden al snel allergisch voor steeds terugkerende ingrepen. Het blijven kleine didactische hulpmiddelen, waarmee de leerlingen actiever worden, en bovendien talig actief. Of zoals het woord zelf zegt: het zijn knabbels, aperitiefhapjes of tussendoortjes dus.”
Greet: “De taalknabbels zijn er voor álle vakgroepen, ook die van lichamelijke opvoeding en techniek. Ze bekeken elk welke taalknabbels pasten voor hun vak en welke ze wílden gebruiken, want we leggen ze niet op. Gelukkig zijn collega’s enthousiast omdat ze zien dat die kleine ingrepen effect opleveren. We maakten ook een beslisboom waarmee ze bepalen of de tekst die ze aanbieden op het leesniveau van hun leerlingen zit. De taalknabbels helpen dan om de tekst toegankelijker te maken. Onze taalankers helpen collega’s van andere vakken de juiste keuzes te maken.”
Zweten in de HIIT-taaltraining
Kris: “Ondertussen hebben een aantal collega’s – ook van niet-taalvakken – taalgericht onderwijs structureel in hun lesopbouw verankerd. Zij zetten hard in op interactie. Ze staan langer stil bij vaktaalwoorden, geven bij de antwoorden van de leerlingen meer ruimte aan het talige aspect en het vergelijken van antwoorden. Dat dat ten koste van de leerstof gaat, is een misvatting die we konden weerleggen: vakcollega’s denken vaak dat leerlingen veel leerstof moeten zien om veel bij te leren. De paradox is: als je trager gaat, en dieper in de leerstof duikt, leren de leerlingen uiteindelijk meer.”
“Ook de leerlingen van wetenschappelijke richtingen leven vaak in de illusie dat taal minder belangrijk is. Maar als je ze laat inzien dat ze sneller en efficiënter ze door het lesmateriaal gaan naarmate ze taalsterker worden, en dat ze daardoor de leerstof makkelijker beheersen, krijg je ook die leerlingen mee in je schoolbreed talenbeleid.”
“Zo organiseren we in het vierde jaar en de derde graad elke week een High Intensity Interval Taaltraining (HIIT). In een blok van 2 lesuren doen de leerlingen onder begeleiding van 3 leraren – Nederlands, Frans en Engels – korte, intensieve opdrachten. Met een timer oefenen ze dan bijvoorbeeld een kwartier lang quantifiers in het Engels. Daarna is er een toets voor Frans, en zo verder. Op die manier maak je ten volle gebruik van de 100 minuten die je hebt. Het is een vorm van co-teaching waarbij je samen organiseert en veel van elkaar leert. Met name voor de starters is dat een voordeel.”
© Tine Schoemaker

Leeskilometers maken
Greet: “Specifiek voor startende taalleraren, waaronder ook zij-instromers die nog geen lerarenopleiding volgden, organiseren we een opleidingsbad. En doordat we werken met jaargroepen en alle leraren een schoolopdracht hebben van 36 uur, lukt het om alle taalleraren op vrijdagvoormiddag vrij te roosteren.”
“Dan zitten we samen in werkgroepen: leesbeleid, verticale leerlijnen en dus ook dat opleidingsbad. Daarin werken we met de starters aan basisdidactiek, klasmanagement, leerlingen spreekkansen geven, lees- en schrijfonderwijs, feedback en evalueren. We gaan op klasbezoek en bespreken dat, zij gaan dan weer collega’s in de les observeren, we denken samen na over hoe je doordacht een les kan opbouwen.”
Kris: “We leren de leerlingen ook genietend lezen. Want terwijl je sommige leerlingen gewoon de tuin kan insturen met een boek, hebben anderen nog nooit een boek uitgekregen. Dus hebben we een leesuur. Leerlingen lezen 50 minuten lang in niveaugroepen: er zijn er die louter lezen; anderen vinden het prettig hun ervaringen te delen.”
“Met de moeilijke lezers doen we voorleessessies van de eerste hoofdstukken van uiteenlopende boeken. Met een combinatie van volhouden, een breed aanbod én vertrouwen kregen we uiteindelijk álle leerlingen aan het lezen en iedereen maakte tegen het einde van het schooljaar een behoorlijk aantal leeskilometers.”
Greet: “We hebben een bibliotheek die we geregeld aanvullen. Want als je wil dat de leerlingen lezen, moet je ze ook voldoende boeken aanbieden. En zien lezen, doet lezen. Daarom betrekken we ook de ouders bij ons taalbeleid. Toen we het traject daarvoor uittekenden, stelden we een klankbordgroep samen. Ze gaven feedback over onze initiatieven en speelden een rol in de beleidskeuzes. Ze waren blij dat we het leesbeleid wilden aanpakken, want ook zij worstelen met hun kind aan het lezen krijgen.”
“Ook hier werken kleine initiatieven het best. Zo hielden we tijdens de Warmste Week een leessessie bij kampvuurtjes, gezellig onder een deken en met warme chocomelk. Daarnaast staat ons taalverhaal centraal op de infosessies voor nieuwe leerlingen. En blijven we erover communiceren en input vragen via de oudervereniging.”
Kris: “We grijpen evenementen als Poëzieweek of Jeugdboekenmaand aan om ons schoolbreed talenbeleid te versterken. Zo organiseerden we tijdens de Voorleesweek een event waarbij we op alle mogelijke plekken in de school – in de lokalen, de gangen, de kelder, tot zelfs de toiletten – aan alle collega’s vroegen om verhalen voor te lezen. Ze mochten zelf kiezen welk fragment uit welk boek, aan een kleine of grote groep. Dat kreeg veel weerklank. Dat lijkt een kleine stap, maar net zulke kleinschalige ingrepen zorgen ervoor dat ook niet-taalleraren én leerlingen zich ervan bewust worden dat taal belangrijk is.”

Log in om te bewaren






Laat een reactie achter