‘Ieder kind Taalheld’ is een pakket maatregelen van de Vlaamse overheid om de kennis van het Nederlands van alle leerlingen te versterken. ‘Ieder kind Taalheld’ vertrekt van de nieuwe minimumdoelen voor het basisonderwijs, met als doel maximale onderwijskansen voor elk kind.
Zo doen zij het
De taalbadklas: “Een veilige omgeving om Nederlands te leren”
4 halve dagen per week dompelt juf Katleen anderstalige nieuwkomers onder in haar taalbadklas, waar ze op eigen tempo Nederlands leren. “Na een jaar sluiten ze met een rugzak vol woordenschat en zelfvertrouwen weer voltijds aan bij hun klas.”
© Alexandra Bertels

“‘Jij bent vijf-vier jaren oud! Mijn oma is maar vijf-nul. Jij bent al veel oud!’” citeert Katleen Agneessens van Stedelijke Basisschool ’t Groentje in Vilvoorde lachend haar taalbadkinderen. Na 23 jaar waagde de kleuterleraar zich aan een carrièreswitch. Ze beklaagde het zich nog geen moment: “Hier was ik al heel lang naar op zoek, zonder dat ik het besefte.”
Vilvoorde pioniert al 7 jaar met de taalbadklas. Wat was de motivatie om ermee te starten?
Katleen: “Door onze ligging in de Brusselse rand hebben we een grote instroom van anderstalige kinderen, zowel Franstalige als kinderen die recent migreerden. Jonge kleuters pikken de taal grotendeels spelenderwijs op, maar bij iets oudere kinderen merkten we hoe belangrijk voldoende taalbeheersing is om tot leren te kunnen komen.”
“Daarom kiezen we vanaf de derde kleuterklas voor een intensief taalbad van 4 halve dagen per week. Anderstalige kinderen uit onze verschillende scholen krijgen zo de kans om op eigen tempo Nederlands te leren. Na een jaar sluiten ze met een rugzak vol woordenschat en zelfvertrouwen weer voltijds aan bij hun klas.”
Hoe ziet je klas taalbadleerlingen eruit?
Katleen: “In mijn klas zitten kinderen van hoogopgeleide magistraten die in Brussel werken naast kinderen die voor bommen gevlucht zijn en voor wie Nederlands soms de derde of vierde taal is. Ze komen uit de Brusselse rand, Marokko, Armenië, Somalië, Bulgarije, Brazilië, Macedonië, Jordanië, Turkije en Ghana.”
“We kloppen af op maximaal 13 leerlingen per groep. In de voormiddag zie ik de leerlingen van het vierde leerjaar tot het zesde, in de namiddag die van de derde kleuterklas tot het derde leerjaar. ’s Middags reis ik met de bus heel Vilvoorde rond om de eerste groep af te zetten en de andere op te pikken.”
“De samenstelling wisselt regelmatig. Gevluchte kinderen stromen op diverse momenten in. Soms verdwijnen ze ook plots. Na de vakantie keerde een van mijn meisjes niet meer terug van een bezoek aan haar stervende oma. Ik stuurde mailtjes, maar kreeg geen antwoord. Via via kreeg ik het telefoonnummer van haar oudere zus en onlangs kreeg ik eindelijk een verlossend bericht: ‘Hallo juffrouw Caitlin, het gaat goed met ons, de situatie in het Midden-Oosten is een beetje nerveus. M. stuurt u groeten!’”
Hoe leer je iemand Nederlands als die net gevlucht is uit een conflictgebied?
“Ik heb toen sterk geïnvesteerd in regelmatig overleg met zijn vader. Het moest duidelijk zijn dat zijn gedrag niet kon. Gaandeweg won ik het vertrouwen van de vader en dat sijpelde door bij zijn zoon. Hij voelde dat we op dezelfde lijn stonden.”
“Op het einde van het jaar kwam het er allemaal uit. In Syrië had hij 3 maanden in een kast geleefd. Zijn huis wat kapot geschoten. Op onze eindejaarsfoto hou ik mijn handen over hem. Een paar maanden eerder zou hij die zeker hebben weggeduwd. Toen ik hem onlangs tegenkwam, kreeg ik zelfs een knuffel.”
“Dat is de kracht van de taalbadklas. Ik heb de tijd om kinderen heel goed te leren kennen, naar hun verhalen te luisteren en te laten zien hoe begaan ik met hen ben.”
© Alexandra Bertels

Hoe beslissen jullie welke leerlingen naar de taalbadklas gaan?
Katleen: “Wij mikken tot nu toe op elk kind dat geen Nederlandstalig onderwijs genoten heeft. Belangrijk is dat je ouders meekrijgt. Stel je maar eens voor dat jij je dochter van 6 jaar ’s ochtends afzet op school. Een wildvreemde vrouw haalt haar ’s middags op met de bus en ’s avonds moet je haar op een andere plek gaan afhalen, terwijl haar zusje nog in de kleuterschool is. Ouders zijn overweldigd als we dat een eerste keer voorstellen.”
“Zodra ik weet wie in aanmerking komt, krijgen ouders een mailtje met informatie. Vervolgens bel ik hen op én ga ik op huisbezoek om mezelf voor te stellen. De eerste week van september doe ik een rondje langs scholen voor een contactmoment met de leerlingen en hun ouders. Zo zien ze dat ik de klasleraar ken en dat er een sterke connectie is met hun school. Na een viertal keer raken ze meestal wel overtuigd.”
Mijn eerste doel is altijd dat ze Nederlands leuk vinden
Anderstalige nieuwkomers spreken nauwelijks een woord Nederlands als ze bij jou terecht komen. Hoe begin je daaraan?
Katleen: “Mijn eerste doel is altijd zorgen dat ze Nederlands leuk vinden. Die kinderen moeten vaak door een rouwproces. Hun wereld verandert heel plots. Ze gingen helemaal niet naar school of ze haalden in hun Franstalige school nog 90% en kunnen ineens niks meer. Ik stel hen gerust: ‘Je mag boos zijn. Meer nog: je moet boos zijn.’”
“Kinderen krijgen hier de tijd om de klik te maken naar hun nieuwe identiteit als beginnende leerder. Zodra ze die boosheid loslaten, staan ze open om de taal te leren.”
Waar ligt de focus van je taalonderwijs?
Katleen: “Ik stouw mijn leerlingen in de eerste plaats vol woordenschat. De taalmethodes van Matti en Mona bieden woorden aan binnen thema’s, zoals voeding, het lichaam of kleding. ‘Matti-woorden’ zijn basiswoordenschat, ‘Mona-woorden’ zijn uitbreiding. Met die combinatie kunnen ze hun plan trekken in het dagelijkse leven, les volgen en vragen stellen als het moet.”
“We gebruiken die woorden zo veel mogelijk in courante situaties, simpelweg wanneer de kinderen zich moeten omkleden of hun veter los is. Ik vereenvoudig mijn taal daarbij zo weinig mogelijk. Ze hoeven echt niet elk woord te begrijpen om de boodschap mee te hebben.”
“Spreekdurf kweek je ook alleen door fouten te mogen maken. Als iemand een verhaal vertelt over zijn kat, hoeft niet elke zin grammaticaal perfect te zijn. Maar ik moet wel de essentie begrijpen: dat ze met hun kat naar de dierenarts geweest zijn, omdat ze gewond was aan haar pootje. Vanuit die eerste succeservaringen, leren ze de jaren erna wel om hun zinnen te finetunen.”
Je aandacht gaat dus vooral naar de mondelinge vaardigheden?
Katleen: “Alles hangt samen. Een taal leer je alleen goed als je ook veel leest. Elke dag begint met een kringgesprek. Daarna leest iedereen – inclusief ikzelf – een kwartier vrij wat die wil: een boek uit ons Leespaleis bijvoorbeeld, onze klasbib, of een tekst voor school die ze moeilijk vinden. Daar kunnen ze dan vragen over stellen of een tekstje over schrijven.”
“Grammatica breng ik spontaan aan. De Matti en Mona voor kleuters gebruik ik bij de oudere kinderen voor leesbegrip en zinsontleding. Bepaalde woordsoorten zoals ‘doe-woorden’ of ‘wie-woorden’, krijgen een eigen kleur. Alle scholen gebruiken dezelfde methode, dus onze kinderen herkennen die meteen als ze er daarna les over krijgen.”
© Alexandra Bertels

Hoe ver krijg je je leerlingen op één jaar?
Katleen: “Mijn taalbadders blijven het eerste jaar na het traject vaak nog lager presteren in hun reguliere klas. Je kan op 10 maanden niet dezelfde taalbeheersing opbouwen als een moedertaalspreker. Toch is dat geen excuus om de ‘zwakke schakel’ van de klas te worden. Ik leer ze zelfredzaam te zijn door visuele hulpmiddelen of de context te gebruiken of via hun computer de betekenis of uitspraak van woorden zelf op te zoeken.”
Het woord ‘taalbad’ impliceert dat je leerlingen onderdompelt in een Nederlandstalige omgeving. Jullie halen ze daar net uit weg?
Katleen: “In een klas vol Nederlandstaligen gedropt worden, is helaas geen garantie om de taal te leren beheersen. Kinderen zijn ook hard voor elkaar. Bij een uitstap kreeg een van mijn leerlingen de vraag waarom ze eigenlijk mee was; ze kon toch geen Nederlands. We maakten toen in de taalbadklas samen een strip, waarmee ze haar verhaal kon vertellen aan haar klasgenoten. Ze kreeg applaus en voelde dat ze er wél bij hoorde.”
“Klasleraren hebben gewoon de tijd niet om zo intensief met de anderstalige leerlingen te werken. Geef maar eens meetkunde aan een vijfde leerjaar als je de hele tijd vragen moet beantwoorden van iemand die de woorden niet begrijpt. Een anderstalig kind voelt de frustratie en houdt zich al snel gedeisd.”
“Ook op andere momenten ontbreekt het hen aan durf om het woord te nemen. Daardoor raken ze geïsoleerd en leren ze ook geen taal. De taalbadklas biedt een veilige omgeving. Zo veilig dat ik ze hier soms met moeite stil krijg. Een van mijn kinderen verwoordde het ooit heel mooi: ‘Dit is niet mijn klas, maar mijn familie.’”
Dreigen leerlingen in een aparte taalbadklas sociaal geïsoleerd te geraken?
Katleen: “Net om dat te vermijden, komen ze maar 4 halve dagen. De rest van de tijd volgen ze les met hun eigen klas. Ik sta er ook op dat ze alle uitstappen meemaken met hun klasgenoten.”
“Sociale competenties stimuleren we ook buiten de schoolmuren. Leren we over voeding, dan zoeken we het recept op van hun lievelingsgerecht. We maken een boodschappenlijst, gaan samen naar de winkel en doen daar een babbeltje over het weer. Voor belegde broodjes trekken we naar een papa met een slagerij. De hele buurt komt dan kijken hoe zijn dochter Nederlands praat, en wij gaan naar huis met 2 kilo saucissen.”
© Alexandra Bertels

De verschillen tussen de leerlingen zijn soms groot. Hoe ga je daarmee om?
Katleen: “Mijn ervaring als kleuteronderwijzer speelt in mijn voordeel. In een kleuterklas zijn de verschillen áltijd groot. Ik ben het dus gewoon om op zoek te gaan naar manieren om de taal van leerlingen te stimuleren en daarvoor zelf materiaal te ontwikkelen.”
“Ik zet ook sterk in op zelfstandig werk. Zo kan ik op maat werken. Dat lukt omdat de klasgroep vrij klein is, maar vooral dankzij de samenwerking met de klasleraren. De taalbadklas werkt alleen dankzij het teamwerk van een groep leraren die zich samen verantwoordelijk voelt.”
Hoe loopt de wisselwerking tussen jou, de klasleraren, zorgcoördinatoren, ouders en leerlingen?
Katleen: “Ik probeer als ‘lijm’ te fungeren en hou de lijn met de scholen kort. Ik zie leraren aan de schoolpoort of we bellen ’s avonds om af te stemmen. Wat doen leerlingen bij mij en wat in de eigen klas? De filosofie is simpel: ze moeten altijd zinvol bezig zijn. Op mijn lesvrije woensdag bezoek ik de scholen voor een lesbezoek of overleg met de leraren, zorgcoördinatoren of ouders.”
“4 keer per jaar maak ik voor elke leerling een groeiboek op over de doelen waar we rond werken. Hoe zit het met de werkhouding en de concentratie? Hoe zelfstandig is het kind? Welk type teksten kan het al lezen? Begrijpt het mondelinge instructies? Ik beschrijf welke activiteiten we gedaan hebben, aan welke woordenschat we gewerkt hebben en hoe het zit met het welbevinden. Dat groeiboek bespreek ik met de klasleraar en de ouders.”
Je werkt met bijzonder kwetsbare mensen, dus je engagement gaat verder dan de schoolbel
Uit onderzoek weten we hoe belangrijk de thuissituatie van kinderen is voor succes op school. Kan je daar via de taalbadklas op ingrijpen?
Katleen: “We hebben vaak een verkeerd beeld van anderstalige ouders. Elke ouder wil het beste voor zijn kind, of die de taal nu machtig is of niet. Toch hoor ik vaak frustraties. Kinderen hebben ‘weer geen zwemzak bij zich’, ouders komen niet naar het oudercontact.”
“Vaak worstelen ze bijvoorbeeld met het elektronisch platform van de school. Ik spreek ouders dan aan en maak een briefje met picto’s. Na een tijd komen ze spontaan met hun smartphone naar mij voor hulp. Een eerste oudercontact woon ik dikwijls bij. Ouders hebben wel vragen, maar krijgen die niet verwoord. Zo’n zetje volstaat om de volgende keer zelf iemand mee te brengen die helpt met de taal.”
“Huisbezoeken versterken de vertrouwensband. Wijst de klasleraar de ouders van een leerling erop dat die in slaap valt in de les tijdens de ramadan, dan valt dat op een koude steen. Gelukkig ken ik de ouders goed genoeg om een tegenvoorstel te doen: ‘Wat denken ze van de kinderramadan: vasten op woensdag, vrijdag en in het weekend?’ Daar staan ze voor open. Die taken staan niet in mijn functieomschrijving, maar ze leveren zoveel op voor mijn werk in de klas.”
Wat voor leraar is geknipt voor de taalbadklas?
Katleen: “Boven alles moet je er als leraar heel bewust voor kiezen. Verplicht je iemand, dan loopt het mis. Je werkt met bijzonder kwetsbare mensen, dus je engagement gaat verder dan de schoolbel. Voor een jonge leraar met een gezin is dat niet altijd evident.”
“Ervaring is een troef. Dan kan je schuifjes opentrekken om intensief te differentiëren. Ook bagage op het vlak van culturele verschillen is een plus. Benoemde ik als kleuterleraar in een les over kledij een bh, dan toonde ik mijn bh-bandje. Dat zou ik in de taalbadklas nooit doen. Sommige leerlingen blozen al bij een tekening van een bh.”
“Je moet ook emotioneel sterk in je schoenen staan. Mijn mascara hangt ’s avonds geregeld onder mijn kin door wat ik allemaal te zien en te horen krijg. Ik heb nog nooit zo hard gewerkt als nu, maar het voelt niet aan als werk. Ik krijg er onbeschrijflijk veel voor terug.”

Log in om te bewaren






Laat een reactie achter