Vlaanderen
Klasse.be

Specialist

8 stellingen over taalverwerving in de basisschool

  • 19 mei 2026
  • 13 minuten lezen

Zijn jonge kinderen écht taalsponzen? Komt technisch lezen vóór begrijpend lezen? En hoe zinvol is zinsleer in de basisschool? Onderzoeker Marieke Vanbuel (KU Leuven) legt uit waarom 8 vaak gehoorde uitspraken over taalverwerving tegelijk waar én niet waar zijn.

Ja... maar... icoontje

Stelling 1
“Nieuwe woordenschat moet je in de eerste plaats drillen”

Ja... icoontje

Marieke Vanbuel: “Drillen helpt om de woordvorm in het geheugen vast te koppelen aan de betekenis. Dat kan interessant zijn voor specifieke woordenschat die nieuw is voor leerlingen of bij het leren van een nieuwe taal. Flashcards, met aan de ene kant het woord en aan de andere een afbeelding of uitleg, zijn een bijzonder effectieve manier om die woord-betekeniskoppeling te oefenen.”

“Door woordenschattesten af te nemen, versterk je het leereffect nog. Herhaling is immers essentieel. Laat de woordenschat dus ook verschillende keren terugkomen over een periode van weken.”

“Leg de focus daarbij niet eenzijdig op lijstjes met geïsoleerde woorden. Veel dagelijkse taal bestaat uit frequente woordcombinaties of chunks. Denk aan: ‘Hoe is het?’, ‘Ik zou graag…’ of in het Frans ‘J’ai envie de…’ en ‘Est-ce que…’ Beginnende taalleerders registreren die vaak als één geheel: ‘Oewist?’. Bied woordenschat daarom aan in die combinaties. Kinderen kunnen zich ermee redden in allerlei situaties én krijgen meteen inzicht in hoe die chunks precies zijn opgebouwd.”


Maar... icoontje

Marieke Vanbuel: “Of woorden drillen werkt als taalverwerving, hangt sterk af van je aanpak, de context en de timing. In een les WO zag ik ooit een leraar met de beste intenties inzetten op woordenschat, in dit geval over dieren en hun typische geluiden. Zij zei voor: “De hond blaft.” De kinderen herhaalden de zin in groep. Zo ging het naar de geit mekkert, de ezel balkt, het schaap blaat en de gans gakt … Op het einde moesten kinderen individueel aanvullen: ‘Jasper, de ezel …’”

“Maar hoe meer dieren aan bod kwamen, hoe meer ze de kluts kwijtraakten. Na een tijd begon ook de geit te balken. Het idee om woordenschat thematisch aan te brengen in de les WO houdt wel steek, maar prop je te veel van die woorden in één les, dan loopt het mis. Bovendien zat de timing van het drillen niet goed. Leerlingen hadden onvoldoende context, zodat ze aan geïsoleerd geheugenwerk deden. Dat blijft moeilijk hangen.”

“In het ideale geval lezen de kinderen eerst een herkenbaar verhaal of artikel waarin het ‘gakken’ van die ganzen belangrijk is om de inhoud van de tekst te begrijpen. De context of een afbeelding van een gans kan dan helpen om het woord te koppelen aan het fenomeen dat ze wel al kennen, lawaaierige ganzen. Pas als kinderen een duidelijk beeld voor ogen hebben, zijn ze klaar voor de drilfase.”

“Het leerproces van taalverwerving mag daar ook niet stoppen. Kinderen moeten de woorden ook leren gebruiken in betekenisvolle boodschappen, weten in welke contexten ze wel of niet passen of hoe je ze uitspreekt. Daarvoor moeten ze de woorden vooral gebruiken in functionele spreek- of schrijftaken.”

“Zo kan je kinderen een onderzoekje laten doen naar hoe gakkende ganzen een alternatief zijn voor blaffende waakhonden. Pas als dat soort opdrachten op regelmatige basis terugkeert, leren kinderen de woorden vlot op te roepen uit hun langetermijngeheugen.”

Stelling 2
“Kinderen zijn taalsponzen. Ze pikken woordenschat vanzelf op”

Ja... icoontje

Marieke Vanbuel: “Het klopt dat kinderen woorden spontaan of impliciet taal verwerven vanuit betekenisvolle boodschappen die hen boeien. Vlaamse kinderen kunnen vanuit video’s, games, tv-programma’s of boeken vaak al honderden woorden in het Engels gebruiken nog voor ze één les hebben gekregen.”

“Uit ons onderzoek bij kleuters blijkt ook hoe makkelijk ze woorden leren in één-op-één-gesprekken met hun leraar. Zelfs als kinderen met iets anders bezig zijn en onbewust een gesprek opvangen tussen de leraar en andere kinderen, pikken ze nog heel wat woorden spontaan op.”

“Daarom is het zo belangrijk om vanaf de kleuterklas in te zetten op een rijk taalaanbod, in gesprekken met en rond de kleuters, door samen te spelen, video’s te bekijken en boekjes voor te lezen. Vanaf de lagere school zit dat rijke taalaanbod ook in de teksten die je leest en waarover je met kinderen in gesprek gaat.”

“Heb daarbij bewust aandacht voor minder taalvaardige of mondige kinderen. Recent onderzoek in de kleuterklas toont aan dat zij van hun leraren onbewust veel minder aandacht krijgen. Ze worden bijvoorbeeld minder betrokken bij een voorleessessie of een kringgesprek, terwijl die activiteiten net helpen om nieuwe woorden te leren.”


Maar... icoontje

Marieke Vanbuel: “In de beginfase waarin je een taal verwerft, kan je het best zo snel mogelijk de 2000 á 3000 meest frequente woorden als basis kennen. Dat geldt ook voor kinderen met een andere thuistaal die instromen in het Nederlandstalig onderwijs. Het loont dus om zowel expliciet, als impliciet in te zetten op die hoogfrequente woorden zoals lidwoorden, voorzetsels en veelgebruikte werkwoorden.”

“Een andere focus is school- en vaktaal. Die leren veel kinderen niet vanzelf. Zeker in de middelbare school zitten handboeken en lessen vol met vaktermen en complexe, abstracte taal. Woorden als ‘definiëren’, ‘vergelijken’ of ‘toelichten’ staan ver af van het dagelijkse taalgebruik. Toch heb je ze nodig om in alle vakken te kunnen leren.”

“Tegen het einde van de lagere school liggen bijvoorbeeld heel wat kansen in de lessen WO over geschiedenis of gezondheid. In het bijzonder kinderen uit gezinnen met een lagere sociaal-economische status (SES) hebben daar belang bij. Hun thuistaal staat vaak een stuk verder af van het register ‘schooltaal’ dan die van kinderen uit gezinnen met een hogere SES.”

Stelling 3
“Als kinderen minder dan 95% van de woorden in een tekst begrijpen, vermijd je die beter”

Ja... icoontje

Marieke Vanbuel: “Het spreekt voor zich dat als je meer woorden kent, je de tekst ook beter begrijpt en er meer voldoening uit haalt. Maar daar een percentage op plakken is nogal arbitrair.”

“Ouder onderzoek stelde vast dat wie 95% van de woorden in een tekst kent, 60% scoorde op een begrijpend-lezentest. Dat vond men dan blijkbaar een goede score. Recent onderzoek brengt niet veel meer duidelijkheid. Afhankelijk van de onderzochte groep en het type tekst variëren de inschattingen tussen 80% en 98% van de woorden. Het is maar hoe je een goed begrip van een tekst definieert, natuurlijk.”


Maar... icoontje

Marieke Vanbuel: “Veel hangt af van je leesdoel. Moet je de inhoud van een historische tekst beheersen of heb je weinig voorkennis over een onderwerp, dan moet je veel woorden begrijpen. Maar wil je specifieke info uit een tekst halen, dan hoef je lang niet alle woorden te kennen.”

“Wees vooral niet bang om kinderen interessante teksten voor te schotelen met moeilijke woorden. Ze moeten daarmee leren omgaan. Je hoeft ook niet al die woorden vooraf al te verklaren. Dat kost veel tijd en energie en geeft kinderen snel de indruk dat de tekst zelf ook veel te moeilijk is. Beperk je tot de woorden die essentieel zijn voor het leesdoel.”

“Zet in op woordverklaringsstrategieën. Als volwassene zoek je een betekenis ook gewoon op als je dat nodig vindt. Merk je dat kinderen vastlopen op een woord, ga dan samen op zoek naar manieren om de betekenis uit de context of met hulpmiddelen te achterhalen. Zo leid je ze op tot strategische en doelgerichte lezers.”

Stelling 4
“Om van kinderen goede lezers te maken, moeten ze vooral kilometers maken”

Ja... icoontje

Marieke Vanbuel: “Bij lezen komen heel wat complexe denkprocessen kijken. Door veel te lezen worden kinderen daar beter en vlotter in. We zien dat kinderen die van thuis uit veel lezen, dat vaak ook beter doen in een schoolse context.”

“De meeste leraren voelen dat ook goed aan. Veel scholen investeren in de toegankelijkheid van boeken en ander motiverend leesmateriaal.”


Maar... icoontje

Marieke Vanbuel: “Toch is veel lezen op zich voor de meeste kinderen onvoldoende om leesvaardig te worden.”

“In vervolgonderzoek op PIRLS zagen we grote verschillen in welke strategieën kinderen in het vierde leerjaar toepassen om een test begrijpend lezen te maken. Leraren geven in de les bijvoorbeeld het advies om onbekende woorden te markeren. Zwakkere lezers doen dat ook flink, maar stoppen daar. Voor die doelgroep is expliciete instructie in leesstrategieën nodig.”

“Lees daarom altijd met een concreet doel. Je wil een antwoord op een interessante vraag en je hebt een aantal bronnen. Wat is daarvoor nodig? Welke woorden moet je zeker begrijpen? Helpt de context? Vertelt de tussentitel je wat meer? Of een afbeelding? Herken je stukjes van het woord? Daar aandacht aan besteden, leer je niet per se door veel te lezen.”

“Veel kinderen moeten ook nog leren reflecteren op waar ze mee bezig zijn. Vraag expliciet door naar wat er te leren valt uit een bepaalde tekst, wanneer ze hun leesdoel bereikt hebben of waar het nog moeilijk loopt. Op die manier krijgen ze inzicht in hun eigen leer- en leesproces.”

Onderzoeker Marieke Vanbuel (KU Leuven) over taalverwerving
Marieke Vanbuel: “Lezen is bij uitstek een vaardigheid die je niet vanzelf leert.”

Stelling 5
“Hoe groter het leesplezier, hoe meer kinderen zullen lezen”

Ja... icoontje

Marieke Vanbuel: “Leesmotivatie is belangrijk en leraren spelen daarin een grote rol. Zeker jongere kinderen associëren (voor-)lezen met boeiende verhalen in andere werelden en gezellige momenten. Zodra kinderen meer complexe teksten moeten lezen over thema’s die ze misschien minder interessant vinden, dreigt die positieve associatie wat ondergesneeuwd te raken.”

“Veel onderzoekers pleiten er daarom voor om te blijven voorlezen, zeker tot in het zesde leerjaar. Ook een stimulerende leesomgeving waarbij de juf of meester enthousiast boeken aanraadt, werkt goed om van lezen een feest te maken.”


Maar... icoontje

Marieke Vanbuel: “Leesmotivatie is meer dan ‘plezier beleven’. De sleutel is lezen met een concreet doel. Net als volwassenen willen kinderen iets te weten komen of bijleren. Lezen is dus motiverend als een kind daaruit bijvoorbeeld leert waarom bananen krom zijn of waarom de lente steeds vroeger begint.”

“Als leraar speel je bij de tekstkeuze een grote rol. Je kan zelf interessante bronnen selecteren, maar net zo goed geef je de kinderen een boeiende vraag en laat je ze zelfgezochte bronnen scannen en beoordelen. Dat soort testjes zit ook steeds meer in de internationale onderzoeken naar leesvaardigheid.”

Stelling 6
“Kinderen moeten eerst goed technisch leren lezen”

Ja... icoontje

Marieke Vanbuel: “Lezen is bij uitstek een vaardigheid die je niet vanzelf leert. Jonge kinderen proberen misschien wel sommige woorden, zoals hun naam, te herkennen, maar veel verder komen ze niet. Vlot de vele klank-letterkoppelingen kunnen maken, bevordert uiteraard de interpretatie van wat je leest.”

“Je moet op school dus veel oefenen op technisch lezen, vanuit geïsoleerde woorden en zinnetjes. Duolezen en tutorlezen, waarbij meer ervaren lezers beginnende lezers begeleiden, zijn effectieve methodes om het technisch lezen steeds vlotter te doen verlopen.”


Maar... icoontje

Marieke Vanbuel: “Toch zien we dat begrijpend lezen vaak te laat komt in het leerproces. Je mag niet wachten met begrijpend lezen tot kinderen vlot technisch kunnen lezen. Begrijpen wat je leest, vergemakkelijkt ook het technische lezen. In een betekenisvolle zin kan je bijvoorbeeld eenvoudiger voorspellen welke woorden nog zullen volgen. Kinderen willen bovendien vlot technisch kunnen lezen om goed te begrijpen wat er staat. Technisch en begrijpend lezen integreren, verhoogt dus de leesmotivatie.”

“Uit ons onderzoek bij laaggeletterde mensen blijkt dat je begrijpend lezen al op een heel basaal niveau kan inoefenen, zelfs met korte zinnetjes. Zo kan een kind de zin ‘De kapper knipt het haar’ eerst technisch lezen en vervolgens inhoudelijk linken aan een afbeelding. Technisch en begrijpend lezen kunnen dus op alle leesniveaus samengaan.”

Stelling 7
“Zinsontleding maakt kinderen taalvaardiger”

Ja... icoontje

Marieke Vanbuel: “Door expliciet aandacht te besteden aan de opbouw van zinnen, sla je grammaticale kennis anders op dan wanneer je die spontaan oppikt zonder er bewust bij stil te staan. We zien in hersenonderzoek dat we andere delen van de hersenen activeren bij het oproepen ervan.”

“Expliciet opgeslagen grammaticale kennis helpt je in bepaalde omstandigheden. Als je tijd hebt om een boodschap te formuleren, zoals bij een e-mail, kan je die activeren om je boodschap perfect grammaticaal juist neer te schrijven. Ook in een spontaan gesprek kan ze je te hulp komen als je even vastloopt, bijvoorbeeld als je pas een nieuwe taal leert.”


Maar... icoontje

Marieke Vanbuel: “De meeste kinderen in de basisschool hebben nog niet het cognitieve vermogen van leerlingen in het secundair om heel abstract over taal na te denken. Vooral het klassieke zinsontledingsonderwijs, waarbij je zinnen in zinsdelen hakt en die benoemt, heeft heel weinig effect op hun taalvaardigheid. Ze leren vooral losse trucs toepassen op kunstmatige zinnen. Laat je die trucs los op natuurlijk taalgebruik, dan blijken ze vaak niet te werken, met veel verwarring als gevolg.”

“De omgekeerde weg werkt wel. Bij zinsopbouwonderwijs krijgen kinderen taalinzicht door ze op basis van een korte zin langere zinnen te laten maken. Geef ze een minimale zin als De leraar leest. Denk vervolgens samen na over manieren waarop je die zin in stapjes betekenisvol kan verlengen.”

“Wat leest de leraar? Dat levert dan ‘De leraar leest een spannend verhaal’ op. Wanneer leest ze? Zo kom je tot ‘Elke vrijdag leest de leraar een spannend verhaal’. Plots zien kinderen de leraar en leest van plaats wisselen. Zo bouwen ze alsmaar verder op tot zinnen als ‘Elke vrijdag leest de leraar ons in de klas een spannend verhaal voor uit een boek, dat ze al twintig jaar in haar bibliotheekkastje heeft staan’. Door bij elke stap stil te staan bij de mogelijkheden en de effecten op de zinsbouw stimuleer je leerlingen om bewust te reflecteren over zinsdelen en woordvolgorde in betekenisvolle zinnen.”

Stelling 8
“Spelling oefen je het best met goede dictees”

Ja... icoontje

Marieke Vanbuel: “Dictees zijn in de basisschool een prima didactisch middel om woorden juist te leren spellen. In onze spelling zitten 3 types woorden. Hoorwoorden, zoals ‘bal’, spel je min of meer zoals je ze hoort. Voor regelwoorden moet je een bepaalde spellingsregel toepassen. ‘Hij antwoordt’ schrijf je met een ‘t’ achteraan, naar analogie met ‘hij loopt’. Daarbij moet je het meest frequente woordbeeld ‘antwoord’ onderdrukken. Tot slot heb je de onthoudwoorden. ‘Leiden’ met een korte ‘ei’ is iets anders dan met een lange ‘ij’. Dat moet je gewoon weten.”

“Vooral voor de regel- en onthoudwoorden heb je veel inoefening nodig. Dictees zijn daarbij een effectief hulpmiddel, omdat je de woorden gericht in veel contexten kan presenteren.”


Maar... icoontje

Marieke Vanbuel: “Veel leraren stellen gefrustreerd vast dat kinderen in een dictee goed hun plan trekken, maar plots alle spellingsregels overboord gooien als ze een tekst schrijven. Attitude speelt daarbij een grote rol, maar verklaart niet alles.”

“Teksten schrijven is supercomplex. Tot in het hoger onderwijs blijken jongeren moeite te hebben om alle aspecten van het schrijfproces tegelijk toe te passen. Ze moeten hun boodschap helder formuleren, bedenken welke voorkennis de lezer heeft, de juiste woorden kiezen, aandacht hebben voor stijl en een heldere tekstopbouw … Spelling schiet er dan vaak bij in.”

“Je kan daarop inspelen door het schrijfproces op te delen in stappen: eerst plannen wat je gaat schrijven, dan een eerste versie schrijven en pas in een laatste stap expliciet vragen om na te lezen op spelling.”

“Vooral teksten laten herschrijven is voor spelling bijzonder effectief. Nog te vaak zien we dat leerlingen een verbeterde tekst gewoon terugkrijgen met een score. Daarmee is dan de kous af. Maar net in een herschrijffase is er meer mentale ruimte om op spelling te focussen. Je kan er dan een expliciet doel van maken.”

“Creëer ook bewustzijn rond spelling. We weten dat spelfouten in schoolse opdrachten slecht overkomen. Maar in chatverkeer doet een correcte spelling er helemaal niet toe of schept ze misschien een beeld dat je niet wil. Werk dus aan de attitude om spellingskennis in te zetten wanneer er iets van afhangt.”

Marieke Vanbuel doet aan de KU Leuven onderzoek naar de verwerving van Nederlands als tweede taal en effecten van onderwijs op tweedetaalverwerving in basis-, secundair en volwassenenonderwijs. Ze is co-auteur van ‘Taal in de basisschool. 75 vragen over taalonderwijs en taalbeleid in het kleuter- en lager onderwijs’.

Logo minimumdoelen = maximale kansen

‘Ieder kind Taalheld’ is een pakket maatregelen van de Vlaamse overheid om de kennis van het Nederlands van alle leerlingen te versterken. ‘Ieder kind Taalheld’ vertrekt van de nieuwe minimumdoelen voor het basisonderwijs, met als doel maximale onderwijskansen voor elk kind.

Piet Creten

Voeg dit artikel toe aan je bewaarde artikels

Log in om te bewaren


Laat een reactie achter